STANLEY. God geve uw majesteit weer vreugd als vroeger! 19

KONINGIN ELIZABETH. Gravinne Richmond, waarde lord van Stanley,

Zegt wis geen amen op uw goeden wensch.

Doch, beste Stanley, schoon ze uw gade zij

En mij niet lijden moog’, geloof me, ik koester

Voor u geen haat om haar laatdunkendheid.

STANLEY. Ik bid u, schenk dien boozen lastertongen

Van die haar valsch betichten geen gehoor;

Of, wat men haar terecht ten laste legt,

Beschouw dit als een zwakheid, die veeleer

Uit kranke luim, dan boozen zin ontspruit.

KONINGIN ELIZABETH. Zaagt gij vandaag den koning reeds, lord Stanley?

STANLEY. Wij hebben, hertog Buckingham, en ik,

Zoo even zijne majesteit bezocht.

KONINGIN ELIZABETH. Hoe vindt gij ’t uitzicht op zijn beterschap?

BUCKINGHAM. Heb moed, vorstin; hij spreekt recht opgeruimd.

KONINGIN ELIZABETH. God sterk’ hem! Sprak hij met u over zaken?

BUCKINGHAM. O ja, vorstin; het is zijn wensch, uw broeders

Met hertog Gloster duurzaam te verzoenen,

Alsmede met den opperkamerheer;

Hij liet hen naar zijn kamer opontbieden.

KONINGIN ELIZABETH. Ware alles goed!—Doch dit zal nimmer zijn;

Ik vrees, ons heil staat op zijn middaghoogte.

(Gloster, Hastings en Dorset komen op.)

GLOSTER. Zij doen mij onrecht, en ik wil ’t niet dulden.—

Wie zijn zij, die steeds klagen bij den koning,

Dat ik, ik, wrok, voor hen recht liefd’loos ben?

Zij, bij Sint Paul, zijn voor den koning liefd’loos,

Die zoo zijn oor met twistgeruchten vullen.

Wijl ik niet vleien kan, niet mooi kan praten,

Toelachen, streelen, foppen en bedriegen,

Strijkages op zijn Fransch, recht aap’rig, maken,

Moet ik volstrekt een wrokkend vijand zijn.

Kan geen eenvoudig man meer vreedzaam leven,

Dat niet zijn eerlijk hart belasterd wordt,

Door fulpen, sluw, indringend vleigeboefte?

GREY. Tot wien in dezen kring spreekt uw genade?

GLOSTER. Tot u, die zonder deugd zijt en genade.

Spreek, wanneer krenkte ik u, of kwetste ik u?—

Of u?—Of u?—of iemand van uw bent?

Hale u de pest! De koning, onze heer,—

Wien God behoede, beter dan gij ’t wenscht!—

Heeft nauwlijks voor een ademhaling rust,

Dat gij hem niet met lage klachten kwelt. 61

KONINGIN ELIZABETH. Verkeerd neemt gij de zaak op, broeder Gloster.

De koning, door zichzelf alleen gedreven,

En niet door and’re klagers aangezet,

Maar lettend, moog’lijk, op uws boezems wrok,

Die zich uitwendig in uw doen verraadt,

Wrok tegen mij, mijn broeders en mijn kind’ren,

Deed u ontbieden, opdat hij den wortel

Van uwen haat ontdekken, rooien moog’.

GLOSTER. Ik weet niet;—al te slecht is thans de wereld:

’t Kleinjantje rooft, waar de aad’laar zich niet waagt;

Sinds elke schooier edelman hier werd,

Werd menig edelman een kale schooier.

KONINGIN ELIZABETH. O duid’lijk is uw meening, broeder Gloster;

Mijn, mijner vrienden opkomst wekt uw nijd.

God geve, dat wij nimmer u behoeven!

GLOSTER. God geeft inmiddels, dat wij u behoeven.

Mijn broeder is gekerkerd door uw toedoen,

Ikzelf in ongenade, heel onze adel

Geminacht; en de hoogste posten vallen

Met gravenkronen daag’lijks hun ten deel,

Wier rijkdom, gist’ren nog, geen zilvren kroon was.

KONINGIN ELIZABETH. Bij Hem, die uit mijn need’rig, stil geluk

Tot deze bange hoogte mij verhief,

Nooit deed ik iets om tegen hertog Clarence

Den koning op te zetten; veeleer was ik

Zijn voorspraak en volijv’rig pleitbezorger.

Mylord, gij doet mij smaadlijk onrecht aan,

Door zulk een valsche smet op mij te werpen.

GLOSTER. Gij kunt ook looch’nen, dat niet uw bedrijf

Lord Hastings in den Tower heeft gebracht.

Koning Richard de Derde · 第 10 / 82 题