Welk een schoonheid. Schoonheid van land, bouwland, parken, bosschen,
duinen en zee, schoonheid van oude steden, oude architectuur,
schamele resten van een cultuur, zóó eigen als in geen van de
andere deelen van Holland gevonden wordt, en die nog werkelijk
voortleeft, ondanks de moderne tijden, ondanks dat dwars door dit
eilandenrijk het wereldverkeer voortijlt. Dat is het merkwaardige
van Walcheren, dat is zijn pracht, omdat het zuiver-menschelijk en
natuurlijk-volmaakte wat daar te zien is, tot het gevoel van het
hart, en tot het begrip van de objectieve schoonheid spreekt. En dat
natuur-schoon van land en ras spiegelt zich daar in de kleedij, of
omgekeerd, de bevolking componeerde zich een kleedij, waardoor zijn
eigendommelijke rassenschoon zoozeer uit komt en geäccentueerd wordt.
En dat geldt niet alleen voor de vrouwen en meisjes met hun prachtige
bouw, hun mooie lichaams-lijnen en fijn besneden gezichten, de donkere
oogen, de prachtige armen en de mooie halzen. Maar dat geldt ook
voor de mannen, die typen te zien geven vol van wereldwijsheid en
menschenkennis, alsof een cultuur van geslachten oud al deze gewone
boeren, die in hoofdzaak de landbouw bedrijven, hun interessante
gezichten geteekend heeft.
En de kleedij is er juist op berekend om den opmerker dat alles nog
meer te doen beseffen. Want zoowel de mannen- als de vrouwen-kleeding
op Walcheren is hoogst eenvoudig. Moge ze vroeger rijker, kleuriger
geweest zijn, zooals een paar zeer fraaie voorbeelden in het museum van
Middelburg getuigen, ze was toen toch reeds wat ze nu was, niet anders
dan dat wat een goede, rationeele kleeding uit haar wezen zijn moet,
het middel om de persoonlijke schoonheid van het individu nog meer te
doen uitkomen, te doen opmerken. En waar zou dat meer gerechtvaardigd
zijn, tot mooier geheel hebben kunnen voeren dan juist op Walcheren.
De vrouwen-dracht is voor de kinderen en de volwassenen hetzelfde. Zij
bestaat uit de gewone onderkleeding en een aantal rokken, waarvan de
bovenste, zooals ook het van voren met een "coeurtje" uitgesneden
lijfje, van zwarte stof is. Deze werd in de laatste tijden steeds
dunner, zoodat de figuren van de draagsters slanker werden. Zelfs
werd het corset te hulp genomen om de natuurlijke fraaie lichaamsbouw
nog meer te doen uitkomen. Vroeger werd dit corset natuurlijk niet
gedragen. De armen zijn bloot tot boven den elleboog. Van voren en van
achter iets minder, komt de witte "beuk", het Zeeuwsche kleedingstuk
par excellence, te zien.
Deze is op Walcheren meestal wit, soms met kant en plooien, welke
laatste "verfraaiïngen" toevoegsels en veranderingen van den nieuweren
tijd zijn. (Zie bl. 34.)
De hoofdbedekking bestaat uit een witte ondermuts en witte boven-
of trekmuts, vrij eenvoudig van model, maar bijzonder gemaakt door de
eigenaardige veelvuldige kleine plooitjes, en door de gouden sieraden
die aan de slapen, naast en bijna voor de oogen hangen. Het haar
is op zeer bijzondere wijze gekruld, zóó, dat het van voren met een
zeer regelmatige wrong (of krul) onder de muts uitkomt. (Zie bl. 34,
35, 36, 37, 38.) Om den hals, die dikwijls (vooral in den zomer)
vrij laag geheel bloot is, (als de beuk wat meer naar beneden is
getrokken) wordt een bloedkoralen ketting gedragen van rijen kralen,
met een dikwijls zeer mooi gouden slot (van oude bewerking) van voren.
De schoenen zijn lage muilen, op het land draagt men klompen.
In den winter trotseert de gezonde Zeeuwsche de barre koude, ondanks
haar steeds bloote armen, (die dan echter met zwart-wollen pols-mouwen
zijn bekleed) alléén met een (meest zwart) wollen omslagdoekje van
betrekkelijk zeer geringe afmeting.
