Van al de nationale kleederdrachten in Nederland, zijn die van Marken
het meest merkwaardig, omdat ze het meest zonderling zijn. Zij vormen
een type op zich zelf, die van al de andere drachten zeer afwijkt,
zooals ook de Hindelooper dracht in Friesland. Maar ze zijn door de
groote verscheidenheid van costumeeringen voor mannen, vrouwen en
kinderen, de meest ingewikkelde kleedij, die men bijna kan denken.
Opmerkelijk is, dat zich deze dracht in al zijn verscheidenheid tot
op onzen tijd zoo volledig heeft kunnen handhaven, en dat op een
eiland, dat zoo zeer van de zee te lijden heeft, uit slechts een
paar buurtjes van houten huisjes bestaat, in zijn geheel even over
de duizend inwoners telt, en dat--'t ergst van al--zoo dicht bij een
groot modern wereld-centrum--als Amsterdam is,--ligt, en dat zooveel
door vreemdelingen wordt bezocht.
Alle drachten die op Marken voorkomen, hier te bespreken, is
onmogelijk. De voornaamste zijn deze:
1. De zuigeling (zie bl. 6) (van beide geslachten) wordt op bijzondere
wijze in hemdjes, jakjes, mutsjes en wollen dekens, als een stijve
pop ingebakerd. De kleuren van deze kleedij zijn zeer levendig,
meest allen met rood tot hoofdkleur. De stoffen zijn van geweven of
gedrukte katoen (sits of cretonne) en de versieringen bestaan uit kant,
(echte of machinale-linnen kant) of uit borduringen in kruissteek.
De mutsen, die deze jonge kinderen worden opgezet, bestaan uit drie
of vier witte en gekleurde kapjes overelkaar, met een bandje onder
de kin vastgehouden.
2. De jongens en meisjes tot zes jaren, zijn hetzelfde gekleed, in
kleurige rokjes, die naar onder wijd uitstaan. Beide dragen mutsen
van gebloemde stof (meest rood) over witte ondermutsen. Het eenige
verschil in de dracht van jongens of meisjes, en waardoor men hen
van elkaar kan onderscheiden, is de vorm van het kleurige overmutsje,
dat bij den jongen meer een rond kalotje is en van boven, op de kruin,
met een rozet is versierd. De mutsen der meisjes zijn uit drie stukken,
één middenbaan met twee zijpanden, en missen de kruin-versiering.
Overigens hebben de jongens zoowel als de meisjes beide gekrulde
haarvlechten langs de slapen en in den nek.
3. De meisjes-dracht blijft aldus tot hun zesde jaar. Dan krijgen zij
een corset of "_rijglijf_", (zooals het op Marken heet) een zeer dik
en stijf kleedingstuk van meestal bruine baai, rijk geborduurd met
bloemen in sterke kleuren (zie bl. 7). Dit rijglijf sluit, met een
lange witte feter van achter. Het is zoo stijf, (door de vele balijnen)
dat de meisjes-figuren (zie bl. 8) er die eigenaardige houterige,
stijve vorm door krijgen, die ook de figuren van de volwassen vrouwen
op Marken kenmerkt.
4. De jongens krijgen op hun zesde jaar een broek, (zie bl. 5) in
plaats van hun rokken. Die broek is van donker blauwe of bruine baai,
in dezelfde wijde vorm als die van de volwassen mannen. Het bovenlijf
van den jongen is echter nog ongeveer gekleed als van het meisje,
en hij draagt nog het mutsje met de lange krullen.
5. Op zevenjarige leeftijd krijgt de jongen volkomen mannenkleeren aan,
bestaande uit een baaitje van blauwe stof, halsdoekje, twee knoopen
in de kraag, en een pet of hoedje op.
6. De jonge meisjes krijgen op hun zestiende jaar de kleeren van
volwassen vrouwen.
De volledige beschrijving van een dagelijksch Marker vrouwencostuum
volgt hier: (zie bl. 2, 3, 4, 5.)
Zij draagt, over het bloote lijf, een linnen (ongebleekt katoenen)
hemd met lange mouwen. Aan den hals is een staande boord, die met
kruissteek in zwarte wol, met geometrische figuren is versierd. Een
dergelijken rand siert ook het eind van de mouwen, om de polsen. Dit
halskraagje heet "_beffie_". (Zie bl. 1.)
