BRAKENBURY. ’k Heb met dit alles niets te doen, mylord. 97

GLOSTER. Met juffer Shore niets te doen? Wel, man,

Wie iets met haar wil doen, één uitgezonderd,

Die doe het liefst in diep geheim, alleen.

BRAKENBURY. Wie is die een, mylord?

GLOSTER. Haar man, gij schelm; zoudt gij mij willen vangen?

BRAKENBURY. Vergeef mij, uw genade, maar ik bid u,

Niet meer te spreken met den eed’len hertog.

CLARENCE. Wij kennen uwen last en willen volgen.

GLOSTER. Wij, koninginneslaven, moeten volgen.

Vaar, broeder, wel; ik spoed mij tot den koning

En wat gij mij gelast voor u te doen,

Zelfs koning Edwards weeuw als zuster groeten,

Ik zal het doen, zoo ’t u bevrijden kan.

Want inderdaad, die diepe smaad eens broeders

Treft mij veel dieper dan gij denken kunt.

CLARENCE. Ik weet, die smaad behaagt nòch u nòch mij.

GLOSTER. Kom, lang zal uw gevangenschap niet duren;

Ik maak u vrij, of raak voor u in hecht’nis;

Heb midd’lerwijl geduld.

CLARENCE. Dit moet; vaarwel!

(Clarence, Brakenbury en de Wacht af.)

GLOSTER. Ga vrij dien weg, waarlangs gij nimmer keert,

Onnooz’le Clarence! Zoo bemin ik u,

Dat ik welras uw ziel ten hemel zend,

Zoo die uit onze hand de gift aanvaardt.

Doch wie komt daar? de pas bevrijde Hastings?

(Hastings komt op.)

HASTINGS. ’k Wensch mijn doorluchten heer een blijden morgen.

GLOSTER. Ik insgelijks mijn waarden kamerheer;

Gij zijt recht welkom in de vrije lucht.

Hoe hebt gij uw gevangenschap gedragen?

HASTINGS. Geduldig, heer, zooals gevang’nen ’t moeten.

Maar toch, ik hoop eens hun mijn dank te brengen,

Die de oorzaak waren der gevangenschap.

GLOSTER. Vertrouw dit, ja, en dit zal Clarence ook;

Die u vijandig waren, zijn het hem,

En zijn nu hem, als vroeger u, te sterk.

HASTINGS. Een jammertijd, die de’ aadlaar op doet sluiten,

En gier en havik rooven laat naar lust!

GLOSTER. Wat is er in de wereld wel voor nieuws?

HASTINGS. Geen nieuws zoo slecht van buiten, als te huis:—

De koning voelt zich krank, is zwak, zwaarmoedig;

Zijn artsen zijn om hem in groote zorg 137

GLOSTER. Nu, bij Sint Paul, dit nieuws is waarlijk slecht.

O, maar zijn leefwijs was sinds lang verkeerd;

De koning heeft zijn krachten uitgeput;

’t Is zeer bedroevend, als men hieraan denkt.

Spreek, houdt hij ’t bed?

HASTINGS. Ja zeker.

GLOSTER. Ga, bid ik, voor; ik zal u daad’lijk volgen.

(Hastings af.)

’t Loopt, hoop ik, af; maar sterven mag hij niet,

Eer George in postgalop ten hemel voer.

’k Ga tot hem; ’k wil zijn haat op Clarence hitsen,

Door leugens, wel gestaald met zware reed’nen;

En zoo mijn diepe toeleg niet mislukt,

Heeft Clarence nu geen tweeden dag te leven;

Dan haal’ God koning Edward in zijn hemel,

En late de aard aan mij om daar te woelen.

Dan zal ik Warwick’s jongste dochter huwen;

Maar hoe! ik doodde haar gemaal, haar vader!

De beste schaad’loosstelling voor de deerne,

Zoo ìk nu haar gemaal en vader word;

Dit wil ik doen, niet juist zoozeer uit liefde,

Als om een ander diep verholen doel,

Dat ik door haar te huwen moet bereiken.

Doch ik wil koopen, vóór er iets te koop is;

Nog ademt Clarence; koning Edward leeft;

Zijn zìj weg, dan bereek’nen, wat het geeft!

(Gloster af.)

Koning Richard de Derde · 第 5 / 82 题