In ieder van de elf Nederlandsche provinciën wordt de nationale dracht
op zeer verschillende wijze in stand gehouden.
In enkele streken komt ze thans (1916) nog veelvuldig voor en wordt
ze in haar geheel, in onder- en bovenkleeding, zoowel door de mannen
als de vrouwen en de kinderen in eere gehouden.
In andere gedeelten van ons land, en dat is wel het grootste
deel, vindt men er nog slechts de gedeeltelijke overblijfselen
van. Die gedeeltelijke dracht bepaalt zich dan hoofdzakelijk tot de
vrouwen-kleeding, waarbij alleen de kap en het oorijzer en eenige
bijzondere gouden en bloedkoralen lijfsieraden behouden bleven.
Het verdere gedeelte van de kleeding dier vrouwen is dan een soort
stadsdracht, waarin zekere vormen en versieringswijzen van de oude
drachten zijn overgebleven, maar in heel andere stoffen, heel andere
(meestal effen) kleuren zijn uitgevoerd, een en ander vervormd door den
invloed van modedrachten van bijna een generatie terug. Dit "halve"
nationale kleed heeft dus in ieder geval een bijzonder cachet, maar
zij is de bij uitstek smakelooze, boersche en onbeschaafde en is de
ergste vijand van de volledige nationale dracht geworden, omdat ze
zoo voor ieder in het oog vallend dualistisch verkeerd, daardoor zoo
leelijk en daarom zoo belachelijk is.
En in het overige deel van Nederland zijn zelfs alle sporen van de
ouderwetsche dracht verloren gegaan. Dit is vooral zoo in de groote
steden en centra van industrie, en dan voornamelijk onder de bevolking
die van deze industrie leeft. De boeren hebben in die streken soms
nog hun eigen dracht--geheel of gedeeltelijk--behouden.
Een merkwaardig voorbeeld van dien verderfelijken invloed van de
industrie op onze nationale kleederdrachten ziet men in Vlissingen,
dat geheel gemoderniseerd is, terwijl op het overige gedeelte van
het onvolprezen schoone Walcheren, tot zelfs onder de poorten van
Vlissingen zelf, de inheemsche dracht in zoo bijzondere eer wordt
gehouden.
Zoo men de streken waar de nationale kleedij veel, minder of in 't
geheel niet meer gedragen wordt, op de kaart van Nederland aanteekent,
dan zal het opvallen, hoe de volledige kleedij alléén nog maar voorkomt
in twee scherp afgescheiden centra (zie bl. 1).
Het eene omvat Zeeland, en dan nog hoofdzakelijk alleen de eilanden
Walcheren en Zuid-Beveland, en een deel van Staats-Vlaanderen.
Het andere strekt zich uit langs de kust van de Zuiderzee, van
Staphorst (in Overijsel) in het Noorden, tot Huizen (in Noord-Holland)
in het Zuiden. De eilanden Urk, Marken en Volendam (dat zoo goed als
een eiland op het land is) moet men ook tot dat centrum rekenen.
Buiten deze twee zich zeer duidelijk afteekenende streken, wordt het
nationale costuum in Nederland nergens meer compleet gedragen. In alle
andere streken komt het gedeeltelijk voor, zelfs in de dorpen langs
de Noordzee, waar voor Scheveningen, wat de vrouwenkleeding betreft,
een soort uitzondering gemaakt zou kunnen worden.
De streken, waar de nationale dracht gedeeltelijk voorkomt, strekken
zich om deze centra uit, ook in de groote steden zijn de drachten zoo
goed als geheel verdwenen, zoo men tenminste niet de zeer enkele oudere
vrouw die nog alleen een eenvoudige muts (de gewone Hollandsche hulle)
draagt, of enkele weezen-costumes mee wil rekenen.
In het algemeen kan men echter zeggen dat dit gedeeltelijk costume
in het grootste (westelijke) deel van de Provincie Friesland nog
gedragen wordt, op enkele van de Noordzee eilanden, in Noord-Holland
(in hoofdzaak West-Friesland), op het platteland in Zuid-Holland en
Utrecht, de noordelijke Zeeuwsche eilanden, langs der Gelderschen
IJsel in den achterhoek van Gelderland, in het land tusschen Maas
en Waal en in het noordelijk en westelijk deel van Noord-Brabant. In
Groningen, een groot deel van Drenthe en Overijsel, in zuid-oostelijk
Noord-Brabant en in Limburg is echter de dracht geheel verdwenen,
bijna ieder spoor is er van uitgewischt.