Deze ornamenten blijven steeds bij het Marker costume te zien, zelfs
ook als de vrouw geheel aangekleed is. (Zie bl. 1, 2.)
Over het hemd komt de onderbroek met bandjes, van wit katoen, met dikke
(blauwe) wollen kousen, die onder de knie worden opgebonden. Over het
hemd gaat een mouw-vest van wit katoen, even over de taille reikend,
zonder boord, van voren sluitend, met mouwen van gestreept (rood en
wit) katoen. Dit mouwvest heet "_mouwen_".
Over deze "mouwen" komt het "_rijglijf_" (zie fig. 4) of het corset,
althans een kleedingstuk dat de dienst doet van keurs of corset. Het
is van bijzonder zware en dikke constructie, van donker blauwe baai
of wol, gevoerd met witte wollen stof. Tusschen deze voering zijn van
voren en van achter (niet op zij) balijnen aangebracht. De vorm is
die van een keurslijf, het gaat over de schouders, heeft armsgaten,
rijkt even over de taille en is van voren iets uitgesneden. Het
wordt--van voren--dicht gesnoerd met een lange witte feter.
Het opmerkelijke van dit kleedingstuk, is de rijke ornamenteering
met geometrische bloemen in zeer sterke kleuren.
Om de heupen worden "_rollen_" aangebracht, langwerpige kussens, die
de rokken wijd-uit moeten doen staan en het figuur van de draagster
moeten verbreden. (Zie bl. 2.)
Over dit rijglijf komt, van voren, de _borstlap_, een stuk vurig
roode baai, vierkant, dat met spelden wordt vastgezet.
Daarover komen "_de voorpanden_", een soort bolero-vormig jakje, van
voren van vuur-roode baai, terwijl het achterpand van (meest paarsche)
satinet is.
Over de broek heeft de Marker vrouw eerst de onderrok aangelegd, een
zeer dikke rok van ruig (bruin-rood) baai, van onder afgezet met een
gelen band, van voren sluitend, met een grooten zak, rechtsch. Deze
rok heet "_het ruigje_".
Over dit "ruigje" komt "_het schort_", een groote wijde donkerblauwe
rok van baai, laken of serge. Het is zeer dicht-ineen geplooid van
achter, van voren hangt het rechter, zoodat het, naar onder, het
figuur van de draagster zeer omvangrijk maakt.
Over dit schort komt het "_boezel_", de boezelaar, van donkerblauw
katoen, van boven versierd met een "_stuk_" van geweven, geruite
(blauw-witte) katoen.
Over de "voorpanden" komt de "_bouw_", het sieraad van de
Marker-vrouwendracht. Het bestaat uit een vierkant lapje, gebloemde
sits of satinet, en wordt op de onderkleeding vastgespeld. (Zie bl. 1.)
Over de mouwen komen nog halve _overmouwen_, die van den pols tot den
elleboog rijken, van (meestal) paarsche satinet, met gele boordsels.
Om den hals komt dan nog het halsdoekje, een vierkant, van in
blok-versiering geweven (meestal rood) katoenen doekje, dat op
bijzondere wijze wordt geplooid, en aan de punten versierd is, met
zilveren en koralen kwastjes (_akertjes_).
Bij dit costume draagt de Marker vrouw in huis, of zondags, muilen
(van zwart leer), in de week klompen.
Gaat zij met slecht weer (of 's winters) uit, dan heeft zij over dit
costuum nog een jakje van donkerblauw baai of laken, met lange mouwen
en schootje (of taille), aan den hals vierkant uitgesneden.
De hoofdbedekking is niet minder ingewikkeld.
De haren worden van achter afgeknipt, de rest wordt tot twee vlechten
gedraaid, die, langs de slapen, van onder de muts uitkomen. Van voren
draagt zij ponny, gelijk afgeknipt haar, dat met de vingers aldoor naar
boven wordt gekruld, als een luifeltje boven de oogen. (Zie bl. 1.)
Over de haren gaat eerst een wit katoenen muts met platten bol.
Om den bol van die muts wordt een stijve band gelegd om den
vorm te bewaren. Over deze ondermuts worden twee stroken van
rood baai gewikkeld, en een ander lint, waarop zwarte ornamenten
in kruissteek. Die drie stroken moeten ieder op hun juiste plaats
gehouden worden door spelden.
