FRIESLAND.

Opmerkelijk is het, dat in Friesland, dat toch met de provinciën

Holland, Zeeland, Utrecht en Gelderland de oude kern van het eigenlijk

Holland uitmaakte, en welks volksstam van zoo overwegenden invloed

op de overige bevolking van ons land was, géén of zeer weinig sporen

van een eigen nationale kleedij gevonden worden, terwijl juist in de

andere deelen van Nederland, de afstammelingen van diezelfde Friezen,

de nationale dracht getrouw bleven. Wat hiervan de oorzaak zij,

dient hier niet te worden onderzocht, slechts als een bijzonderheid

te worden aangewezen. Het zij genoeg te vermelden dat juist dit

volk, dat zich als geen deel van het Nederlandsche volk, zoozeer

een eigen volksstam gevoeld, haar eigen kleedij in de praktijk van

het hedendaagsche leven verloor, maar er tegelijk bijzonder trots op

blijft zich in die kleedij te steken, zoodra zij zich als Friezen in

het openbaar leven wil vertoonen.

Het eigenaardige verschijnsel doet zich hier dus voor dat de oude

dracht, die wel is waar door alle standen, in hooge eere gehouden

wordt..... maar in hun kasten en doozen goed wordt opgeborgen..... maar

zelden wordt gedragen. In de andere provinciën bleef men het oude

costume getrouw..... of ze verdween in haar geheel, zoowel uit het

werkelijke leven als uit de "rommelkamers" en oude koffers. Het

"moderne geslacht" hecht niet meer aan "familie-stukken."

Hoe eigenaardig deze toestand ook is, men vindt ze ook eenigszins

terug in de Zaanstreek.

Maar wat er van de friesche dracht in het werkelijke leven bleef,

was _niets_ dan het beroemde _oorijzer_, waarin echter, in den vorm

waarin het tegenwoordig nog gedragen wordt, moeilijk het oer-type van

de hoofd-versiering te erkennen is, waartoe alle oorijzer-vormen, die

in dezen tijd nog in de verschillende streken van Nederland gedragen

worden, waarschijnlijk terug te brengen zijn.

In het Friesch-museum te Leeuwarden zijn de verschillende

verwordings-vormen van het friesche oorijzer bijeengebracht en in de

catalogus, door den conservator Mr. P. C. J. A. Boeles, (uitgave Meijer

en Schaafsma, Leeuwarden 1909) uitvoerig afgebeeld en omschreven.

Uit deze serie blijkt in ieder geval--om hier zoo min mogelijk op

historisch terrein te komen, dat het friesche oorijzer thans belangrijk

breeder is dan het vroeger was, dan een van de andere oorijzers die

in Nederland ooit geweest zijn. Bovendien is het friesche van goud,

terwijl de (zooveel kleinere) oorijzers in de andere deelen van ons

land (Scheveningen, Staphorst, Zeeland enz.) meestal van zilver

zijn. Dit wijst op grooter rijkdom bij de Friezen, wat eveneens

blijkt uit het nationale costume dat bij het oorijzer hoort, althans,

wat er thans bijgedragen wordt door dames die zich in nationale

kleedij wenschen te steken. Die costumes bestaan in hoofdzaak uit

nogal wijde _jakken_ (tot de knie) en rokken, meestal in zijde van

allerlei kleuren, waarover de doek (op de borst gekruist) en het

schort gedragen worden. (Zie bl. 57, 58, 59.)

Deze doek en schort, zijn evenals de witte _flodder-muts_ van dikwijls

zeer kostbare, sierlijke en fijne kant. (Zie bl. 59.)

De hoofd-tooi, waaruit thans echter het heele friesche nationale

costume bestaat, en die nog in een groot deel van deze provincie

gedragen wordt, (ofschoon steeds minderend), bestaat uit de witte

tip-muts over het haar. Daarover de zwarte muts. Daarover het oorijzer

en daarover de _flodder-muts_, met de twee gouden "_knoppen_"

aan weerszijden van de slapen, boven het kant van de flodder-muts

uitkomend.

Dat, wat men echter thans, bij gelegenheden, als het origineele

friesche nationale costume wil zien aangemerkt, heeft echter

veel overeenkomst met de mode-kleedij van de periode 1830-60,

vermengd met achtiend' eeuwsche herinneringen. De mannen-drachten

die men daarbij rekent, hebben met hun driekante steken en korte

kuitbroekjes te zeer een ietwat achttiend'eeuwsch cachet. Dat neemt

niet weg dat het geheel van dit niet zoo zuiver historische costume,

een bijzonder aesthetischen indruk maakt. Vooral de hoofdversiering is

zeer "charmant" door het bijzondere dat de vrouwen van het friesche

ras eigen is, zoodat het geheel alleszins aan den eisch voldoet die

een werkelijke nationale kleeding gesteld mag worden, en dat is:

dat ze kenmerkend, onderscheidend, voor dàt ras en dat land zij.

De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten · 第 32 / 50 题