Een vertrek in het paleis.
Koning Edward wordt krank binnengeleid, Koningin Elizabeth, Dorset,
Rivers, Hastings, Buckingham, Grey en anderen komen op.
KONING EDWARD. Nu,—’k heb een schoone dagtaak afgedaan.—
Gij, pairs, houdt vast aan de eendracht, nu gesticht;
Ik wacht van dag tot dag van mijn Verlosser
Een afgezant, die mij van hier verlost;
En meer in vrede stijgt mijn ziel ten hemel,
Nu ik mijn vrienden vrede schonk op aard.
Rivers en Hastings, reikt elkaâr de hand.
Voedt geen geheimen haat, bezweert uw vriendschap.
RIVERS. Ik zweer, mijn ziel is rein van haat en wrok;
Mijns harten vriendschap zegelt deze hand.
HASTINGS. Mij zeeg’ne God, zoo waar ik ’tzelfde zweer!
KONING EDWARD. Ziet toe, dat gij geen spel drijft voor uw vorst,
Opdat niet aller vorsten Opperheer
Uw valschheid, hoe verkapt, te schande maak’,
En elk van u ’t verderf doe zijn des and’ren.