Aldaar. Een kamer in het paleis.
Koningin Elizabeth, lord Rivers en lord Grey komen op.
RIVERS. Houd moed, vorstin; geen twijfel, of zijn hoogheid
Is binnen korten tijd geheel hersteld.
GREY. Zijt gij er om bedrukt, dit maakt hem erger;
Blijf dus om Gods wil immer welgemoed,
En beur hem op door luchtig, vroolijk praten.
KONINGIN ELIZABETH. Als hij eens stierf, wat leed zou dan mij treffen!
GREY. ’t Verlies van zulk een gâ, geen verder leed.
KONINGIN ELIZABETH. Zulk een verlies sluit al wat leed is in.
GREY. God heeft u met een wakk’ren zoon gezegend,
Die u na zijnen dood tot troost zal zijn.
KONINGIN ELIZABETH. Ach, hij is jong; en zijne jeugd wordt dan
Aan Richard Gloster’s hoede toevertrouwd,
Een man, die mij, noch een van u, mag lijden.
RIVERS. Is dit bepaald, moet hij protector worden?
KONINGIN ELIZABETH. Besloten is ’t, ofschoon nog niet bepaald;
Maar ’t moet, indien de koning komt te vallen.
(Buckingham en Stanley treden op.)
GREY. Daar zijn de lords van Buckingham en Stanley.
BUCKINGHAM. Uw koninklijke hoogheid alle heil!