Tegenover Marken, aan de vasten wal, maar toch zelf zoo goed als een
eiland, ligt Volendam, dat tot vóór vijf-en-twintig jaar weinig bekend,
weinig bezocht en als afgesloten van de buitenwereld was. Opmerkelijk
is dat, ofschoon zoo dicht bij Marken, alles in Volendam anders is,
ook de volksdracht. Voornamelijk zal dit liggen in het verschil
van godsdienst. Op Marken is men protestant, heel Volendam is
roomsch-katholiek. Zelfs wordt het nationale costume in Volendam
uitsluitend door de roomschen gedragen.
Op Marken treft het stijve, bijna fanatieke van het volk en zijn
dracht, in Volendam is het een en al zwierige levenslust, in het volk
zoowel als in zijn kleedij, zeden en gewoonten.
Ongetwijfeld is de Volendammer-dracht het meest van alle Nederlandsche
drachten in het buitenland bekend. (Zie bl. 8-9-10-11.) De
Volendammer-dracht is als het type van den Hollander en de Hollandsche
idee geworden, natuurlijk zeer ten onrechte. Maar de buitengewone
gezonde stoerheid die uit de kleedij spreekt, en vooral ook uit
zijn dragers, de levens-volheid bij de vrouwen, de quasi ironische
ongeneerdheid bij de mannen, hebben misschien in het buitenland tot
die generaliseering aanleiding gegeven.
Hoe het zei, de Volendammer-dracht is heel wat "menschelijker" dan
die van Marken.
En bestaat hier geen, of geen merkbaar verschil tusschen de dracht
der kinderen en die van de volwassenen?
De vrouw is gekleed in lang withemd met korte mouwen. Daarover komt
de wollen half lange borstrok. Daarover het "_rompje_", zonder mouwen,
even over de taille rijkend, van voren sluitend met haak en oogen.
Een corset draagt de Volendamsche niet, en, omdat ze tot een stevig,
gezond ras behoord, blijft haar figuur, de vorm van taille, buste en
heupen normaal, ondanks de (dikwijls) te dikke rokken-tooi.
Over het rompje komt de _kra-lap_ of _krop-lap_. Deze bestaat uit
twee vierkante lappen, met een uitsnijding voor den hals, over de
schouders aan een kant met haak en oogen vastgezet, van onder, door
banden aan de punten, om het lijf vastgebonden.
Deze krop-lap is van gebloemde stof, meest katoen. De ornamentjes zijn
echter zeer klein, meestal kleine bloemetjes op een witten ondergrond.
Over deze krop-lap komt het _kletje_, een kort jakje van donkerblauwe
stof, met half lange mouwen, vierkante uitsnijding aan den hals
(waardoor vóór en achter de krop-lap te zien komt) en van voren
sluitend.
's Zondags wordt het effect nog verhoogd door een _dunnen doek_ van
(witte of gebloemde) tule, die tusschen het kletje en de krop-lap
gestoken wordt. (Zie bl. 11.)
Over het hemd komt de onderbroek, daarover de gestreepte rok (van
gestreept katoen), daarover de donkerblauwe baaiënrok, dan de dikke
wollen _streep-rok_, dan de bovenrok. (Zie bl. 8, 9.)
Deze laatste is 's Zondags van witte, zeer dikke baai, met vertikale
strepen in fel rood en groen versierd. (Zie bl. 9.)
Alle rokken gaan rechts dicht.
Over dit alles komt de boezelaar van dezelfde stof als het kletje,
met een rand van boven, van geruit-geweven katoenen stof, welke
zondags van zijde is en allerlei kleurige versieringen heeft.
Ook dit schort wordt mooi in de plooi gestreken, zooals bij de
Marker vrouwen.
De rokken van de Volendamsche zijn niet zoo kort als die van de Marker
vrouw. Zij loopt in huis (over de matten) op haar donker-blauwe kousen,
op straat (zondags) op muilen van leer, door de week op klompen.
De hoofdbedekking bestaat uit het _hulletje_, van witte kant, dat over
een zwarte onderkap is getrokken. De haren zijn geheel afgeknipt als
bij een jongen. Van achter komt, in den nek, een opkrullend randje
haar onder de muts uit.
Soms draagt de Volendamsche dan nog om den hals een wollen das met
(blauwe) blokken geweven.
Ook de hals-snoer van bloedkoralen met gouden slot, dat van voren
sluit, wordt niet vergeten.
Het Volendamsche vrouwen en meisjes costume is in de week
eenvoudiger. Dan wordt, in de plaats van het kletje, een gestreept
wollen jakje gedragen, meestal grijs-paarsch of blauw van kleur,
met kleine ornamentjes. De boezelaar is dan dikwijls wit .... dit
laatste is reeds een verbastering van de ware dracht.
Het mannen-costume van de Volendamsche visschers (zoowel als van de
eendenfokkers en kaasboeren) bestaat uit een rood baai hemd met mouwen,
tot de knieën rijkend. Van voren heeft dit hemd een boordje, genaamd
"het befje", waarin twee gouden knoopen worden gedragen.
Daarover een gestreept baaitje tot de heupen. Daarover de
"_gezondheid_", een soort buikgordel, die met bretels, genaamd
"_galgen_', wordt opgehouden.
Dit kleedingstuk is meestal van blauwe wol of baai.
Een onderbroek van gekleurd keper, sluitend met knoop, en bandjes
onder de knie, die de zwarte kousen ophouden.
Daarover komt de bovenbroek van zwarte "_pij_", met drie zakken,
en twee groote zilveren knoopen van voren, genaamd _klapstukken_.
Over dit costume draagt hij in de week het _polka-baaitje_, een kort
hesje met mouwen.
's Zondags draagt de Volendammer over de gezondheid de gestreepte baai,
een vest zonder mouwen, met dubbelen overslag. Om den hals een doek,
genaamd _karwas_, (zie bl. 8) die tusschen de gestreepte baai wordt
gestoken. Daaroverheen het "_blempje_", een jas met mouwen, dat van
voren sluit. In den winter gaat daarover de _blauwbaai_, een zwart
jasje met mouwen en dubbelen overslag.
De lapel is blauw, omdat dit de omgeslagen blauwe voering is. Om de
kraag en de lapel is een fluweel boordje, genaamd het _katje_.
Daarbij worden 's zondags schoenen gedragen, door de week klompen.
Op het hoofd een pet of _ruige muts_, met groene lintjes van
achter. (Zie fig. 8, 9.)
Al deze kleedingstukken worden door de Volendammer vrouwen gemaakt.