GLOSTER. Doch de arme stierf door uwen eersten last;
En dien bracht een gevleugelde Mercurius;
Een trage kreup’le bracht den tegenlast
En kwam te laat, om voor zijn graf te zorgen.
God geev’, dat menigeen, min trouw en edel,
Door ’t bloed niet, maar door lust naar bloed u nader,
Niet erger lot verdien’ dan de arme Clarence,
Al loopt hij thans nog van verdenking vrij!
(Stanley komt op.)
STANLEY. Mijn vorst, een gunst, als dank voor mijne diensten!
KONING EDWARD. O, ’k bid u, zwijg; vol kommer is mijn ziel.
STANLEY. Ik rijs niet op, aleer mijn vorst mij hoort.
KONING EDWARD. Zoo zeg in ’t kort, wat uw verlangen is.
STANLEY. ’t Verbeurde leven van mijn dienaar, heer;
Hij sloeg vandaag een woesten jonker dood,
Voormaals een edelknaap van hertog Norfolk.
KONING EDWARD. Heb ik een tong, die mijnen broeder doodt,
En moet die tong een knecht het leven schenken?
Mijn broeder deed geen doodslag; in gedachte
Bestond zijn schuld; toch leed hij bitt’ren dood.
Wie bad voor hem? wie knielde voor mijn toorn
En smeekte, dat ik wikken zou en wegen?
Wie sprak van broederzin? wie sprak van liefde?
Wie wees er op, hoe de arme de’ afval waagde
Van grooten Warwick, om voor mij te strijden?
Wie wees er op, dat hij bij Tewksbury,
Toen Oxford mij reeds onder had, mij redde,
En riep: „Leef, dierb’re broeder, wees gij koning!”
Wie wees er op, hoe, toen wij, saam op ’t veld
Gelegerd, schier bevroren, hij mij hulde
In zijne kleed’ren, en ontkleed, ja naakt,
Zich bloot gaf aan de bitterkoude nacht?
Dit alles reet een zondig, dierlijk wrokken
Mij uit de ziel, en niemand uwer was
Zoo christ’lijk, dat hij ’t mij te binnenbracht.
Doch als uw voerliên of uw dienstvazallen
Een dronken moord begaan en ’t kost’lijk beeld
Des lieven Heilands schenden, daad’lijk ligt
Gij op de knieën om genâ, genade!
En ik moet, schoon het onrecht zij, die schenken.
Doch voor mijn broeder wilde niemand spreken.
En ik, ook ik, was hard, sprak hem niet voor,
Hem, de arme ziel!—Elk uwer, ook de fierste,
Had veel aan hem te danken bij zijn leven;
Doch geen, geen uwer pleitte ooit voor zijn leven;—
O God! ik vrees, uw oordeel zal ’t verhalen
Op mij, op u, op de uwen, op de mijnen! 132
Kom, Hastings, leid mij naar mijn slaapvertrek.
Ach, arme Clarence!
(Allen af, behalve Gloster, Buckingham en Stanley.)
GLOSTER. Ziedaar de vrucht van woeste haast!—Gij zaagt wel
Hoe, wis door schuld, der koningin verwanten
Verbleekten bij ’t bericht, dat Clarence stierf?
O, daag’lijks hitsen zij den koning op!
God zal het wreken. Komt, mylords, wie volgt mij,
Om door ons bijzijn Edward troost te bieden?
BUCKINGHAM. Wij staan ten dienste, uw hoogheid.
(Allen af.)