TWEEDE TOONEEL.

Een andere straat in Londen.

Het lijk van Koning Hendrik den Zesden wordt in een open kist ten

tooneele gedragen, begeleid door Edellieden met hellebaarden, gevolgd

door Lady Anna als rouwdraagster.

ANNA. Zet neer, zet neer uw eerbiedwaarden last,—

Zoo eere door een lijkwâ kan omhuld zijn,—

Opdat mijn rouwbeklag een wijl betreure

Des eed’len Lancaster’s ontijdig eind.—

Ach, ijskoud wezen van een heil’gen koning!

Des vorstenhuizes Lancaster bleek stof!

Gij, bloedloos overschot van koningsbloed!

Vergun mij, uwen geest hier op te roepen,

Dat die de weeklacht hoor’ van Anna, de arme,

De vrouw van Edward, uw vermoorden zoon,

Dien hìj doorstak, wiens hand u wonden sloeg!

Zie, in de poorten, waar u ’t leven uitvloot,

Vloeit, ach vergeefs! de balsem mijner oogen!

Vervloekt de hand, die zulke scheuren reet!

Vervloekt het hart, dat tot dit doen het hart had!

Vervloekt het bloed, dat dit bloed stroomen deed!

Meer gruwb’re ellende treff’ dien onverlaat,

Die ons verlaten maakte door uw dood,

Dan ik aan adders, spinnen, padden wensch,

Of eenig kruipend, giftig tuig, dat leeft! 20

Heeft hij een kind ooit, ’t zij een misgeboorte,

Een monster, vóór zijn tijd aan ’t licht gebracht,

Dat door zijn leelijk en gedrocht’lijk wezen

Der moeder hoopvol oog verstijv’ van schrik;

En dit zij zijner boosheid erfgenaam!

En heeft hij ooit een vrouw, dan worde zij

Onzaal’ger nog door zijnen dood, dan ik

Het door mijn jonge gade werd en u!—

Komt, thans naar Chertsey met uw heil’gen last,

Dien we uit Sint Paul ter plechtige uitvaart haalden;

Rust vrij, als gij vermoeid zijt, telkens uit;

Ik weeklaag dan bij koning Hendriks lijk.

(De Dragers nemen het lijk op en gaan voort.)

(Gloster treedt op.)

GLOSTER. Niet verder, gij, die ’t lijk draagt, zet het neder!

ANNA. Wat zwarte toov’naar roept dien duivel op,

Tot storing van een vroom en christ’lijk werk?

GLOSTER. Zet neêr het lijk, gij schurken! Bij Sint Paul,

Ik maak tot lijk een elk, die zich verzet!

EERSTE EDELMAN. Terug, mylord, en laat de baar voorbij.

GLOSTER. Schaamt’looze hond, blijf staan, als ik ’t beveel;

Uw hellebaard omhoog, niet voor mijn borst,

Of, bij Sint Paul, ik sla u voor den grond,

En ik vertreed u, beedlaar, om uw stoutheid.

(De Dragers zetten de baar neder.)

ANNA. Hoe! Siddert gij? gij allen zijt bevreesd?

Helaas, ik wraak u niet, want gij zijt sterflijk,

En ’t sterflijk oog verdraagt den duivel niet.—

Verdwijn, gij gruwzame afgezant der hel!

Gij hadt slechts op zijn sterflijk lichaam macht;

Zijn ziel erlangt gij niet; daarom van hier!

GLOSTER. Wees christ’lijk, lieve heil’ge; vloek niet zoo.

ANNA. Bij God, weg, booze duivel! stoor ons niet;

Gij, die de schoone wereld tot uw hel,

Vol vloekgehuil en jammer hebt gemaakt!

Als de aanblik uwer gruw’len u vermaakt,

Zie dan dit staaltje van uw slachtersdaden.—

Ziet, mannen, ziet, des dooden Hendriks wonden

Ontsluiten haar verstijfden mond; zij bloeden!—

Bloos, bloos, gij klomp van snoode afzicht’lijkheid!

Want uw nabijheid dringt dit koude bloed

Uit ledige aad’ren, waar geen bloed meer woont;

Uw ondaad, ja, onmenschlijk, onnatuurlijk,

Verwekt dien stortvloed, even onnatuurlijk.

O God, gij schiept dit bloed, o wreek zijn dood!

Gij aard, gij drinkt dit bloed, o wreek zijn dood!

Gij hemel, dood den moord’naar met uw bliksem,

Of gaap, gij aarde, wijd, verslind hem levend,

Zooals gij ’t bloed verzwelgt diens goeden konings,

Door de’ arm van dezen helleknecht geslacht!

GLOSTER. Prinses, gij kent de leer der liefde niet,

Die kwaad met goed vergeldt en vloek met zegen.

ANNA. Gij schurk, gij kent geen wet, van God noch mensch;

Het wildste beest kent eenig medelijden. 71

GLOSTER. Dit ken ik niet en ben alzoo geen beest.

