Alvorens tot een korte beschrijving van die nationale drachten, zooals
zij thans (1916) zijn, over te gaan, moge hier een kort overzicht
volgen van de publicaties die--voor dezen--over dit onderwerp zijn
verschenen. Een blik op de goede, of goed bedoelde beschrijvingen
en afbeeldingen van deze drachten, hoe zij waren en zijn, en tevens
een woord over de slechte en niet goede afbeeldingen, kan hier hen,
die omtrent dit onderwerp meer willen weten, een korte leiddraad geven.
Want beide soort publicaties over onze zooveel bewonderde en tegelijk
zoo zeer gesmade en belachelijk gemaakte nationale drachten, moge
hier eenige critiek vinden.
In 't algemeen mag gezegd, dat de goed-bedoelde, zoowel als de slechte
beschrijvingen en afbeeldingen van deze costumes, ieder het hunne
hebben bijgedragen om de kennis en waardeering in de war te brengen.
Enkele goede, en meer wetenschappelijke, d. w. z. meer _juiste_
beschrijvingen daargelaten, moet het meeste van wat over dit hoogst
belangrijke maar uiterst omvangrijke onderwerp werd gepubliceerd,
tot de romantische en lyrische proza en poëzie gerekend worden. Bijna
steeds waren het slechts phantasieën die men gaf, prent-verbeeldingen,
plaatjes, groepjes die wel het schilderachtige, het aardige, lieve
en typeerende van het uiterlijke dezer drachten gaven, maar meer
ook niet. Zoo is een van de eerste publicaties op dit gebied, de
uitgave van J. le Francq van Berkhey uit 1773, meer bezingend dan
beschrijvend. Behalve een zeer objectief boekje over Hindeloopen, dat
in 1855 te Leeuwarden verscheen, zijn de publicaties van E. Maaskamp
uit 1803 en de Karakter-schetsen, kleederdrachten, enz. in 1842
door de Nederlandsche Maatschappij van Schoone Kunsten in Den Haag
gepubliceerd, niet anders dan prentenboeken te noemen, waarbij den
text meer lyrische ontboezemingen zijn, dan beschrijvingen.
Zoo is het ook met de lithographische platen van Valentijn Bing en
Braet von Ueberfeldt, in 1857 uitgegeven, ofschoon hier een paar
prenten met goede détails aan zijn toegevoegd.
De vele atlassen, die in de bibliotheek van het Rijks Museum, en in
de verschillende oudheidkundige genootschappen bijeengebracht zijn,
waaronder de verzameling van F. Muller (Amsterdam 1879) wel een
van de voornaamste is, bevatten slechts losse platen, met geen of te
weinig beschrijvenden text. De voorstellingen uit den tijd vóór dat de
photographie in dienst van deze wetenschappelijke onderzoekingen werd
gesteld, zijn allen te "artistiek", geven te kennelijk slechts den
persoonlijken indruk van den lithograaph of teekenaar weer. De meeste
van deze voorstellingen zijn dan ook geen objectieve afbeeldingen
van bepaalde costumes, het zijn slechts "tafreelen": "een boer",
"een dienstmeid", zonder verder te praeciseeren.
De geschiedenis van de nationale kleederdrachten, die uit _dit_
materiaal alléén zou moeten worden samengesteld, zou derhalve een
zeer twijfelachtige wetenschappelijke waarde krijgen.
Later begon men echter juister beschrijvingen van de nationale drachten
te geven, toen ook de photographische afbeelding bespreking van dit
onderwerp in verschillende tijdschriften toeliet.
Een van de eersten die stelsel-matig in dezen te werk ging, was
Mr. J. E. van Someren Brand. Reeds in 1893 verschenen opstellen
van zijn hand over speciale détails van dit omvangrijke studie-vak,
in Elseviers maandschrift. Bijzonder mooi geïllustreerde opstellen
verschenen later in ditzelfde tijdschrift, in Buiten, en andere
periodieken. Het meest complete en het meest als een wetenschappelijke
verhandeling bedoelde werk, is echter de reeds hierboven genoemde
standaard-uitgave van Professor J. H. Gallée, over "het Boerenhuis
in Nederland en zijn bewoners."
