Het Zuid-Bevelandsche costume is het rijkste van alle Zeeuwsche
drachten, ofschoon het Axelsche (uit Zeeuwsch-Vlaanderen) het meest
eigenaardige en bijzondere is. Het Walcherensche is ongetwijfeld het
meest natuurlijke en menschelijkste.
Zeer opmerkelijk is het nogal belangrijke onderscheid dat er tusschen
de Roomsche en Protestantsche drachten op het eiland bestaat, (zie
bl. 44, 45), welk onderscheid het meest uit de kleedij van de vrouwen
spreekt. En in hoofdzaak ligt het verschil in de muts.
De Protestanten dragen een ronde muts, d.w.z. eene waarvan de groote
vleugels links en rechts van het hoofd regelmatig rond ombuigen,
en zich van achter in den hals vereenigen. Daardoor moet het slot
van de halsketting van voren gedragen worden.
De Roomsche vrouwen hebben daarentegen een muts, die meer vierkant van
model is, althans van achter op zeer bijzondere wijze in rechthoekigen
vorm bijeen is gebracht. De zij-kanten langs het hoofd vallen niet
naar achter, maar in naar onder recht (vierkant) afgewerkte vleugels
naar voren, zoodat den nek vrij komt en aldaar het gouden slot van
de halsketting gedragen wordt. (Zie bl. 46, 47.)
Bovendien is de _beuk_, "_hèt_" beroemde Zeeuwsche kleedingstuk, bij de
Roomschen rondom den hals versierd met een randje kant en kralen. De
Protestanten hebben dat niet, de beuk is niet versierd. (Vergelijk
bl. 46, 47, 48 met bl. 50, 51.) Een Zuid-Bevelandsch costume kan
alsdus worden omschreven. (Zie bl. 43 tot en met 51.)
Over het algemeen draagt men drie rokken. De rok heet op z'n zeeuwsch
"_keus_", zoodat er gesproken wordt van een _lief-keus_, (lijf-rok),
dat is een rok waaraan een lijfje vast is, en van een _rand-keus_,
een rok waaraan, van onder, een rand bevestigd is.
Die rokken zijn 's winters en 's zomers verschillend van stof en
van kleur.
Over die rokken komt een dof-blinkend zwart _schort_, van zijde
of satinet.
De rokken sluiten aan den zij-kant, met haken en oogen, de plooiïngen
vallen aan den zij-kant en van achter. Van voren zijn geen plooien.
Over het bovenlijf een wit katoenen hemd, daarover een _hemd-rok_
met korten mouwen, van voren sluitend.
Daarover dragen de Protestantsche vrouwen een corset, de Roomsche
daarentegen niet. De Protestantsche dragen bovendien een broek,
de Roomsche vrouwen niet.
Over dit hemd-rok komt de _beuk_.
Dit zoo beroemde en belangrijke kleedingstuk bestaat uit twee bijna
vierkante lappen, ongeveer 35 bij 45 cm. groot. Ze zijn aan den
eenen kant aaneen gehecht, met een uitschulping, om den hals door te
laten. Die twee vierkante stukken bedekken dus, de eene de borst,
de andere den rug, ze worden vastgehouden, op de eene schouder met
haakjes en oogen, van onder met banden.
De "beuk" is een kleedingstuk dat in bijna alle Nederlandsche
nationale drachten een voorname rol speelt. In Zeeland heet het de
"_beuk_", maar in de andere deelen van Nederland waar het voorkomt,
Volendam, Spakenburg, op de Veluwe, Staphorst enz., enz., heet
ditzelfde kleedingstuk de _krap-lap_ of _kra-lap_ of _krop-lap_. De
vorm wijzigt zich soms zeer, (zooals te Spakenburg), maar de idee en
de bedoeling blijft steeds dezelfde.
Deze beuk wordt van gebloemd katoen of zijde gemaakt, ieder jaar van
een andere stof, naar "de mode" en de nieuwe smaak, dat aangeeft,
en deze wordt op den Paaschdag vertoont. Paaschen is de mode-datum
.... en .... niet alléén in Zeeland.
De rijkdom van menig zeeuwsch meisje wordt ook naar het aantal
verschillende beuken en doeken die zij heeft, afgemeten, (afgezien nog
van de _kap_, de "_stukken_" en de halsketting.) Maar menige zeeuwsche
schoone heeft kasten vol beuken en doeken, (soms 30 stuks en meer)
waarvan erbij zijn van zeer groote kostbaarheid, omdat de duurste
zijde er voor gebruikt wordt.
De kleur van deze beuken is niet te bepalen. Alle kleuren worden
gebruikt, en bij de Roomschen wordt het effect nog verhoogd door de
kanten en kraaltjes om den hals. (Zie bl. 46, 47, 48.)