De overgangs-periode van heele op gedeeltelijke dracht, die het
geslacht dat thans (1916) ongeveer vijftig jaar is, heeft meegemaakt,
wordt door de jeugd uit dezen tijd (1916) overgeslagen. Zelfs in
centra waar de drachten om veel redenen nog in zeer groote eere
zijn, beginnen enkele jongeren direct met algeheelen afstand van
het nationale costume te doen en kleeden zich, niet alleen "op zijn
stadsch" maar zelfs naar de laatste buitenlandsche mode, nu deze
nieuwere vormen en opvattingen zooveel spoediger tot de landelijke
bevolking doordringen dan dit een geslacht geleden gebeurde.
En, waar deze volledige verandering van costumeering, zoo zonder
overgangsproces, plaats grijpt, is het begrijpelijk dat voor de
nationale drachten het grootste gevaar dreigt om in betrekkelijk zeer
korten tijd volkomen te verdwijnen.
C. OVER DEN INVLOED VAN DEN GODSDIENST, RAS, RANG, STAND EN BEROEP
OP DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN.
De invloed van den godsdienst op de nationale drachten is een zeer
bijzondere. Niet alleen dat de vorm van het costume ook zelfs naar
den godsdienst verschillend wordt, zooals dit zeer sterk is op
Zuid-Beveland, maar het blijkt dat de godsdienst ook van invloed
is op het behoud onzer nationale drachten. Over het algemeen heb ik
opgemerkt dat in meer orthodoxe streken--zoowel protestantsche als
roomsch-katholieke--de drachten langer bewaard blijven dan in minder
godsdienstige, zoodat dus de godsdienstige factor als eene ten goede
voor de drachten moet worden aangemerkt.
De invloed van het Ras laat zich ook in den vorm van de costumes
nawijzen zooals ik dat reeds hier en daar in dezen text doe. Hierover
hebben ook Dr. Jos. Schrijnen, in zijn hoogst belangrijk boek over
"Nederlandsche volkskunde", Prof. J. H. Gallee in zijn werk over
"Het boerenhuis in Nederland en zijn bewoners", en Prof. L. Bolk
in zijn verhandeling over "De bevolking van Nederland in haar
anthropologische samenstelling", hun zienswijzen en de resultaten
van hun studiën neergelegd.
De rang en stand in de maatschappij heeft in zooverre ook haar invloed
op de nationale drachten doen gelden, dat de costumeering rijker en
fraaier werd, naarmate de drager in betere sociale omstandigheden
verkeerde. Op den vorm van de dracht had dit slechts weinig invloed,
men was niet gewend bijzondere kenteekenen, om de standen te
onderscheiden, te dragen.
Om deze redenen zijn dus onze nederlandsche nationale drachten echte
_volks-drachten_.
Anders is dit met de gelegenheids-kleedij. Niet alleen dat de
vorm en de kleur van de kleeding der kinderen dikwijls van de
dracht van de volwassenen onderscheiden is, maar voornamelijk
wordt het onderscheid groot tusschen daagsche, feestelijke of
rouw-kleedij. Dit is bij al onze nationale drachten min of meer het
geval, maar--begrijpelijkerwijze--daar het sterkst, waar de drachten
nog volledig door mannen en vrouwen gedragen worden, omdat ook de
oude zeden, met die oude drachten, behouden bleven.
De invloed van die zeden en gebruiken, doet zich dan zeer sterk op
de kleeding gelden, en komt in de verscheidenheid van die kleedij
bij vele gelegenheden tot uiting.
Opmerkelijk is daarbij vooral de bijzondere fraaiheid en
ingewikkeldheid van de trouw-costumes, en--hoe zou het anders
kunnen--vooral van deze gelegenheids-kleeding van de vrouwen.
