GLOSTER. Ik deed dit reeds; hij sluit met „Margaretha.” 239

KONINGIN ELIZABETH. Zoo keerde uw vloek nu tot uzelve weer.

KONINGIN MARGARETHA. Arm vorstenbeeld, gij mijner grootheid

schijnglans?

Wat strooit ge op die gezwollen giftspin suiker,

Wier dood’lijk web in ’t rond u heeft omstrikt?

Gekkin, gij wet een mes, dat u zal dooden.

Eens komt de dag, dat gij mij naast u wenscht,

Om die gebulte giftpad mee te vloeken.

HASTINGS. Gij leugenspelster, dat uw waanzin zwijg’!

Put ons geduld niet uit, het mocht u schaden.

KONINGIN MARGARETHA. Schande op u allen! ’t mijne is uitgeput.

RIVERS. Hij diende u goed, die uwen plicht u leerde.

KONINGIN MARGARETHA. Mij goed te dienen, ware uw aller plicht;

Leert mij, dat ik hier heersch en gij gehoorzaamt.

O, dient mij goed en leert uzelf dien plicht.

DORSET. Geen redetwist met haar, zij is waanzinnig.

KONINGIN MARGARETHA. Stil, jonge markgraaf, gij zijt schaamtloos stout;

Nauw gangbaar is uw pasgemunte rang.

O, wist uw jeugdige adel, wat het zegt,

Zijn rang te derven, in ellend’ te leven!

Wie hoog staat, wordt door meen’ge vlaag geschud;

En als hij valt, wordt hij geheel verpletterd.

GLOSTER. Een goede raad;—behartig hem, markies.

DORSET. Hij past voor u, mylord, gelijk voor mij.

GLOSTER. Veel meer nog; maar ik werd zoo hoog geboren.

In cedertoppen bouwt ons aad’laarsras,

En dartelt met den wind en trotst de zon.

KONINGIN MARGARETHA. En maakt de zon tot nacht;—ach, ach! getuig’ dit,

Mijn zon, mijn zoon, in doodsnacht nu gehuld,

Wiens flonkerstralen uwer gramschap wolk

Met eeuw’ge duisternis omtogen heeft!

York’s broedsel, ’t bouwt in onzer jongen nest;

O God, gij ziet het; duld, o duld het niet;

Wat bloed deed winnen, ga door bloed verloren!

BUCKINGHAM. Stil, dit is schande! ’t is onchrist’lijk doen.

KONINGIN MARGARETHA. O spreek mij niet van christ’lijkheid of schande,

Gij allen waart onchrist’lijk jegens mij,

En schand’lijk hebt gij al mijn hoop geslacht.

Woede is mijn christ’lijkheid, mijn leven schande,

En in die schande leev’ de wrok der smart!

BUCKINGHAM. Houd op, houd op!

KONINGIN MARGARETHA. Doorluchte Buckingham, ik kus uw hand;

280

Dit zij u teeken van mijn vrede en vriendschap;

U en uw edel huis ga ’t immer wel!

Uw kleed’ren zijn niet met ons bloed bespat,

En gij niet in ’t bereik van mijnen vloek.

BUCKINGHAM. En niemand hier, geen vloeken reiken verder

Dan tot de lippen, die hen lucht doen zijn.

KONINGIN MARGARETHA. En ik geloof, dat zij ten hemel stijgen,

Gods vrede er wekken uit zijn zoeten slaap.

O Buckingham, o hoed u voor dien hond!

Zie, kwispelt hij, dan bijt hij; als hij bijt,

Dan woedt zijn gifttand tot den dood toe door.

Heb niets met hem te doen, wacht u voor hem!

Dood, hel en zonde hebben hem geteekend,

En al hun dienaars zijn in zijn gevolg.

GLOSTER. Wat zegt zij u, mylord van Buckingham?

BUCKINGHAM. Niets waar ik acht op sla, genadig heer.

KONINGIN MARGARETHA. Wat! hoont gij mij, die vriend’lijk raad, en hangt

gij

Den duivel, waar ik u voor waarschuw, aan?

