VIERDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in den Tower.

Clarence en een Stokbewaarder komen op.

STOKBEWAARDER. Hoe ziet uw hoogheid heden zoo bedrukt?

CLARENCE. O, ’k heb een nacht doorleefd van diepe ellend,

Vol bange droomen, schrikk’lijke gezichten;

Zoowaar ik een geloovig christen ben,

Nog eens een nacht als deze door te staan,

Ik deed het voor geen wereld blijde dagen;

Zoo vol van naamlooze’ angst was mij die tijd!

STOKBEWAARDER. Wat was uw droom, mylord? ik bid u, meld dit.

CLARENCE. Mij dacht, dat ik ontsnapt was uit den Tower,

En dat een schip mij voerde naar Bourgondië;

Mijn broeder Gloster was mijn reisgezel;

Hij lokte me uit mijn hut op ’t dek; wij deden

Daar saam een wand’ling, blikten uit naar England,

En spraken van die duizend zware tijden

Uit de’ oorlog tusschen York en Lancaster,

Die ons getroffen hadden. Bij die wand’ling

Op ’t glibb’rig dek, kwam het op eens mij voor,

Dat Gloster struikelde en bij ’t vallen mij,

Die trachtte hem te houden, overboord

En in ’t gewoel der woeste baren stiet.

O God, hoe smartlijk scheen ’t mij, te verdrinken!

Wat vreeslijk waterklotsen in mijn oor!

Wat beelden van den gruwb’ren dood in ’t oog,

Mij dacht, ik zag een duizend schrikb’re wrakken,

Een duizend menschen, waaraan visschen knaagden,

Goudklompen, reuzige ankers, hoopen paarlen,

Onschatb’re steenen, tal van prachtjuweelen,

Op heel den bodem van de zee verspreid;

In schedels lagen enkele; in de holten,

Waar oogen eens in huisden, zaten nu,

Als schimpten zij op oogen, flonkersteenen,

Het glibb’rig slijk der diepte tegenlonkend,

En spottend met het doodsgebeente in ’t rond.

STOKBEWAARDER. Hadt gij in ’t oogenblik des doods den tijd

Om zoo der zee geheimen te bespieden?

CLARENCE. Zoo kwam ’t mij voor, en menigmaal beproefde ik

Den geest te geven, doch de zee hield wreev’lig

Mijn ziel steeds vast en liet haar niet ontglippen

Om de open, ruime, vrije lucht te zoeken;

Zij deed haar stikken in mijn hijgend lichaam,

Dat bijna barstte om haar in zee te loozen.

STOKBEWAARDER. Werdt gij niet wakker in dien zwaren doodsstrijd?

CLARENCE. Neen, neen, mijn droom ging nog na ’t leven door; 43

O toen begon de storm voor mijne ziel!

Haar bracht, zoo scheen ’t mij, over ’t somb’re water

De norsche veerman, van wien dichters spreken,

Naar ’t koninkrijk der nacht, die nimmer eindt.

En de eerste, die mijn vreemd’lingziel daar groette,

Was mijner vrouw roemruchte vader Warwick,

Die luide riep: „Wat gees’ling voor verraad

Bereidt dit duist’re rijk den valschen Clarence?”

En zoo verdween hij. Daarna zweefde een schim

Gelijk een engel nader, ’t lichte haar 53

Met bloed bevlekt; met luider stemme kreet hij:

„Clarence is daar, die eedvergeten Clarence,

Die mij bij Tewksbury op ’t veld doorstak;—

Grijpt, grijpt hem, Furiën; sleept hem weg ter martling!”

En, docht mij, een legioen van booze geesten

Omringde mij en huilde mij in ’t oor,

Zoo schrikverwekkend, dat ik door ’t gebrul

Ontwaakte en rilde en nog geruimen tijd

Niet anders dacht dan in de hel te zijn;

Zoo diep was in mijn ziel de droom gegrift.

STOKBEWAARDER. Geen wonder, dat hij u ontzette, heer;

Want van ’t verhaal alleen ben ik ontsteld.

CLARENCE. O stokbewaarder! O, ik deed dat alles,

Dat tegen mijne ziele nu getuigt,

Om Edwards wil; en zie, hoe hij ’t mij loont!—

O God, verzoent geen innig smeeken u,

Maar eischt gij wrake voor wat ik misdeed,

O, boet uw grimmigheid alleen op mij,

Spaar mijn onnooz’le vrouw, mijn arme kinders!—

Bewaker, ’k bid u, blijf een wijle hier,

Want mijne ziel is bang, ik wensch te slapen.

STOKBEWAARDER. Dit zal ik, heer; God geve uw hoogheid rust.

(Clarence slaapt in.)

(Brakenbury komt op.)

BRAKENBURY. Het leed verstoort èn wakenstijd èn rustuur,

En maakt de nacht tot morgen, dag tot nacht.

Der vorsten een’ge heerlijkheid zijn titels,

Uitwendig schitt’ren voor inwendig slaven;

Voor ongenoten hersenschimmen voelen

Ze een wereld vaak van rustelooze zorg;

Zoodat van lagen stand een hooge naam

In niets verschilt dan in den roep der faam.

(De twee Moordenaars komen op.)

EERSTE MOORDENAAR. Hé, wie is daar?

BRAKENBURY. Wat wilt gij kerel? en hoe komt gij hier?

EERSTE MOORDENAAR. ’k Moet Clarence spreken, en ik kwam te voet

hierheen.

BRAKENBURY. Wat! zoo kortaf?

TWEEDE MOORDENAAR. ’t Is beter dan langwijlig, heer.—

Laat hem de volmacht zien, en praat niet verder.

(De eerste Moordenaar overhandigt aan Brakenbury een papier.)