Overal wordt bij de costumeering van "_de bruid_" een zeer bijzondere
prachtlievendheid, zoowel in kleur als in bewerking van het costume,
ten toon gespreid.
Maar ook het verschil in beroep bracht verschil in kleedij, zonder
dat er echter van een consequent doorgevoerde beroeps-kleeding kan
gesproken worden.
Zoo is er, bijvoorbeeld op Scheveningen, verschil in de kleeding
tusschen de visschers en de dorps-bewoners (die andere bezigheden
hebben). Maar over het algemeen is de afwijking van het algemeene
type der locale kleeding tengevolge van beroep of stand niet zeer
groot. De grootste variatie wordt veroorzaakt door de _gelegenheid_
waarbij het costuum gedragen wordt.
Ten slotte zou nog een afzonderlijk hoofdstuk te wijden zijn aan
de _weezen-costumes_. Ofschoon deze, als uniformen, niet tot de
eigenlijke nationale kleedij gerekend kunnen worden, staat daar
tegenover, dat het wezen en de vorm van vele dezer drachten toch
zoo nauw bij de eigenlijke volksdrachten aansluiten, er zoo zeer uit
voortkomen en er zich zoodanig mee hebben vermengd, dat deze meestal
toch ook ouderwetsche costumeeringen hier noodzakelijk in het kort
besproken moeten worden.
Enkele van deze costumes zijn hier in dit boekje afgebeeld en
beschreven, om toch vooral ook niet deze zoo typeerende kleedij te
vergeten, die door een groot deel van het publiek zoo goed gekend
wordt, en die, naast de werkelijke nationale drachten, toch ook veel
aardigs en eigens aan de lokale kleur van enkele Hollandsche steden
hebben bijgezet. De mooie Amsterdamsche burgerweesjes, die uit Haarlem,
uit Leeuwarden en zoovele andere steden, mochten in dit _bestek ook
niet vergeten_ worden.
D. OVER DE BETEEKENIS VAN ONZE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN
UIT EEN ETHISCH EN AESTHETISCH OOGPUNT.
Het ware zeer verkeerd onze nationale volks-kleederdrachten de maatstaf
van een hooger schoonheidsbeginsel aan te leggen. Zij behooren, als
een van de vele monumenten van oude geschiedenis en kunst, geheel
gelijk gesteld te worden met de kleinkunst, de gebruikskunst, die
uit het volk, uit zijn aard, zeden en gewoonten voortkwam, zonder in
wezenlijk of direct verband met de hoogste intellectueele waarde en
geestelijke idealen van dat (ons) volk te staan.
En omdat ons Nederlandsche volk zich in haar kunstuitingen,
zelfs in die van haar beste perioden, steeds meer een volk van
particulariseerend gevoel dan van veralgemeenende verstandelijkheid
heeft betoond, moet het ook niet verwonderen dat haar volks-kunst,
waaronder onze nationale kleederdrachten te rekenen zijn, nooit
belangrijker wordt dan wat met wat goede maar boertige smaak, veel
werk-kracht en een vroolijke maar oppervlakkige levensbeschouwing
bereikt kon worden.
Verheffend schoon zijn daarom onze nationale kleederdrachten niet,
maar ze zijn levensvol, soms rijk, soms fijn, maar over 't algemeen
meer aardig, merkwaardig en typeerend dan inspireerend. Zij behooren,
gelijk zoovele opmerkelijke maar anders geen hoogere princiepen
uitdrukkende meubelkunst en klein-architecteur, tot dat zelfde soort
monumenten van onze groote voorgeschiedenis gerekend te worden,
waarvan de overblijfselen nog voor een deel in enkele streken
van ons land te vinden zijn is in oude buurtjes en grachtjes,
huisjes en hoekjes. Als zoodanig hebben zij dus in het werkelijke
hedendaagsche leven van ons volk geen beteekenis meer dan die van
"curieuse bezienswaardigheid". Slechts in die gedeelten van ons land
waar nog oude of ouderwetsche zeden en gewoonten heerschen, hebben
en behouden zij echter alleszins hun reden van bestaan, en .... zijn
zij nog de dragers van het levende volks-ideaal.
