BEIDE MOORDENAARS. Om, om, om—

CLARENCE. Mij te vermoorden?

BEIDE MOORDENAARS. Juist.

CLARENCE. Gij hebt het hart niet eens, mij dit te zeggen,

En kunt dus ’t hart niet hebben, zoo te doen.

Waarmee, mijn vrienden, heb ik u beleedigd?

EERSTE MOORDENAAR. Niet ons hebt gij beleedigd, maar den koning.

183

CLARENCE. Eerlang ben ik gewis met hem verzoend.

TWEEDE MOORDENAAR. Neen, nimmer, heer; bereid u dus ter dood.

CLARENCE. Werdt ge uit millioenen door het lot verkoren

Om de onschuld te vermoorden? Wat misdreef ik?

Waar is ’t getuignis, dat mij schuldig noemt?

Waar de gezwoor’nen, die den grammen rechter

Hun uitspraak overreikten? ’t Bitter vonnis

Tot dood van de’ armen Clarence, wie, wie streek het?

Aleer de loop van ’t recht mij schuldig vindt,

Is ’t dreigen met den dood een schand’lijk onrecht.

Zoo waar gij op vergeving hoopt van schuld

Door Christus’ kost’lijk bloed, voor ons vergoten,

Zeg ik, gaat heen en slaat geen hand aan mij;

Verdoemlijk is uw voorgenomen daad.

EERSTE MOORDENAAR. Die voorgenomen daad geschiedt op last.

TWEEDE MOORDENAAR. En die haar heeft gelast, is onze koning.

CLARENCE. Verdwaasde knechten! aller vorstenkoning,

Gaf in zijn wet der taaf’len dezen last:

„Gij zult niet doodslaan!” Wilt gij Zijn gebod

Vertreden en eens menschen last volbrengen?

Ziet toe! hij heeft de wraak in Zijne hand

En slingert ze op der wetsveracht’ren hoofd.

TWEEDE MOORDENAAR. En de eigen wrake slingert hij op u,

Voor valschen meineed en nog valscher moord;

Ge ontvingt het sacrament, dat ge in den strijd

Zoudt vechten voor het huis van Lancaster.

EERSTE MOORDENAAR. En als verrader aan den name Gods

Braakt gij dien eed en scheurde uw trouwloos staal

Den boezem open van uws vorsten zoon.

TWEEDE MOORDENAAR. Wien gij, naar de’ eed, beminnen zoudt en hoeden.

EERSTE MOORDENAAR. Hoe houdt gij ons Gods hoog gebod voor oogen,

Gij, die het zelf zoo zwaar geschonden hebt?

CLARENCE. Helaas! voor wien deed ik die snoode daad?

Voor Edward, voor mijn broeder, hem tot nut;

Hij zendt u niet, om daarvoor mij te moorden,

Want in die schuld steekt hij zoo diep als ik.

Zoo God die daad door wrake wil vergelden,

O weet, dan doet Hij ’t ook ’t openbaar;

Neemt gij de straf niet uit Zijn sterke hand;

Geen krommen weg, geen wetloos doen behoeft Hij,

Om wie hem heeft beleedigd uit te roeien.

EERSTE MOORDENAAR. Wie heeft u toen tot bloedgezant gemaakt,

226

Toen ge in zijn lentebloei Plantagenet,

Dien wakk’ren vorstentelg, hebt neergestooten?

CLARENCE. Mijn broedermin, de duivel en mijn toorn.

EERSTE MOORDENAAR. Uw broeder, onze plicht en uw vergrijpen

Die zenden ons nu hier, dat we u verslaan.

CLARENCE. O haat,—hebt gij mijn broeder lief,—niet mij;

Ik ben zijn broeder en ik heb hem lief.

Zijt gij voor loon gehuurd, zoo gaat terug,

Wendt namens mij u tot mijn broeder Gloster,

Die beter u zal loonen voor mijn leven,

Dan Edward ooit voor ’t melden van mijn dood.