Over deze onderlaag komt de overkap van fijn ballist en (van voren)
een strook van kant, zóó, dat de roode baai en de zwarte ornamenten
door die dunne stoffen heen schijnen.
De geheele vorm van deze muts wordt door de verschillende plooiïngen,
stijve stoffen en spelden in een cilinderachtigen vorm gehouden.
Aldus is, in het kort omschreven, de gewone Marker-vrouwendracht.
De kleur is over het algemeen voor de rokken donkerblauw, het
bovengedeelte van de kleeding, vanaf de heupen, vertoont niet dan
zeer sterke kleuren, waarbij rood in alle nuances de hoofdkleur is.
Bij rouw verdwijnt al dat rood, het wordt paarsch bij lichte rouw
of blauw, en zwart bij zware rouw. De vorm der kleeding blijft in al
zijn onderdeelen evenwel dezelfde.
Bij trouwplechtigheden is het costume van de bruid, wat de vorm
betreft, wèl gelijk aan dat van de gewone vrouwendracht, maar is
de kleur in hoofdzaak gestemd op wit. Wit is de feestkleur bij de
Marker-vrouwendracht, en bij dat alles wordt het bijzondere van die
gelegenheidsdracht nog verhoogd door de bijzondere zorg die er besteed
wordt aan de plooiïngen van de (witte) boezelaar. Die plooiïngen
worden bij de meeste nationale kleederdrachten bijzonder verzorgd,
ook door de Marker-vrouwen. Zelfs in hun gewone daagsche dracht is
de (donkerblauwe) boezel meestal zeer zorgvuldig op de strijkplank
bewerkt.
7. De mannen-dracht op het eiland Marken (zie bl. 5) wijkt in zooverre
van de dracht van het nabije Volendam af, dat, ofschoon het baaitje
ongeveer gelijk is, de das anders is, niet de eigenaardige bonten
muts van de Volendammers gedragen wordt, maar steeds de ronde vilten
hoed, en dat de baaien broek niet zoo wijd (ofschoon toch nog wijd
genoeg) maar niet zoo lang is. Bij de Volendammers vallen de wijde
broekspijpen neer tot bij de grond. Op Marken worden de mans-broeken
bij de knieën nauwer, en rijken niet verder dan even over de knie,
zoodat ze de onderbeenen en de blauwe kousen doen zien.
Het opmerkelijke van deze nationale Marker-dracht is, dat ze over het
algemeen niet den indruk van werkelijke schoonheid maakt, hoofdzakelijk
omdat het menschelijke figuur er in zoo hooge mate in door wordt
ontsteld. Die platte bovenlijven, daardoor lang lijkende armen,
uitermate breede heupen, betrekkelijk korte rokken, en daar onderuit
de dunne beenen..... dat alles werkt niet zeer aesthetisch, maar het
is in hooge mate eigendommelijk en schilderachtig door de kleur.
Daar komt bij, dat het Marker-menschenras niet tot het fraaiste van
Nederland behoort. Het schijnt, dat zij in overdaad van opvallende
kleeding willen goed maken, wat de natuur hen ontzegde.
De kinderen echter zien er zeer pitoresk uit, maar 't is een zeer
vreemd-aandoende, onwezenlijke schilderachtigheid, daar men aan
wennen moet.
Bijzonder is het echter zeer zeker dat deze dracht in heel haar
ingewikkeldheid, lastige snit, moeilijk te verwerken materiaal, en
veelvuldige versiering met borduurwerk geheel door de Marker-vrouwen
zelf vervaardigd wordt, voor zichzelf zoowel als voor haar kinderen.
Die bijzondere moeizaamheid, bij het maken, zal dan ook de reden zijn,
dat zij het eenmaal verkregen resultaat met zooveel zorg bewaren.
In ieder Marker-huisje is een zoogenaamde "_pronkkamer_", waar in
een hoek, meestal boven een laag kastje, een aantal spanen doozen,
met kanten dekkleedjes bedekt, staan opgestapeld, waarin die kleeren
worden bewaard. Ieder kind, ieder meisje, iedere vrouw heeft zoo'n
paar van die doozen, en de huisvrouw houdt alles netjes, door dien
stapel van haar rijkdom soms met koperwerk, doekjes met kant en
bloemen te versieren.
Er spreekt uit die dingen bewijs genoeg, hoe zeer die nationale kleedij
op Marken, zelfs heden ten dage (1916), nog uit den volkswil voortkomt.