De schoonste van deze drachten zijn voornamelijk die welke door den
Frieschen stam gedragen worden, te weten de costumes in Friesland,
Urk, Volendam en in Zeeland. Bij deze alle moet een verfijning van
vorm en kleurenkeus geconstateerd worden, die op iets hoogers dan het
gemiddelde volks-ideaal wijst, die meer geestelijke ontwikkeling en
aspiraties verraadt. Ook de meerdere voortreffelijkheid en schoonheid
van dit ras boven de andere bewoners van Nederland verklaart de
meerdere belangrijkheid en grooter schoonheid van deze drachten boven
de andere.
Behalve de aristocratische allure die vooral het Friesche costume
haar draagsters geeft, het bijzonder groot-burgerlijke van de
Hindelooperdracht, de levens-volheid en natuurkracht, waarvan de
Urker en Volendammer kleedij getuigt, wordt in deze het toppunt
van evenwichtigheid bereikt in het Zeeuwsche costume, dat meer
natuurlijk dan zoovele andere drachten (bijv. Marken, Staphorst
enz.) alle voordeelen van de eigenheid van het volk, van het ras,
op zijn best en het schoonst tot uiting brengt en als onderstreept.
In de Zeeuwsche drachten (vooral die van Zuid-Beveland en van
Walcheren) komt den wil zich van anderen te onderscheiden, hoogere,
meer intellectueele idealen uit te drukken, dieper levenskijk te hebben
zoo volmaakt en zoo harmonieus tot zijn recht in een even smaakvolle
als stijlvolle kleedij, die als geïnspireerd en gecomponeerd schijnt op
de bijzondere lichamelijke schoonheid van dit zeeuwsch-friesche ras,
dat ongetwijfeld het schoonste, en naar den bouw van het lichaam het
meest algemeen-menschelijk-normale deel van het nederlandsche volk is.
Werkt den aanblik van het Nederlandsche nationale costume dan niet
altijd verheffend, is het in zich zelf niet altijd even hygiënisch,
lijkt het soms meer vreemd en gezocht dan origineel, soms meer bont
dan kleur-rijk, soms meer merkwaardig dan mooi, het geeft in zijn
groote verscheidenheid een zeer juisten blik op de Nederlandsche
volkspsyche. De klein-burgerlijkheid, die een hoofdkenmerk van ons
volk is, en die dikwijls tot boerschheid wordt, komt in enkele van
die drachten ten zeerste uit, zooals die van Marken, Gelderland en
Noord-Brabant. Aan den anderen kant echter zijn er elementen in die
volks-kleedij, die zich bijna boven de groot-burgerlijkheid tot een
soort regenten-aristocratie verheffen, zooals de provinciale (oude)
dracht in Friesland en Zeeland, waar door verfijnden smaak in kleuren
en vormen iets hoogers bereikt wordt, al wordt die meer aesthetische
werking van deze drachten dan voor een groot deel veroorzaakt door de
grootere rasschoonheid van de dragers, en--speciaal van de draagsters.
Wil men deze historische drachten, en wat er thans nog van over is,
op deze wijze beschouwen, dan blijken ze even waardevol voor de kennis
van de Nederlandsche volks-ziel als de oude meubelen, architectuur
en het allergrootste deel van onze nationale schilderschool. Ze
zullen altijd hun waarde aan hun oprechtheid en waarheidszin blijven
ontleenen, zoowel aesthetisch als ethisch, ze zullen aldoor als een
werkelijke afspiegeling van den geest en de idealen van ons volk
moeten worden erkend.
En .... staan zij in dat opzicht lager, of zijn zij minder belangrijke
of minder "hooge" kunst dan al het andere, wat ons van het voorgeslacht
bleef? Ik betwijfel het. De beste uitingen van onzen Nederlandschen
volksaard, op het gebied van welke kunst van het verleden of van het
heden men het dan ook neme, zijn en blijven, voorzoover het specifiek
Hollandsche wat er aan is, toch immers niets anders dan uitingen van
"_boeren, burgers en buitenlui_."
En onze nationale kleederdrachten behooren werkelijk niet tot de
minst-belangrijke van die uitingen van "_boeren-kunst"!_--