Van de West-Friesche dracht is niets meer overgebleven, dan de kap
en het oorijzer, en eenige typeerende lijfssieraden, die door de
vrouwen gedragen worden, benevens een algemeene costumeering, die
niet heelemaal stadsch, noch heelemaal boersch is, niet nieuwerwets,
noch werkelijk antiek. Zij levert een van de beste voorbeelden hoe de
nationale kleedij veranderen kan tot iets wat niet te qualificeeren
is, en het werkelijk nationale nog alléén in de hoofdbedekking
bestaat. (Zie bl. 12, 13.)
Deze dracht vindt men in West-Friesland, Drechterland en _de Streek_
tusschen Hoorn en Enkhuizen.
In Zaanland is niets meer van de oude drachten over, daar getuigen
nog slechts de oude houten huisjes en hun bij uitstek merkwaardige
groene kleur van de vroegere eigenheid van dit land.
De kap, genaamd de Noord-Hollandsche (zie pl. 12), wordt gedragen
over het door een bandje bijeengebonden haar. Eerst een zwarte en
dan een witte ondermuts, deze laatste van kant en met zwart lint
geboord. Daarover gaat het oorijzer, een ongeveer vijf-centimeter
breede strook van goud, eindigend in vierkante met filigraan bewerkte
zijstukken, genaamd: "_de pooten_". Daarover komt de bovenmuts,
zeer dikwijls van echte kant, van voren een breede strook, naar
achter een nog breedere, zeer sterk en mooi regelmatig geplooide
"_Kappekant-strook_". De bol wordt gevormd door zeer fijne blauwe tule.
Het oorijzer en de onderkap schijnen dus door de blauwe tule heen,
wat een zeer rijk effect maakt. Het oorijzer wordt vastgehouden, en
aan de bovenmuts gespeld door de _kapspelden_, die achter _de pooten_
zitten. Naast de pooten, op het voorhoofd, komen de _veertjes_,
kromme gouden naalden, die onder de bovenmuts gestoken worden en
gedeeltelijk het voorhoofd bedekken. Naast deze steekt men zwarte
"_toertjes_", valsche, zwarte, kleine krulletjes.
Op het voorhoofd dragen de oudere vrouwen een _voornaald_, van goud,
rijk met diamanten bezet.
Om den hals komt de ketting van zeer dikke bloedkoralen, met
gouden slot van voren. Bij den hals wordt een gouden doekspeld
gedragen en om den hals, naar beneden afhangend met een kruisje,
de _kruize-ketting_. (Zie bl. 12, 13.)
Bovendien dragen velen een gouden horlogeketting die tot aan het
middel rijkt.
Het geheele kapsel is een zeer fijne en ingewikkelde constructie van
kant, naalden en veeren, rijk bezet met diamanten.
In de ooren draagt men gouden hangers _(bagge)_. Deze dracht is
zeer kostbaar.
De eenvoudiger West-Friesche dracht bestaat uit de gewone _Hollandsche
hul_, (zie bl. 13) die over eene zwarte ondermuts wordt gedragen. Deze
muts lijkt veel op de gewone Volendamsche muts, de punten worden
echter naar voren gedragen, in Volendam hangen die meer naar beneden
of naar op zijde.
Over deze Hollandsche hul draagt men in heel West-Friesland de
boeren-hoed, het _schuit-hoedje_. (Zie bl. 13.) Het is van zeer
bijzonder, schuitvormig model, van zeer fijn wit stroo, heeft zondags
een witte (zijden) rand, in de rouw een zwarte, door de week een rand
in alle kleuren (roze).
Deze West-Friesche kap wordt weliswaar thans (1916) nog vrij veel
gedragen, maar de wijze van dragen is verschillend. De oudere vrouwen
laten de achterste strook meer hangen, de jongere zetten deze meer
naar boven, dat staat "vlugger". Vele jonge vrouwen dragen die kap
echter reeds niet meer, of alleen 's zondags.