GLOSTER. Zij kan ’t, lord Rivers,—wel, wie weet het niet?—
Zij kan, mijn heer, nog meer doen, dan dit looch’nen;
Zij kan—aan meen’gen vetten post u helpen,
En later looch’nen, dat ze er iets voor deed,
En zeggen, dat gij ’t uw verdiensten dankt.
Wat kan zij niet? Zij kan,—ja trouwens, kan—
RIVERS. Wat trouwens kan zij?
GLOSTER. Wat trouwens kan zij? met een koning trouwen,
Een jonkman, ja, een knappen vrijgezel.
Uws vaders moeder deed een minder keus. 102
KONINGIN ELIZABETH. Mylord van Gloster, al te lang verdroeg ik
Uw plompen smaad en uwen bitt’ren spot;
Bij God, ik meld nu aan zijn majesteit
Den groven hoon, dien ik zoo vaak moest lijden.
Veel liever ware ik dienstmaagd op het land
Dan groote koningin met dit beding,
Van zulk een schimp en hoon en smaad te dulden;
Klein is mijn vreugd als Eng’lands koningin.
(Koningin Margaretha verschijnt op den achtergrond.)
KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Dat kleine word’ nog minder, bid ik
God!
Mij komt uw rang en staat en zetel toe.
GLOSTER. Wat! dreigt gij met een aanklacht bij den koning?
Goed, spaar mij niet; zie, wat ik heb gezegd,
Dit zal ik voor den koning staande houden.
Al wachtte mij de Tower, ’k zou het wagen.
’t Is sprekenstijd, mijn diensten zijn vergeten.
KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Gij duivel! Al te goed staan mij die
voor;
Mijn gade Hendrik dooddet gij in den Tower,
Edward, mijn armen zoon, te Tewksbury.
GLOSTER. Eer gij, ja eer nog uw gemaal gekroond was,
Was ik het pakpaard van zijn hooge wenschen,
Verdelger van zijn trotsche weerpartijders
En mild belooner van zijn medestanders;
Ik schonk hem koningsbloed door ’t mijn te spillen.
KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Ja, èn veel beter bloed dan ’t zijne
of ’t uwe.
GLOSTER. En al dien tijd trokt gij, en Grey, uw gade,
Partij steeds voor het huis van Lancaster;
En gij ook, Rivers,—Viel uw gade niet
Als Margaretha’s krijger bij Sint-Albaans?
Laat mij, zijt gij ’t vergeten, u herinn’ren,
Wat gij voor dezen waart en wat gij zijt,
Alsook, wat ik geweest ben en nu ben.
KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Een lage moord’naar, en dit zijt gij
nog.
GLOSTER. Die arme Clarence heeft zijn vader Warwick
Verzaakt, zijn eed van trouw aan hem verbroken;—
Vergeev’ hem Jezus!
KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Straff’ hem God er voor!
GLOSTER. Om, voor de kroon, aan Edwards zij te strijden;
En zie, tot loon zit de arme prins in hecht’nis.
Gaav’ God, ik had een steenen hart als Edward,
Of hij een zacht, meewarig hart als ik;
Ik ben te kindsch-goedhartig voor deze aarde.
KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Zoo vaar ter helle uit schaamte en
wijk van de aarde;
Gij kakodæmon! dààr ligt uw gebied.
RIVERS. Mylord van Gloster, in die heete dagen,
Waar gij op wijst, opdat wij vijand blijken,
Zijn we onzen heer en souverein gevolgd;
Wij zouden ’t u doen, zoo gij koning waart.
GLOSTER. Als ik dat waar’!—Marskramer ware ik liever!
Zelfs de gedachte er aan, zij ver van mij! 150
KONINGIN ELIZABETH. Zoo luttel heils, mylord, als gij voor u
Van ’t koning-zijn verwacht in dezen lande,
Zoo luttel heils, geloof mij, smaak ikzelf,
Schoon ik de koningin zij van dat rijk.
KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Ja, luttel heils smaakt Eng’lands
koningin;
Want dit ben ik, en enkel tot mijn onheil.
Ik houd mijn gramschap thans niet langer in.—
(Zij treedt naar voren.)
Hoort mij, vrijbuiters, die krakeelt, die twist
Bij ’t deelen van uw buit, aan mij ontroofd!
Wie uwer, die mij aanblikt, siddert niet,
Zoo niet voor uw vorstin, als onderdaan,
Toch voor die gij onttroond hebt, als rebel?—
Gij, hooge schurk, wend uw gelaat niet af!
GLOSTER. Boos, rimpl’ig tooverwijf, wat doet gij hier?
KONINGIN MARGARETHA. Herhalen kom ik hier uw euveldaden;
Dit wil ik doen, aleer ik u laat gaan.