BRAKENBURY (na lezing). ’t Is een bevelschrift om in uwe handen

Den eed’len hertog Clarence uit te leev’ren;

Ik wil niet vragen, wat hiermee bedoeld is,

Want aan dit doel wil ik onschuldig zijn.

Daar slaapt de hertog en hier zijn de sleutels.

Ik ga terstond den koning kennis geven,

Dat ik aldus mijn ambt u overdroeg. 99

EERSTE MOORDENAAR. Zoo kunt ge doen, heer; ’t is een wijze keus.

Vaarwel.

(Brakenbury af, met den Stokbewaarder).

TWEEDE MOORDENAAR. Hoe is het, zullen wij hem in den slaap doorsteken?

EERSTE MOORDENAAR. Neen, hij zou bij het wakker worden zeggen, dat het

een laffe daad was.

TWEEDE MOORDENAAR. Wel, hij zal niet wakker worden voor den grooten

oordeelsdag.

EERSTE MOORDENAAR. Nu, dàn zal hij zeggen, dat wij hem in den slaap

doorstoken hebben.

TWEEDE MOORDENAAR. Het noemen van dat woord „oordeelsdag” heeft een

soort van gewetensangst bij mij gaande gemaakt.

EERSTE MOORDENAAR. Wat! zijt gij bang?

TWEEDE MOORDENAAR. Niet om hem te dooden, want daartoe heb ik een

volmacht, maar voor de verdoemenis, als ik hem dood; want waartegen kan

geen volmacht mij iets helpen.

EERSTE MOORDENAAR. Ik dacht, dat gij vastbesloten waart geweest.

TWEEDE MOORDENAAR. Dat ben ik, om hem te laten leven.

EERSTE MOORDENAAR. Ik ga naar den hertog van Gloster terug en vertel

het hem.

TWEEDE MOORDENAAR. Neen, ik bid u, wacht nog een oogenblik; ik hoop,

dat die vlaag van gevoeligheid wel zal overwaaien; zij hield meestal

slechts een twintig tellens aan.

EERSTE MOORDENAAR. Hoe voelt gij u nu?

TWEEDE MOORDENAAR. Er zit nog een klein bezinksel van geweten bij mij.

EERSTE MOORDENAAR. Denk aan onze belooning, als de daad gedaan is.

TWEEDE MOORDENAAR. Alle duivels, hij sterft; ik was de belooning

vergeten.

EERSTE MOORDENAAR. Waar is uw geweten nu?

TWEEDE MOORDENAAR. O, in de beurs van den hertog van Gloster.

EERSTE MOORDENAAR. Als hij zijn beurs opent om ons te beloonen, vliegt

uw geweten er uit.

TWEEDE MOORDENAAR. Het doet er niet toe, laat het zijn gang gaan; er

zijn er weinig of geen, die er huisvesting aan zullen verleenen.

EERSTE MOORDENAAR. Maar, als het eens bij uzelven terugkomt?

136

TWEEDE MOORDENAAR. Dan laat ik mij er niet mee in, het maakt een man

tot een lafaard; men kan niet stelen, of het klaagt aan; men kan niet

vloeken, of het valt in de rede; men kan niet bij zijns buurmans vrouw

liggen, of het speelt voor verrader; het is een bloode, schaamrood

wordende geest, die in het hart oproer stookt; het stopt een man geheel

vol zwarigheden; het heeft mij eens een beurs met goud terug doen

geven, die ik bij toeval gevonden had: het maakt ieder, die het er op

nahoudt, tot een bedelaar; het wordt als een gevaarlijk ding alle

steden en vlekken uitgejaagd; en ieder, die een goed leven wil hebben,

verlaat zich liefst op zichzelf en tracht zonder dat ding te leven.

EERSTE MOORDENAAR. Waarachtig, het trekt mij daar juist bij de mouw en

vermaant mij, den hertog niet om te brengen.

TWEEDE MOORDENAAR. Neem u voor den duivel in acht en geloof hem niet;

hij wil zich alleen bij u indringen, om u aan het zuchten te brengen.

EERSTE MOORDENAAR. Ik ben sterk van natuur; hij krijgt mij niet onder.

TWEEDE MOORDENAAR. Dat is gesproken als een flinke kerel, die zijn naam

in eere houdt. Kom, willen wij aan ’t werk gaan?

EERSTE MOORDENAAR. Sla hem met het gevest van uw degen den kop in, en

smijt hem dan in ’t malvezijvat in de kamer hiernaast.

TWEEDE MOORDENAAR. O, heerlijk uitgedacht! wij maken een sopje van hem.

EERSTE MOORDENAAR. Stil, hij wordt wakker.

TWEEDE MOORDENAAR. Sla toe!

EERSTE MOORDENAAR. Neen, we willen een praatje met hem maken.

CLARENCE (ontwakend). Waar zijt gij, wachter? geef me een roemer wijns.

EERSTE MOORDENAAR. Zoo daad’lijk, heer, bekomt gij wijn genoeg.

CLARENCE. In Gods naam, wie zijt gij?

EERSTE MOORDENAAR. Een mensch, als gij zijt.

CLARENCE. Doch niet, als ik, een koningszoon.

EERSTE MOORDENAAR. Noch gij, als wij, trouw dienaar van den troon.

CLARENCE. Uw taal is donder, maar uw blik is schuw.

EERSTE MOORDENAAR. Mijn taal is koningstaal, mijn blik de mijne.

CLARENCE. Hoe duister en hoe dood’lijk zijn uw woorden!

Uw oogen dreigen; waarom ziet gij bleek?

Wie heeft u hier gezonden? waarvoor komt gij?

Koning Richard de Derde · 第 13 / 82 题