ANNA. Wellicht zijn beide valsch. 195

GLOSTER. Nooit sprak dan iemand waar.

ANNA. Nu dan, steek op uw zwaard.

GLOSTER. Zeg dan: wij zijn verzoend.

ANNA. Dit blijke u door ’t vervolg.

GLOSTER. Dus, leef ik nog in hoop?

ANNA. Dit, hoop ik, doet een elk.

GLOSTER. Draag dezen ring van mij.

ANNA. Die aanneemt, geeft nog niet.

(Zij laat zich den ring aan den vinger steken.)

GLOSTER. Zie, hoe mijn ring om uwen vinger sluit;

Zoo houdt uw borst mij ’t arme hart omsloten,

Draag gij die beide, beide zijn zij u.

En als uw arme, trouw verknochte dienaar

Nog ééne gunst van uw genâ mag smeeken.

Dan grondt gij hem voor eeuwig zijn geluk.

ANNA. Wat is het?

GLOSTER. Dat gij den rouwdienst hem wilt overlaten,

Die meerder oorzaak heeft om rouw te dragen,

En u van hier naar Crosbyhof begeeft.

Daar kom ik, nadat ik deze’ eed’len koning

In ’t klooster Chertsey plechtig heb begraven,

En tranen vol berouw op ’t graf geplengd,

Met allen spoed eerbiedig u bezoeken;

Om veel geheime reed’nen smeek ik u:

Sta deze gunst mij toe.

ANNA. Van ganscher harte; zeer verheugt het mij,

Te zien, dat gij boetvaardig zijt geworden.—

Komt, Berkeley en Tressel, begeleidt mij.

GLOSTER. Zeg mij vaarwel.

ANNA. ’t Is meer dan gij verdient;

Doch daar gij mij geleerd hebt, u te vleien,

Zoo denk, dat ik u reeds vaarwelgezegd heb.

(Lady Anna met twee Edellieden af.)

GLOSTER. Gij, neemt het lijk weer op.

EEN EDELMAN. Naar Chertsey, uwe hoogheid?

GLOSTER. Neen, naar de Karmelieten; wacht mij daar.

(Al de overigen met het lijk af.)

Werd ooit in zulk een luim een vrouw gevrijd?

Werd ooit in zulk een luim een vrouw gewonnen?

Ik wil haar hebben, niet haar lang behouden.

Wat! ik, de moord’naar van haar man en vader,

Ik vang haar in haars harten diepsten haat,

Met vloeken op haar tong, het oog vol tranen,

Bij ’t bloedend lijk, getuige van haar haat;

God, haar geweten, alles tegen mij;

Ik, zonder vrienden, die mijn aanzoek steunen,

Dan huich’laarsblikken, en den baren duivel;

En toch zij mijn!—de wereld tegen niets!

Ha! Heeft zij dien wakk’ren prins alreeds vergeten,

Edward, haar gade, dien ik voor drie maanden

Te Tewksbury doorstak in arren moede? 242

Een edelman, zoo goed en minnenswaard,—

Zoo kwistig door natuur bedeeld met gaven,

Jong, dapper, wijs, echt koninklijk voorwaar,—

Is in de wijde wereld niet te vinden;

En toch vernedert zij haar blik tot mij,

Die ’t gouden bloeisel afsneed van dien prins

En haar tot weduw maakte op bange sponde!

Mij, wiens geheel geen halven Edward opweegt!

Tot mij, die hink en zoo wanstaltig ben!

Mijn hertogdom, ja, tegen éénen duit,

Dat ik aldoor mijzelven heb miskend;

Mijn kop af, dat zij mij, wat ìk niet vind,

Voor een verbazend knappen jonkman houdt.

Ik moet mij, wat het koste, een spiegel koopen,

En schaf een paar dozijnen snijders aan,

Om drachten uit te denken, die mij goed staan.

Nu ’k bij mijzelf in gunst gekomen ben,

Leg ik er ook een weinig aan te kost.

Doch eerst help ik dien kerel in zijn graf,

En kom dan jamm’rend bij mijn liefste weer.—

Schijn helder, zon, tot ik een spiegel heb,

Opdat ik in mijn schaduw vreugde schepp’!

(Gloster af.)

Koning Richard de Derde · 第 8 / 82 题