GLOSTER. Zijt gij hier niet op straf des doods verbannen?
KONINGIN MARGARETHA. Ja, doch ik lijd als balling dieper wee,
Dan, blijf ik hier, de dood mij brengen kan.
Gij zijt mij een gemaal en zoon verschuldigd,—
En gij, een koninkrijk,—gij allen, leenplicht;
U komt het lijden toe, dat ik verduur,
Mij al ’t geluk, dat gij hebt overmeesterd.
GLOSTER. De vloek mijns eed’len vaders, toen gij hem
De heldenslapen kroondet met papier,
Zijn’ oogen stroomen afdwongt door uw hoon,
En toen om ze af te drogen hem een doek gaaft,
Gedoopt in ’s lieven Rutland’s schuldloos, bloed,—
Zijn vloeken, die zijn bitter hart u toen
Heeft toegeslingerd, zijn ’t, die op u vielen;
En God, niet wij, vergeldt uw bloedig doen.
KONINGIN ELIZABETH. God is gerecht, hij wreekt onschuldig bloed.
HASTINGS. O, ’t was de snoodste daad, dat kind te slachten,
De wreedste, die ooit menschenoor vernam.
RIVERS. Tirannen zelfs, zij weenden bij het hooren.
DORSET. Geen mensch, die daar geen wraak uit profiteerde.
BUCKINGHAM. Northumberland, die ’t aanzag, stortte tranen.
KONINGIN MARGARETHA. Wat! blikketanddet ge allen, eer ik kwam,
Als zoudt ge elkander bij den gorgel pakken,
En keert gij al uw haat nu tegen mij? 190
Bewoog York’s schrikb’re vloek den hemel zoo,
Dat Hendriks dood, mijns lieven Edwards dood,
’t Verlies der kroon, mijn bitt’re ballingschap,
Slechts boeten zijn voor dien halfwassen brasem?
Dringt zoo een vloek, de wolken door, ten hemel?—
Laat dan, grauw zwerk, mijn rassche vloeken, door!—
Door brassen, niet in de’ oorlog, sterve uw koning,
Gelijk door moord, om hem te kronen, de onze!
Edward, uw zoon, de nieuwe prins van Wales,
Voor Edward, mijn zoon, vroeger prins van Wales,
Sterv’ door geweld, ontijdig, jong, als hij!
Gij, koningin voor mij, die koningin was,
Gij, overleef, als ik, onzaal’ge, uw rijk!
Leef lang, om uwe kind’ren te bejamm’ren,
En zie eene and’re, zooals ik u zie,
Getooid, als gij ’t in mìjn recht zijt, in ’t uwe!
Lang voor uw dood zij uw gelukstijd dood;
En sterf, na menig eind’loos uur van wee,
Sterf, niet meer moeder, vrouw, noch koningin!
Rivers en Dorset, gij waart ooggetuigen,
Ook gij, lord Hastings, toen met purp’ren dolken
Mijn zoon doorstoken werd; ik smeek tot God:
Geen uwer leev’ natuurs gezetten tijd;
Een plots’ling onheil moge u nedermaaien!
GLOSTER. Staak uw bezwering, booze, dorre heks!
KONINGIN MARGARETHA. Met niets voor u? Blijf, hond, gij zult mij
hooren.
Wanneer de hemel nog een erger wee
In voorraad heeft, dan ik u wenschen kan,
Dan spaar’ hij ’t op, tot uwe zonden rijp zijn,
En stort’ dan al zijn grimmigheid op u,
U, vredestoorder in deze arme wereld!
Gewetensangst knaag’ als een worm uw ziel!
Verdenk uw vrienden immer van verraad,
Kies aartsverraders tot uw boezemvrienden!
Geen slaap luik’ ooit uw onheilbrengend oog,
Tenzij terwijl een mart’lend droomgezicht
U met een hel van woeste duivels pijnigt!
Behekst, wanstaltig wezen! wroetend zwijn!
Gij, van natuur in uw geboortestond
Als slaaf gebrandmerkt, als een zoon der hel!
Gij schande van uw moeders zwang’ren schoot!
Verfoeide wanvrucht van uws vaders lenden!
Gij vod in eere! diep verachte—
GLOSTER. Margaretha!
KONINGIN MARGARETHA. Richard!
GLOSTER. He!
KONINGIN MARGARETHA. Ik riep u niet.
GLOSTER. Dan vraag ik u verschooning, want ik waande,
Mij riept gij al die bitt’re namen toe.
KONINGIN MARGARETHA. Dit deed ik, maar een antwoord vroeg ik niet.
O, laat mij nu mijn vloek ten einde brengen!