EERSTE TOONEEL.

Londen. Een straat.

Gloster komt op.

GLOSTER. Nu werd de winter onzer wreev’le stemming

Tot blijden zomer door de zon van York;

De zware wolken, die ons huis bedreigden,

Verzwolg de diepe schoot des oceaans.

Nu drukken zegekransen ons de slapen;

Ons butsig wapentuig siert thans den wand;

Het slaggedruisch vervangen vreugdegalmen,

De felle marschen zoete dansmuziek;

De krijg ontfronste ’t norsch gerimpeld voorhoofd,

Bestijgt niet meer ’t geharnast ros, en wekt

Geen angst in ’t hart van schrikb’re tegenstanders,

Maar huppelt, bij een eed’le gastvrouw, luchtig

Naar ’t wulpsche welgevallen van een luit.

Doch ik, geenszins gevormd voor snaaksche grappen,

Of om verliefden spiegels ’t hof te maken, 15

Die, ruw gestempeld, de’ adel mis van gang,

Die ’t oog bekoort van dart’le, luchte nimfen,

Ik, in dien juisten bouw te kort gedaan,

Valsch door Natuur van evenmaat verstoken,

Verknoeid, onafgewerkt, te vroeg de wereld,

Die ademt, ingezonden, nauwelijks half

Voltooid en wel zoo lam, zoo vreemd van vorm,

Dat honden bassen, als ik langs hen hink,—

Ik ken, in dezen tijd van vreêschalmeien,

Voor mij geen enkel lustig tijdverdrijf,

Dan ’t staren op mijn schaduw in de zon

En ’t heeklen van mijn eigen wangestalte;

En daarom—wijl ik niet voor minnaar deug

Om dezen welbespraakten tijd te korten—

Is mijn besluit genomen: ’k word een booswicht

En zweer des tijds nietswaardig beuz’len haat.

Aanslagen smeedde ik, heb ze voorbereid

Door dronken profetieën, briefjes, droomen,

Om bij mijn broeder Clarence en den koning

Weêrzijdschen haat, ten doode toe, te wekken;

En is de koning even waar en trouw,

Als ik geslepen, valsch en onbetrouwbaar,

Dan wordt nog heden Clarence ingerekend,

Ter wille van een profetie,—dat G

Aan Edwards erven dood bereidt en wee.—

Duikt in mijn ziel, gedachten; Clarence komt.

(Clarence komt op, vergezeld van Bewakers, alsmede van Brakenbury.)

Mijn broeder, goeden dag! Waartoe die wacht

Bij uw genade?

CLARENCE. Zijne majesteit

Heeft, voor mijn veiligheid bezorgd, bevolen,

Dat ik aldus ten Tower wierd geleid.

GLOSTER. En dat waarom?

CLARENCE. Omdat ik George heet.

GLOSTER. Ach, dit mylord, is uwe schuld toch niet;

Daarvoor moest hij uw peten laten boeten.

O, moog’lijk is zijn majesteit van plan,

U in den Tow’r opnieuw te laten doopen.

Maar Clarence, wat is de oorzaak? mag ik ’t weten?

CLARENCE. Ja, Richard, als ìk ’t weet; doch ik verklaar,

Tot nog toe weet ik ’t niet. Maar, zoo ik hoor,

Hecht hij aan profetieën en aan droomen,

En schrapt de letter G van ’t ABC;

Hem spelde een wich’laar, zegt hij, dat een G

Zijn kroost onterving brengen zou en wee;

Nu, mijn naam, George, o ramp! begint met G,

Dus, ìk bedreig zijn kroost en stoor zijn vreê.

Dit, zoo ik hoor, en zulke grillen meer

Zijn oorzaak, dat zijn hoogheid mij deed vatten.

GLOSTER. Zoo gaat het, doet een man, wat vrouwen willen!

U zendt de koning, neen, niet naar den Tower;

Mylady Grey, zijn vrouw, die is het, Clarence,

Die hem tot zulk een uiterste verleidt.

Was ’t niet door haar en dien hoogeed’len vriend,

Antonius Woodville, Rivers thans, haar broeder,

Dat hij lord Hastings naar den Tower zond,

Waar hij eerst heden uit ontslagen werd?

Wij zijn niet veilig, Clarence, zijn niet veilig.

CLARENCE. Bij God! geen mensch is veilig, dan verwanten

Der koningin, en ook die nachtherauten,

Des konings en mejuffer Shore’s loopers.

Hebt gij vernomen, hoe als need’rig smeek’ling

Lord Hastings haar om zijn bevrijding bad?

GLOSTER. Deemoedig jamm’rend bij haar godd’lijkheid,

Erlangde de eed’le kamerheer zijn vrijheid.

Ik zeg: naar ìk denk, is het voor ons zaak,—

Zoo wij des konings gunst behouden willen,—

Als hare dienaars haar livrei te dragen.

Sinds onze broeder haar, en die jaloersche,

Versleten weeuw tot edelvrouwen sloeg,

Stelt haar gesnap in ’t koninkrijk de wet.

BRAKENBURY. ’k Bid uw’ genaden beiden om vergiff’nis,

Doch zijne majesteit beval mij streng,

Dat niemand, van wat stand hij ook mocht zijn,

Vertrouw’lijk met zijn broeder spreken zou.

GLOSTER. Zeer wel; en als ’t uw edelheid behaagt,

Vrij moogt gij alles hooren, wat wij zeggen.

’t Is, man, geen hoogverraad; ’t is, dat de koning

Vroed is en vroom, zijn eed’le koningin

Van rijpen leeftijd, schoon en niet jaloersch;—

Alsook, dat Shore’s vrouw een mooien voet heeft,

Een kersenmond, schoone oogen, zoete tong;

En dat der koningin geslacht voornaam werd.

Wat zegt gij, heer, kunt gij dit alles looch’nen?

Koning Richard de Derde · 第 4 / 82 题