ANNA. O wondervreemd, ook duivels spreken waar!

GLOSTER. Nog vreemder, zulk een gramschap bij een engel!

Sta toe, o godd’lijk toonbeeld eener vrouw,

Dat ik van die vermeende booze dingen

Uitvoerig uwe vrijspraak mij verwerv’.

ANNA. Sta toe, gij helsch gedrocht’lijk beeld eens mans,

Dat ik voor die bewezen booze dingen

Uitvoerig u, vervloekte, nogmaals vloek.

GLOSTER. Gij, schooner dan ooit tong het uit kan drukken,

Geef mij geduldig tijd, dat ik me ontschuldig.

ANNA. Gij, snooder dan ooit hart vermoeden kan,

Ontschuldigd zult gij zijn, als ge u verhangt.

GLOSTER. Door die vertwijfling zou ik schuld erkennen.

ANNA. Door die vertwijfling delgt gijzelf uw schuld,

Daar gij verdiende wraak neemt op uzelf,

Die onverdienden moord op and’ren pleegdet.

GLOSTER. Doch zoo ’k hen niet versloeg?

ANNA. Dan waren zij niet dood;

Doch dood, zij zijn ’t, en, helleslaaf, door u.

GLOSTER. Ik doodde uw gade niet.

ANNA. Dan leeft hij nog.

GLOSTER. Neen, hij is dood, doch viel door Edwards hand.

ANNA. Boos liegt uw tong, want koningin Marg’retha

Zag zelf uw moordstaal rooken van zijn bloed;

Gij hebt het ook op hare borst gericht,

Doch uwe broeders sloegen ’t ras ter zijde.

GLOSTER. Ik werd geprikkeld door haar lastertong,

Die hun schuld valsch op mijne schoud’ren laadde.

ANNA. Gij werdt geprikkeld door uw moord’naarsziel,

Die nooit van iets dan bloedvergieten droomt.

Hebt gij deez’ koning niet gedood?

GLOSTER. ’k Stem toe.

ANNA. Toe stemt gij ’t, egel? Dan stemm’ God mij toe,

Dat gij vervloekt zijt om die booze daad!

O, hij was deugdzaam, zacht en liefderijk.

GLOSTER. Te beter voor den hemel, die hem heeft.

ANNA. Daar is hij, ja; gìj zult er nimmer komen.

GLOSTER. Dan dank’ hij mij, die hem er henen zond;

Hij zal er beter thuis zijn dan op aarde. 108

ANNA. En gij kunt enkel thuis zijn in de hel.

GLOSTER. O, nog op ééne plaats; mag ik die noemen?

ANNA. Een kerkerkrocht.

GLOSTER. Uw slaapvertrek.

ANNA. De rust ontvliê de kamer, waar gij ligt!

GLOSTER. Zoo is ’t, tot ik bij ù lig, eed’le vrouw.

ANNA. Ik hoop het.

GLOSTER. Ik weet het.—Maar, lieve lady Anna,—

Om uit dit scherp, spitsvondig woordschermuts’len

Te komen tot bedaarder onderhoud,—

Spreek, is, die de oorzaak was des vroegen doods

Der twee Plantagenets, Hendrik en Edward,

Niet even laakbaar, als die ’t feit volbracht?

ANNA. Gijzelf waart de oorzaak en gevloekte werking.

GLOSTER. En uwe schoonheid de oorzaak dezer werking,

Uw schoonheid, die mij in den slaap bezocht,

Om der geheele wereld dood te wagen

Voor één uur levens aan uw zoete borst.

ANNA. Als ik dit dacht, ik zeg u, menschenmoorder,

Mijn nagels reten uit mijn wang dat schoon.

GLOSTER. Mijn oog verdroeg ’t vergaan dier schoonheid niet;

Stond ik er bij, gij zoudt haar nimmer deren;

Gelijk heel de aard zich aan de zon verkwikt,

Zoo ik aan haar; zij is mijn dag, mijn leven!

ANNA. Nacht overhuive uw dag, en dood uw leven!

GLOSTER. Schoone engel, vloek uzelf niet; gij zijt beide.

ANNA. Ja, ware ik dit, om mij op u te wreken!

GLOSTER. O, zulk een vijandschap is onnatuurlijk,

U wreken op den man, die u bemint!

ANNA. Die vijandschap is goed, naar recht en rede;

Mij wreken op den moord’naar mijns gemaals!

GLOSTER. Die u van uw gemaal beroofde, deed het,

Om, lady, u een beet’ren te verschaffen.

ANNA. Een betere ademt er op aarde niet.

GLOSTER. Eén wijdt u beet’re liefde nog dan hij.

ANNA. Wie is ’t?

GLOSTER. Plantagenet.

ANNA. Dat was hijzelf.

GLOSTER. Dezelfde naam, ja, doch een beter man.

ANNA. Waar is hij?

GLOSTER. Hier.

(Zij spuwt naar hem.)

Wat spuwt gij zoo naar mij?

Koning Richard de Derde · 第 6 / 82 题