Een geheel zelfstandige serie platen en een opstel van Professor Gallée
zelve, en een over de Anthropologische samenstelling van de bevolking
van Nederland, van de hand van Prof. L. Bolk, is aan deze uitgave--die
eigenlijk in hoofdzaak over de boerenwoningen gaat--toegevoegd.
Hoe voortreffelijk dit werk echter ook moge zijn, moet toch betreurd,
dat Professor Gallée waarschijnlijk niet over de noodige bladzijden
voor text en illustratie kon beschikken, om niet alleen het uiterlijk
aspect van enkele onzer nationale drachten af te beelden en tè
globaal te beschrijven, maar om ook de onderkleeding te hebben kunnen
behandelen. Bovendien missen deze prenten, die alle naar photographie
genomen zijn, de kleur. En, die kleur is een zoo belangrijke factor
in die kleurvolle en kleurige volks-kleedij, dat ze, zonder deze,
niet in afbeeldingen in zwart te begrijpen is.
Voor Zeeland publiceerden Dr. J. C. de Man en J. A. Frederiks in 1894
een beschrijving van de Zeeuwsche drachten. Ook verscheen een plaat in
kleuren waarop alle Zeeuwsche kleederdrachten, tot een schilderachtige
groep vereenigd, staan afgebeeld. Deze plaat werd uitgegeven onder
leiding van Mr. J. E. van Someren Brand, den bijeenbrenger van een
hoogst belangrijke collectie costumepoppen. Ofschoon deze prent, naar
omstandigheden, (lithographie in kleuren naar een kleurlooze photo)
zeer belangrijk is, is ze niet voldoende. Het is ondertusschen
te bejammeren, dat van de andere provincies niet dergelijke
prent-verbeeldingen zijn gemaakt. Deze plaat werd uitgegeven door de
Uitgevers Mij. Elsevier, in 1894.
Een nog altijd niet geschreven standaardwerk over onze nationale
kleederdrachten zal niet alléén de boven, maar ook de onderkleeren
in al haar détails moeten beschrijven en afbeelden, niet alléén in
zwart, maar ook (en vooral) in kleur. En niet alléén zal het "effect"
dat deze drachten op den beschouwer maken, moeten worden weergegeven,
maar vóór alles het wezen, de ware vorm, de constructie van die kleedij
in schematische verbeeldingen moeten worden vastgelegd, ondersteund
door photo's naar de dragers en draagsters zelf, opdat ook de wijze van
dragen, de habitus der bevolking, hun uiterlijke ras-eigenaardigheden
voor het nageslacht duidelijk bewaard mogen blijven.
Tot zoover over de goed-bedoelde en goede publicaties over onze
nationale drachten. Thans over de slechte, de verkeerde, zelfs
de leugenachtige. En tot deze laatste moeten vooral de duizende
prentbriefkaarten gerekend worden die in de laatste tien jaren,
in den handel zijn gebracht. Behalve dat deze prentjes slechts
"kiekjes", "plaatjes" te zien geven, zijn de gekleurde uitgaven, die
in deze bestaan, meestal in het buitenland vervaardigd, en daardoor
in den regel hopeloos verkeerd. Ze accentueeren het bonte, boersche,
onbeschaafde, door foutieve op-kleuring nog meer, zoodat deze verkeerde
series veel misverstand omtrent onze nationale kleedij in de wereld
gebracht hebben.
Maar niet minder zijn daar de vele reclameplaten schuld aan, en de
wijze, waarop zich (vooral de Amerikaansche) reclame van een zoo
dankbaar en "dutchy" (lees: mal) motief heeft meester gemaakt als de
Hollandsche nationale drachten den niet begrijpenden boodt.
Die verkeerde, en dikwijls opzettelijk verkeerdelijk aangedikte
voorstellingen hebben onze nationale kleederdrachten in het oog van
den buitenlander (en--terugwerkend, in het oog van vele Hollanders)
een zeer slechten roep bezorgd. Zelfs ging een deel van deze verkeerde
gedachten op Holland en de Hollanders over.
Dit kon des te makkelijker, omdat de kennis van de algemeene
aardrijkskunde, en speciaal van het kleine Nederland, in de groote
landen (vooral Amerika, Engeland, Frankrijk) onder het "beschaafde
publiek" niet bijzonder ontwikkeld is.
