GLOSTER. Nooit kwam vergif van zulk een zoete plaats.
ANNA. En nooit kleefde er vergif aan snooder pad.
Uit mijn gezicht! want gij verzengt mijn oogen.
GLOSTER. Uw oogen hebben mij in vlam gezet.
ANNA. O, waren ’t basilisken, bliksems schietend!
GLOSTER. Ik wenschte ’t ook, dan ware ik dood op eens;
Thans geven zij me een dood, die ’t leven laat.
Uw oog heeft zilte tranen mij ontperst,
Mijn oogen smaad gebracht door kindsche droppen,
Dien oogen, die nooit rouwetranen kenden,
Noch toen mijn vader York en Edward weenden
Om Rutland’s jammerkreet, toen over hem
Clifford met donk’ren blik het zwaard verhief,
Noch toen uw dapp’re vader, als een kind,
Het droef verhaal deed van mijns vaders dood,
En tienmaal op moest houden, snikte en weende,
Dat elk, die ’t hoorde, vochte wangen had,
Als boomen in den regen; in dien rouwtijd
Weerhield mijn mann’lijk oog een laffen traan;
En wat die smart het nooit heeft afgeperst,
Deed uwe schoonheid, maakte ’t blind van weenen.
Nooit smeekte ik iets aan vriend of vijand af;
Nooit leerde mijne tong een vleiend woord;
Doch nu mij uwe schoonheid wenkt als loon,
Smeekt mijn trotsch hart en leert mijn tong te spreken.
(Zij ziet hem met een hoonenden blik aan.)
Leer uwen lippen zulk een hoon niet, lady,
Zij zijn ten kus geschapen, niet tot hoon.
Als uw wraakgierig hart niet kan vergeven,
Zie, ’k leen u hier dit scherpgepunte zwaard;
Gij, berg het vrij in deze trouwe borst,
En drijf de ziel er uit, die u vergoodt.
Zie, ik ontbloot haar, dat gij dood’lijk toestoot,
En bid, deemoedig knielend, om mijn dood.
(Hij ontbloot de borst; zij richt er het zwaard op.)
Neen, weifel niet: ik doodde koning Hendrik;
Maar ’t was uw schoonheid, die er mij toe drong.
Stoot toe; ja, ik doorstak den jongen Edward;—
Maar ’t was uw hemelsch aanschijn, dat mij dreef.
(Zij laat het zwaard vallen.)
Neem op het zwaard, of mij in uwe gunst.
ANNA. Rijs, huich’laar op, hoezeer uw dood mijn wensch zij,
Ik wil ’t niet zijn, die met den zwaarde u recht.
GLOSTER. Zeg mij dan mij te dooden, en ik doe het.
ANNA. Dit deed ik reeds.
GLOSTER. Gij deedt het in uw toorn;
Zeg ’t nu nog eens; terstond zal deze hand,
Die, om uw liefde, uw liefde heeft gedood,
Veel trouwer liefde om uwe liefde dooden;
Aan beider dood zult gij meeplichtig zijn.
ANNA. O, kende ik slechts uw hart!
GLOSTER. Ik draag het op de tong.