Ten slotte bieden de Noord-Zeeuwsche eilanden een bijzonder type van
nationale dracht in het Noord-Bevelander costume, dat ook op Tholen,
Schouwen, Duiveland en de Zuid-Hollandsche eilanden nog gedragen wordt,
ofschoon in eenigszins anderen vorm.
De mannen hebben op die eilanden geen eigen dracht meer, en voor
de vrouwen bestaat dat alléén uit een zeer omvangrijke en lange
_flodder-muts_, die over een witte _onder-muts_, soms ook zonder deze,
gedragen wordt, met de bekende gouden kurke-trekkers (_krullen_)
aan de slapen, en een zeer bijzondere wijze van haar-dracht over het
voorhoofd. Twee kunstig gedraaide krullen komen onder de muts uit,
in een vorm, die doet denken aan een slakkenhuis. Deze muts rijkt,
in Noord-Beveland, op den rug, tot in de taille, en plooit direct aan
de slapen breed uit. Ze is voor het grootste deel van zeer fijne tule
of kant, met een breeden geornamenteerden rand.
De mutsen op de andere eilanden hebben ongeveer denzelfden vorm,
maar zijn kleiner. (Zie Zuid-Holland.)