Men is toen, in dat groote buitenland, die boerschheid, onbeschaafdheid
en lachwekkende logheid, die men, door die verkeerde voorstellingen,
gedwongen werd te zien, voor _den geest van Holland en zijn bewoners_
gaan houden. En dit heeft een juist begrip omtrent en kennis van het
ware Holland in de wereld niet bevorderd.
En toch--dit alles had voor een deel vermeden kunnen worden, zoo er
een goed standaardwerk over onze nationale kleederdrachten bestaan
had. Maar tot nog toe hebben onze nationale kleederdrachten, ofschoon
zij evenzeer een levende uiting van den geest der vaderen zijn, nog
niet die aandacht der officieele en wetenschappelijke wereld tot zich
getrokken, die zij om zooveel redenen werkelijk verdienden.
Hier blijft thans nog de collectie aangekleede poppen te vermelden,
die in de verschillende musea in den lande de herinnering aan die
nationale drachten levendig zullen houden, als die drachten zelf
dan niet meer door de bevolking zullen worden gedragen, en .... als
die poppen en hun kleedij tegen dien tijd niet door de mot en andere
oorzaken zullen zijn vergaan.
Reeds in 1898 werd door Mr. J. E. van Someren Brand, toenmaals
Directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, een verzameling van
ongeveer honderd verschillende nationale costumes tezamen gebracht,
die in hooge mate merkwaardig is. Deze belangrijke collectie, die tot
September 1916 in het Rijks Museum te Amsterdam te zien was en waar
zij, om zooveel redenen, op de _eenige_ haar _toekomende_ plaats was,
is sinds dien, jammer genoeg, naar het openlucht Museum te Arnhem
"uitgewezen."
Behalve deze collectie zijn minder omvangrijke verzamelingen van
meer plaatselijke costumes, op poppen gemonteerd, in de musea van
Middelburg, Leeuwarden, Hindeloopen en andere steden opgesteld.
En behalve deze poppen, worden in menige familie enkele ouderwetsche
drachten in hun geheel of in gedeelten als kostbare--maar
doode--herinneringen aan het voorgeslacht bewaard. Vooral is dit het
geval in Friesland, waar echter nu en dan den gewestelijken geest weer
levend wordt, zoodat bij bijzondere feestelijkheden deze costumes nog
wel voor den dag komen, om te getuigen, dat het gevoel van eigenheid
nu en dan nog wakker kan worden.
Maar behalve deze hier in 't kort opgesomde beschrijvingen en
plaatjesachtige verbeeldingen, deze prent-briefkaarten en poppen in
nationaal costume en die enkele, in oude kasten en stoffige doozen
bewaarde kleedingstukken, is van de nationale drachten in ons land
niets over, dan wat er in de verschillende streken nog gedragen wordt,
heele, halve, veranderde en onjuiste kleeding, die zoo is, omdat ze
zoo is, waar moeielijk eenige juiste en wetenschappelijke critiek op
gegeven kan worden en die de eenige reëele bron is voor onze kennis
van dit bijzondere monument van echt Hollandsche geschiedenis en kunst.
Een korte inventariseering, van dat, wat heden (1916) nog van die
nationale volks-kleedij in werkelijkheid over is, beoogt _dit_ boekje.
F. WAT WERD EN WORDT ER VOOR DE INSTANDHOUDING, DE BELANGEN EN DE
KENNIS VAN DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN GEDAAN.
Ten laatste moge hier nog een korte beschouwing volgen over wat er
voor onze zoo beroemde Nederlandsche volksdrachten gedaan werd.
In de meeste landen waar eveneens zoo'n belangrijk monument uit het
verleden, als wij in onze nationale drachten hebben, is overgebleven,
en dat bovendien een monument is, in zich zelf zoo merkwaardig, en dat
zóóveel tot de waardeering van ons Hollandsche land, vooral bij den
vreemdeling, heeft bijgedragen, wordt van overheidswege alles in het
werk gesteld om die volkseigenheid te bestudeeren, te doen voortduren,
en ze op allerlei wijze te beschermen.
