HASTINGS. Zoo bloei’ mijn huis, zoo waar ik vriendschap zweer! 16

RIVERS. En ’t mijn’, zoo waar mij Hastings dierbaar is!

KONING EDWARD. Ook gij, vorstin, zijt hier niet uitgezonderd,—

Nòch gij, zoon Dorset;—Buckingham, nòch gij;—

Gij waart in tweedracht met elkaâr; reik, vrouw,

Lord Hastings, als uw vriend, de hand ten kus;

En wat gij doet, zij ongeveinsd gedaan.

KONINGIN ELIZABETH. Hier, Hastings;—onzen vroeg’ren haat begraaf ik;

Zoo waar ga ’t mij en al den mijnen wel!

KONING EDWARD. Dorset, omarm hem;—Hastings, heb hem lief.

DORSET. Ik zweer, dat deze vriendschapsruiling steeds

Van mijnen kant onschendbaar wezen zal.

HASTINGS. Dit zweer ook ik, mylord.

(Omarming.)

KONING EDWARD. Bezegel, eed’le Buckingham, den vrede;

Omarm de bloedverwanten mijner vrouw;

En schenkt mij door uw eendracht blij geluk!

BUCKINGHAM (tot de Koningin). Zoo Buckingham ooit tegen uwe hoogheid

Zijn wrevel keert en niet voor u en de uwen

Oprechte liefde voedt, dan straff’ mij God

Door haat bij hen, wier liefde ik meest verwachtte!

Wanneer ik meest de hulp eens vriends behoef,

En mij het zekerst waan van zijne trouw,

Dan moog’ hij valsch, vol list, bedrog, verraad,

Mijn onheil zijn! Dit smeek ik van den Hemel,

Verkilt mijn hart voor u of de uwen ooit!

KONING EDWARD. De zoetste laaf’nis, eed’le Buckingham, 41

Is die gelofte voor mijn lijdend hart.

Slechts onzen broeder Gloster mis ik nog

Om op dit vreêverbond de kroon te zetten.

BUCKINGHAM. En, als geroepen, komt daar de eed’le hertog.

(Gloster komt op.)

GLOSTER. ’k Wensch ’t hooge vorstenpaar een goeden morgen,

En, eed’le pairs, u allen alle heil!

KONING EDWARD. Ja, wel tot heil werd deze dag besteed.—

Wij deden, Gloster, hier een christ’lijk werk;

Wij schiepen vrede uit krijg en liefde uit haat

Bij deze felle, boos ontvlamde pairs.

GLOSTER. Een rijk gezegend werk, verheven vorst.—

Zoo een uit deze hooge schare mij

Door valsch gerucht of ongegronden argwaan

Zijn vijand acht;

Zoo ik onwetend of in woeste drift

Iets heb begaan, dat krenkend wezen mocht

Voor één uit dezen kring, dan wensch ik mij

Tot vrede en vriendschap met hem te verzoenen;

In vijandschap te leven is mij dood;

Ik haat het, wensch mij aller braven liefde.

Eerst, hooge vrouwe, smeek ik u om vrede,

’k Wil dien mij koopen door mijn trouwen dienst;

Dan u, mijn eed’len neef van Buckingham,

Zoo tusschen ons ooit een’ge veete woonde;

Dan u, en u, lord Rivers en lord Dorset,

Die elk mij toornig aanzaagt zonder grond;

[En u, lord Woodville, en, lord Scales, ook u;]

Hertogen, graven, lords,—kortom, u allen.

Geen Engelschman, die leeft, is mij bekend,

Met wien mijn ziel een haartje meer verschil heeft,

Dan ’t wicht, dat deze nacht geboren werd;

En ’k zeg voor mijnen ootmoed Gode dank.

KONINGIN ELIZABETH. Voortaan zij deze dag een heil’ge feestdag;—

Gaav’ God, dat ied’re twist ten einde waar’!—

Mijn heer en vorst, thans smeek ik van uw hoogheid:

Schenk onzen broeder Clarence weer uw gunst!

GLOSTER. Wat, hooge vrouw, bood ik u daartoe vriendschap,

Om zoo voor ’s konings troon bespot te worden?

Wie weet dan niet, dat de eed’le hertog dood is?

(Allen deinzen terug.)

Het is hem onrecht doen, zijn lijk te hoonen.

KONING EDWARD. Wie weet niet, dat hij dood is! Spreek, wie weet het?

KONINGIN ELIZABETH. Alziende God, wat wereld is dit hier!

BUCKINGHAM. Zie ik zoo bleek, lord Dorset, als die and’ren?

DORSET. Ja, beste lord; geen mensch in dezen kring,

Of alle rood is zijn gelaat ontweken.

Koning Richard de Derde · 第 17 / 82 题