Op het hoofd wordt een klein wit strooien hoedje gedragen, geboord
met een kleurig (meest blauw) of zwart lint, dat in zeer bijzondere
plooiïng, van achter, tot een soort roset wordt. Dit lint hangt bij de
vrouwen, uit het Middelburger Ambacht, langs het hoofd, naar voren,
over de borst neer. Dit hoedje verdwijnt echter hoe langer hoe meer,
zooals de groote platte hoeden, die men tot voor een geslacht terug
nog droeg, en die reeds geheel verdwenen zijn.
De kinderen op Walcheren, dragen aan de muts lange kanten stukken,
die tot op den rug afhangen.
Dat is de _kindermuts_, zooals die op heel Walcheren voorkomt. Ze is
ook de dracht van de vrouwen uit het Middelburger Ambacht, dat is de
streek direct om de stad Middelburg heen. Deze muts is veel eenvoudiger
van vorm dan de trek-muts, die de gewone Walcherensche dracht is. Ze is
niet zoo fijn geplooid--kost dus veel minder van "opdoen", maar heeft
een afhangende strook van achter (zie bl. 38)--die bij de kinderen,
vooral als ze klein zijn, soms tot aan het middel valt. (Zie bl. 37.)
De Middelburger-ambacht-muts wordt daarom ook door vele vrouwen uit
het volk gedragen, omdat ze minder kostbaar is. (Zie bl. 38.)
Dit costume wordt op Walcheren nog zeer veel gedragen, zelfs in
de steden, behalve Vlissingen, waar alle herinnering aan het oude,
door de zegeningen (?) van de moderne industrie, zijn gedood.
Niets merkwaardiger dan een marktdag op Donderdag in Middelburg,
voor het mooie Stadhuis of op de schilderachtige Botermarkt, waar
men een gekrioel van de meest verscheidene Zeeuwsche drachten waar
kan nemen. Dit is een werkelijk eenig schouwspel in dit gedeelte
van Europa, omdat het niet alléén zoo bijzonder eigendommelijk is,
maar tegelijk werkelijke schoonheid te zien geeft, schoonheid van
menschen-ras, en buitengewone aesthetische kleedij. (Zie bl. 26.)
Vooral de kinderen zijn een lust der oogen.
Nergens ziet men kinderen met zoo mooi gevormde gestalte, zoo fijn
besneden gezichtjes, zoo stijl-volle allure als op dit merkwaardige
eiland. En waar men, op een of ander afgelegen dorp een school ziet
uitgaan, moet het treffen, dat vele van deze kleintjes, (vooral de
meisjes) een verschijnen hebben alsof het "aangekleede stadskinderen"
zouden zijn, als men die qualificatie althans als een omschrijving van
beschaafdheid zou willen doen gelden. Maar die "_boeren_" kindertjes
van het platteland van Walcheren, hebben meer "cultuur" dan de
stads-kinderen, want ze zijn natuurlijker. Bij hen is de mooie houding,
de vriendelijkheid en de liefheid niet een gevolg van aangeleerdheid,
maar ze zit in het ras, zooals ook hun geheel on-boersche schoonheid
uit hun ras voortkomt. Het zijn gecultiveerde-natuur-menschen.
Walcheren bestaat eigenlijk uit twee deelen, die in de laatste eeuwen
echter slechts één eiland vormen. Het land van Arnemuiden en Nieuwland,
dat ten oosten van het kanaal van Walcheren ligt, heeft daarom ook een
eigen kleederdracht. Deze lijkt in veel opzicht, wat de vorm aangaat,
op de Zuid-Bevelandsche, en sluit zich bij deze aan.
Maar het verschil zit in de muts. (Zie bl. 40, 41.) Die kap is anders
dan de Zuid-Bevelandsche en anders dan de Walcherensche. Ze is niet
zoo groot als de eerste, en grooter dan de laatste, maar van achter
is ze anders geplooid dan een van deze kappen, ook om den hals zit
ze anders. Ze is echter buitengewoon fraai van model, zelfs voor
de kinderen, die haar niet van kant, maar van battist of neteldoek
dragen. (Zie bl. 42.)
Wat de kleedij van de Walcherensche boeren betreft, deze is, zooals
die van de andere deelen van Zeeland nog wel eigenaardig, maar, op
een paar blinkende Zeeuwsche knoopen na, en een beetje eigenaardige
snit, niet veel anders dan alle boeren-drachten. Het merkwaardige
ligt meer in den drager dan in zijn costume, en, door het bijzondere
uiterlijk--den niet te omschrijven wereld-wijzen kop van den Zeeuwschen
boer--verkrijgt zijn heele verschijning iets zeer aparts, dat toch
maar voor een zeer klein deel door het costume veroorzaakt wordt.