TWEEDE MOORDENAAR. Voorwaar, gij dwaalt; uw broeder Gloster haat u.

CLARENCE. Neen, neen; hij heeft mij lief, ik ben hem dierbaar.

Gaat slechts van mij tot hem.

BEIDE MOORDENAARS. Wij zullen ’t doen.

CLARENCE. Zegt hem, dat, toen onze eed’le vader York

Ons drieën met zijn heldenhand gezegend,

Bezworen heeft elkander lief te hebben,

Hij luttel zulk een vriendschapsbreuk voorzag;

Herinnert Gloster dit, en hij zal weenen.

EERSTE MOORDENAAR. Ja, molensteenen, naar zijn les aan ons.

CLARENCE. O, spreek van hem geen kwaad, want hij is goed.

EERSTE MOORDENAAR. Als sneeuw in de’ oogst-tijd.—Waarlijk, gij bedriegt

u;

Hij is het, die ons zendt om u te dooden.

CLARENCE. Het kan niet zijn; hij weende om wat mij trof,

En klemde mij aan ’t hart, en zwoer al snikkend,

Dat hij mijn vrijheid dra bewerken zou.

EERSTE MOORDENAAR. Welnu, dit doet hij, want hij maakt u vrij

Van aardsche slavernij, voor hemelvreugd.

TWEEDE MOORDENAAR. Verzoen u, heer, met God, want gij moet sterven.

CLARENCE. Hebt ge in uw zielen zooveel vroom gevoel,

Dat gij mij raadt, met God mij te verzoenen.

En zijt gij voor uw eigen ziel zoo blind,

Dat gij, door mij te moorden God wilt tergen?

Bedenkt het wel: die u heeft aangezet

De daad te doen, zal om de daad u haten.

TWEEDE MOORDENAAR. Wat nu te doen?

CLARENCE. Wordt week, en redt uw zielen.

EERSTE MOORDENAAR. Week worden! neen, ’t is laf, ’t is vrouwenaard.

CLARENCE. Niet week te worden, dierlijk, woest en duivelsch.

Spreekt, wie van u, als hij een vorstenzoon was

En van zijn vrijheid was beroofd als ik,

Zou, door twee moord’naars zooals gij bedreigd,

Niet om zijn leven smeeken?

Mijn vriend, uw blik verraadt mij een’ge deernis;

O kom, indien uw oog geen vleier is,

Aan mijne zijde, en smeek voor mij, zooals

Gijzelf, waart gij in mijnen nood, zoudt smeeken!

Wat beed’laar schenkt een prins, die bidt, geen deernis?

TWEEDE MOORDENAAR. Zie achter u, mylord.

EERSTE MOORDENAAR (Clarence doorstekend).

Neem dit,—en dat;—is dit nog niet genoeg,

Dan smoor ik u in ’t malvezijvat ginds.

(De eerste Moordenaar met het lijk af.)

TWEEDE MOORDENAAR. Een bloedig stuk, gewetenloos volvoerd!

Hoe gaarne wiesch ik als Pilatus eens,

Mijn handen rein van dezen gruwelmoord!

(De eerste Moordenaar komt weder op.)

EERSTE MOORDENAAR. Hoe is ’t met u, dat gij niet helpt? de hertog

Verneemt het, man, ik zweer ’t, hoe laf gij waart!

TWEEDE MOORDENAAR. Vernam hij eer, dat ik zijn broeder redde!

Neem gij het loon en meld hem, wat ik zeg,

Want mij berouwt het, dat de hertog dood is.

(Tweede Moordenaar af.)

EERSTE MOORDENAAR. Mij rouwt het niet; ga, lafaard, die gij zijt!

’k Verstop het lijk in de’ een of andren schuilhoek,

Totdat de hertog last geeft ter begraafnis;

En heb ik ’t loon, dan weet ik, wie ontvliedt;

Want dit komt uit, en dan zij ik hier niet.

(Eerste Moordenaar af.)

Koning Richard de Derde · 第 14 / 82 题