O denk eens aan dit uur, als hij door wee

Uw hart vaneen zal rijten, en zeg dan:

„Die arme Margaretha was profetisch!”—

Zoo leeft dan, elk van u bij hem gehaat,

En hij bij u, en allen saam bij God!

(Koningin Margaretha af.)

HASTINGS. Mij rees het haar te berge bij haar vloeken.

RIVERS. Mij ook; dat zij hier vrij blijft, is me een raadsel.

GLOSTER. Valt haar niet hard; want bij Gods heil’ge moeder,

Veel onrecht moest zij lijden; mij berouwt

Het deel, dat ik er aan heb toegevoegd.

KONINGIN ELIZABETH. Ik deed geen leed haar aan, zoover ik weet.

GLOSTER. Toch pluktet gij de vruchten van haar leed.

Ik was vol vuur om iemand goed te doen,

Die nu te koel van al mijn diensten denkt.

Voorwaar, wat Clarence deed, wordt goed betaald!

Erkent’lijk wordt hij in een kot gemest;—

Vergeev’ God hun, die daar de schuld van zijn!

RIVERS. Een vroom besluit, een christen waard, te bidden

Voor hen, die schade ons hebben toegevoegd!

GLOSTER. Zoo doe ik steeds;—(Ter zijde.) en ’k heb er reden toe,

Want vloekte ik nu, ik had mijzelf vervloekt.

(Catesby komt op.)

CATESBY. De koning, eed’le vrouw, wenscht u te zien,—

En uwe hoogheid ook, en u, mylords. 321

KONINGIN ELIZABETH. Wij komen, Catesby.—Gaat gij mede, lords?

RIVERS. Wij volgen uwe hoogheid.

(Allen af, behalve Gloster.)

GLOSTER. Ik doe het booze, en roep het eerst om wraak.

Het onheil, dat ik heim’lijk heb gesticht,

Leg ik als zwaren last op vreemde schouders.

Ikzelf wierp Clarence in dat donker kot,

En nu beween ik hem bij stikziende uilen,

Zooals bij Stanley, Hastings, Buckingham;

En zeg, de koningin, zij en haar aanhang,

Die hitsen tegen hem den koning op.

En zij gelooven ’t; ja, zij wetten mij,

Dat ik op Rivers, Vaughan, Grey mij wreek;

Dan zucht ik, zeg hun met een bijbelspreuk,

Dat God gebiedt, voor ’t kwade goed te doen;

En zoo bekleed ik steeds mijn naakte boosheid

Met dwaze vodden, uit de Schrift gekaapt,

En schijn een heil’ge, als ik echt duivelsch ben.

(Twee Moordenaars komen op.)

Maar stil! het zijn mijn beulen, die daar komen.—

Gij wakk’re stoute, vastberaden mannen,

Zijt gij bereid, dat zaakjen af te doen?

EERSTE MOORDENAAR. Ja, eed’le heer, wij komen om de volmacht,

Opdat wij toegang vinden, waar hij is.

GLOSTER. Zeer goed bedacht; ik heb ze bij mij; hier!

(Hij geeft hun de volmacht.)

En komt, is ’t werk gedaan, naar Crosbyhof.

Maar mannen, brengt met spoed uw taak ten eind;

Weest onverbidd’lijk; laat hem niet aan ’t woord;

Want Clarence weet te praten, en wellicht

Vermurwde hij uw hart, als gij gingt luist’ren.

EERSTE MOORDENAAR. Gerust, mylord; wij maken daar geen praats;

Wie babbelt, leutert meest; wees gij verzekert,

Wij roeren onze handen, niet de tong.

GLOSTER. Een dwaas ween’ tranen, gij eer molensteenen;

Gij lijkt mij flinke kerels;—komt, aan ’t werk,

Gaat, gaat, en snel!

EERSTE MOORDENAAR. Dat zullen wij, uw hoogheid.

(Allen af).

Koning Richard de Derde · 第 12 / 82 题