HINDELOOPEN.

Een zeer bijzondere groep vormen de Hindeloopen-drachten. (Zie bl. 61,

62, 63.)

Ook deze worden thans niet meer in het werkelijke leven gedragen,

ofschoon eenige personen in die dracht, in de eenige straat van

het oude Hindeloopen gezien, zeer zeker geen oneigenlijke indruk

maken. Alles in dat oude stille plaatsje is nog juist zoo gebleven

als het in de tijden was toen die Hindelooper-dracht nog algemeen

werd gedragen. Dat moet op zijn laatst, ongeveer in het begin van

de negentiende eeuw, geweest zijn. Thans leven er nog ouderen van

dagen, die zich herinneren hoe in hun jeugd enkele personen, uit

gehechtheid aan het oude, die bijzonder schilderachtige kleedij nog

dagelijks droegen. Maar 't waren toen ook reeds zeer weinigen. Thans

ziet men ze in de zoovele Hindelooper binnenkamers die in het midden

van de negentiende eeuw, in de Romantische periode, als "levende

schilderijtjes" in elkaar zijn gezet.

Het Hindelooper costume bestaat, voor zoover de mannen betreft,

uit een zeer sterk achttiend'eeuwsche lange jas met vele knoopen,

korte kuitbroek, lage schoenen en op het hoofd een driesteek. (Zie

bl. 62, 63.)

Belangrijker echter is de kleedij van de vrouwen en van de kinderen,

vooral omdat de constructie van deze dracht, in de verschillende

over elkaar gedragen lagen, en den vorm van de onderdeelen, alsook

hun oud-friesche benamingen een werkelijk volledige nationale en van

oudsher overgeleverde kleedings-wijze zijn.

De Hindelooper-dracht (der vrouwen) bestaat uit een wit linnen hemd

(geen onderbroek) en drie onderrokken. De bovenste rok is zwart en

heet "_de skoote_" en is van harde wollen stof. Over het hemd komt

eerst een keurs-lijf van laken, met schouderbanden.

Over dit keurs-lijf komen twee "_oelofs_" (= over-lijf). Het onderste

van gekleurd laken met mouwen van gebloemde zijde, het bovenste van

zwarte stof. Te zamen heeten deze twee over-lijven "_het geweid_"

(het gewaad).

Dit bovenste oelof (overlijf) wordt van voren met een _veter_, in

de rouw groen of zwart, anders rood, rose of vleeschkleur bijeen

geregen. Die veter is 8 à 10 el lang, de rygpen hangt bij getrouwden

_rechts_, bij ongetrouwden _links_.

De borst wordt bedekt met een vierkant doekje, genaamd

"_voorspeld-doek_", dat onder het oelof wordt gestoken.

Daaroverheen wordt het meest bijzondere Hindelooper kleedingstuk

gedragen "de _wentke_", de lange getailleerde mantel of jak, met

lange mouwen, van gekleurde sits, en welk kleedingstuk de eigenlijke

overkleeding vormt. (Zie bl. 61, 62, 64.)

Is het wat korter van maaksel (tot aan de knieën zooals een jak)

dan heet het "_kassakijntje_".

De kleur van deze wentke is zeer verschillend, men gebruikte

er allerlei soort sits voor, de bekende uit Voor-Indië en Perzië

aangevoerde bedrukte katoen in dikwijls zeer fantastische maar meestal

zeer mooie, kleurige en rijke patronen.

Deze wentke staat van voren open als een jas, zoodat ze de met den

veter dichtgeregen oelof zien laat, en ook het _schort_, dat van

_Oost-Indisch bont_ weefsel is (in vierkante weefpatronen) en meestal

rood is in alle nuances (in den rouw is het soms blauw).

Om den hals komt de zijden doek, ook uit geruit bont weefsel, bij

elkaar gehouden door den _strijker_, een ring of speld van goud.

Deze das wordt door de getrouwde vrouwen _links_ tusschen de oelof

gestoken, door de ongehuwde meisjes _rechts_ (ten teeken dat haar hart

(links) nog vrij is).

Dan siert zich de Hindelooper vrouw, aan haar gordel, links met _de

prak_, bestaande uit naaldenkoker, speldenkussen, schaar en haakpen

(van zilver). Rechts draagt zij de kleurige koralen _beugeltasch_

met slot.

De hoofd-tooi is niet minder ingewikkeld en kleurig.

Eerst wordt het haar bijeengebonden, daarover verschillende ondermutsen

gedaan met een stuk gouddraad-lint over de kruin, welk lint men de

"_de blinker_" noemt.

Daarover komt het eigenaardige, kapvormige, cilindrische hoedje (als

men 't zoo noemen mag) van stijf linnen, overtrokken met andere stof,

gevoerd met rood baai, welk hoogst eigenaardig kleedingstuk de _foar

flechter_ heet (of: _huidje_ = hoedje). Daarover komt "_de flip_" en

de "_zondook_", de eigenlijke groote, vierkante, maar in bijzondere

vorm geplooide en gestreken, doch van (meestal) roode bonte stof,

die van voren tegen de "foar flechter" met een speld bevestigd wordt,

zoodat de vleugels naar achter afhangen en den curieusen vorm aan

den heelen hoofdtooi geven die eenig is onder alle nationale drachten

in Nederland.

Deze "_zondook_" is bij de jongere meisjes anders van vorm dan bij

de vrouwen, te meer omdat deze eersten geen "foar flechter" dragen.

Ook de wentke krijgen de meisjes eerst op hun twintigste jaar.

De bruiden (zie bl. 63) dragen bovendien over dezen reeds zoo

ingewikkelden hoofdtooi--die hier slechts zeer in 't kort is

beschreven--een witten sluier, het "_witmoer_" geheeten, welke

van dunne tulle is en tot aan de taille van achter en aan de zijden

afhangt. Bovendien komt om de foar flechter een _bruids-fristel_, een

van geel, zwart en wit gevlochten wrong van ongeveer een vinger dikte.

Deze buitengewoon sierlijke en rijke dracht heeft, naar men wil,

vooral ook zijn oorzaak gehad in de eenzame ligging van het oude

stadje Hindeloopen. De mannen waren meestentijds op hun reizen,

de vrouwen bleven alleen thuis, werden eenzelvig en zochten hun

afleiding en vermaak in het zoo rijk en bont mogelijk opsieren van

eigen huis en kleedij.

Hoe dit zij, zij verkregen een geheel dat eenig is in zijn soort,

vooral ook omdat men de waarde en de beteekenis van deze zonderlinge

kleederdracht niet overzien kan zonder ze in haar eigen milieu,

het kleurige Hindelooper binnenhuis, te hebben bewonderd.

Verder dient nog de aandacht gevraagd voor de bijzondere dracht van

twee Leeuwarder weeshuizen, welke drachten thans ook reeds--jammer

genoeg--zijn afgeschaft. (Zie bl. 64.)

De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten · 第 33 / 50 题