De _doek_ is een vierkante lap (doek), van ongeveer 1.50 meter lengte
en een 1 meter breedte, die diagonaals-gewijze gevouwen wordt, zeer
zorgvuldig wordt geplooid, welke plooien door spelden in bedwang
gehouden worden. Deze doek wordt om de schouders omgeslagen, van
voren over elkaar gelegd, en in de taille wordt ze (met spelden)
vastgemaakt. Deze doek is van allerlei stof en kleur, dikwijls zelfs
van fluweel, soms van zijde, door de week ook wel van katoen. (Zie
bl. 46, 47, 48, 49, 50, 51.)
Aan de voeten draagt men lage schoenen van leer.
De hoofdbedekking is zeer ingewikkeld. Het haar wordt meestal kort
geknipt, behalve van voren om "_de krul_" te maken, de haarkrul
die van voren onder de muts uit, te zien komt. De kinderen dragen
ponny, genaamd: "_de bles_". (Zie bl. 43.) Over het haar gaat de
_gouden beugel_ van zeer bijzonderen vorm, die in twee vierkante
_bladen_ eindigt, die van voren met lijn-ornament zijn begraveerd,
van achter glad. Die heele versiering heet "_de stukken_" en ze is
altijd geheel van goud. Daarover komt de _tip-muts_, een wit mutsje
met een plooi-kantje ringsom, een bol, en met een bandje op het hoofd
gehouden. Van voren een klein kantje.
Over deze tip-muts dragen de Roomsche vrouwen een
_blauw-zijden-mutsje_, dat alleen den bol van het hoofd bedekt. (Zie
bl. 48.)
De Protestantsche hebben dit niet. Daar is dit mutsje wit, of, in
den rouw, zwart.
Daarover komt dan de boven-muts, bij Roomschen zoowel als bij
Protestanten. De vorm is het best op de photographie te zien. (Zie
bl. 46, 51.)
De mutsen der Roomschen worden ietwat met _blauwsel_ gestreken,
die van de Protestantschen zijn wit. De eersten strijken en maken
hun mutsen niet zelf, dat doet de "_mutsen-opdoenster_". De laatsten
strijken de mutsen zelf.
Naast de stukken, die nu onder de boven-muts uitkomen en door "_de
draai_" in de gouden spang die hen vasthoudt, naar links en rechts
van het voorhoofd uitstaan, zijn de _cantille-spelden_ in de tip-muts
gestoken. (Zie bl. 46.) Daarboven steekt men de _boven-spelden_,
kleiner, massiever van vorm dan de opengewerkte cantille-spelden.
Dan komt daar nog de _bloedkoralen halsketting_ en het gouden slot
bij. Men draagt vijf rijen vrij groote koralen, 's zondags zelfs zes
rijen. Het slot (bij de Roomschen van achter, bij de Protestanten van
voren) heeft door de week drie "oogen", 's zondags vijf. (Zie bl. 46,
47, 48 en bl. 50, 51.)
Al deze sieraden vertegenwoordigen dikwijls een heele waarde,
zoodat het begrijpelijk is, dat zij, die eenmaal deze dracht hebben,
ze in eere houden, zij die ze niet hebben, haar niet gemakkelijk
aanschaffen. Maar de meeste Zuid-Bevelandsche vrouwen, zoowel
Protestantschen als Roomschen, blijven die nationale kleedij tot
nogtoe zeer getrouw, wat vooral bewezen wordt door het feit dat zij de
jeugd, zelfs het kleinste kindje, dagelijks in die dracht tooien. (Zie
bl. 43.) En dat zegt wat, als de jeugd er nog aan hecht de nationale
dracht te dragen!... Dan is het voortbestaan van die dracht vooreerst
gewaarborgd.
De bloote armen worden in den winter, zoowel op Walcheren als
op Zuid-Beveland, tegen de koude beschermd door _pols-mouwen_ of
_mitaines_, die de merkwaardige naam van "_Labedisten_" dragen,
afkomstig van den godsdienstigen dweper Jean de la Badie, die in
1666 te Middelburg predikaties hield tegen de in zijn oogen onzedige
gewoonte van de vrouwen, om de armen bloot te dragen.
Zooals gezegd, wordt de Zuid-Bevelandsche dracht reeds door de zeer
jonge kinderen gedragen, ook door de jongentjes. Bij de meisjes zijn
dan de schorten meestal van zoogenaamd _friesch bont_--(met blauwe
ruiten geweven katoen.) (Zie bl. 43.)
In den rouw zijn alle onderdeelen van deze kleedij, ook bij de
kinderen, zwart, de vorm echter blijft steeds hetzelfde.
Ook nog is een zeer bijzondere vrouwen-dracht in Zeeland opmerkelijk,
die in de _oester-putten_ bij Ierseke gedragen wordt. Het costume
bestaat dan, voor het bovenlijf en het hoofd geheel uit de gewone
dracht, alléén de rokken zijn vervangen door een hooge, wijde, leeren
broek met waterlaarzen. Aesthetisch werkt over 't algemeen deze dracht
niet, maar ze ontstond uit de behoeften van het bedrijf. Ze behoort
dus meer tot de beroeps-drachten dan tot de nationale kleeding.