In Nederland evenwel, de liberale leuze getrouw van "laisser faire,
laisser aller", een land, waar tengevolge van die idee kunst
geen regeeringszaak is en dus niet beschermd wordt, werd en wordt
"officieel" nog _niets_ voor die nationale kleedij gedaan. Alle
pogingen in deze ten goede, gingen en gaan uit van _particulieren_.
De verzameling poppen, die tot September 1916 in het Rijks Museum
op zijn eigenlijke plaats was, werd door particulier initiatief,
door particulier geld bijeengebracht. Ook was het zoo met de
verzamelingen in de provinciën, waar zich particulieren, vereenigingen
of genootschappen te werk stelden. En deze laatsten hebben zeer goed
werk gedaan. Maar de regeering deed niets. Ook dat moge een van de
vele factoren zijn, dat de nationale drachten in Nederland, om 't zoo
te zeggen, aan zich zelf overgelaten, zoodanig vervormd, veranderd en
"gehavend" werden, en per slot geheel zullen verdwijnen, omdat het
dragen er van niet van hooger hand werd aangemoedigd, of op een of
andere wijze beloond. De pogingen die in dezen van privé-personen
en vereenigingen uitgaan, kunnen echter nooit dat gezag en die
overtuigende ernst hebben, die een lands-bestuur aan zijn verordeningen
of wenschen geven kan. En al deed en doet de vereeniging Nehilennia in
Middelburg ook nog zoo haar best (in een streek trouwens waar 't nog
niet zoo heel erg noodig is) deze en dergelijke vereenigingen zullen
toch niet bij machte zijn met goed gevolg tegen de wassende wansmaak
en vooroordeelen van de zoogenaamde stads-beschaving te strijden.
Een van de beste middelen in deze echter, wordt wel door die Zeeuwsche
vereeniging toegepast. Zij speculeert op de ijdelheid van de dragers
(meer speciaal van de draagsters) van het nationaal costume. Geen
beter middel had zij kunnen bedenken, dan eenige personen in nationale
dracht, en daarna diezelfde personen (eenige kinderen) in stads-kleedij
te laten photographeeren, Het onderscheid is zóó sterk, dat het de
meest van smaak ontbloote mensch treffen moet. Het is, om 't zoo te
noemen, een afschrikwekkend voorbeeld. Zoo aardig en zoo geheel met
een eigen cachet als die kinderen er uit zien in hun nationale dracht,
zoo leelijk, zoo on-eigen, zoo onbeschaafd zien zij er uit in het
"stadsch". Waarlijk, de boerschheid komt in die kinderen dan eerst
werkelijk uit als ze zoogenaamd "beschaafd", dat is: op zijn stadsch,
gekleed zijn, terwijl ze er in hun nationale dracht er heel wat minder
boerachtig, minder onbeschaafd uitzien. Met het veranderen van kleeding
wordt dus door de boerenbevolking juist het tegenovergestelde bereikt
van wat zij bedoelt.
En dàt is het wat van overheidswege aan den volke had moeten en kunnen
gedemonstreerd worden, dat het niet vernederend of verachtelijk is om
de nationale kleedij te dragen, dat ze niet leelijk, niet onbeschaafd
is en niet "achterlijk" maakt, maar dat juist het on-oordeelkundig en
smakeloos dragen van de moderne stads-kleedij de dragers en draagsters
belachelijk en leelijk maakt. Indien dit aan het volk gedemonstreerd
was geworden, zou dit aanschouwelijk onderricht van zeer veel invloed
op de nationale drachten gebleken zijn.
Want, vooral bij de vrouwen is de indruk, die zij in hun costuum maken,
toch nog maar altijd de hoofdzaak. En die ijdelheidsfactor komt de
nationale dracht ten goede. Vooral de mooiste, natuurlijkste en meest
rationeele drachten, zooals de Friesche en de Zeeuwsche. Zoolang de
vrouwen zelf zullen blijven inzien dat die kappen en mutsen van kant,
die gouden sieraden, die keurig geplooide doeken en kleurige beuken,
die korte mouwen en lage-halsjes-dracht haar goed kleedt, flatteert;
.... en zoolang er mannen zullen zijn, die deze schoonheid zullen
opmerken .... en het de vrouwen zullen zeggen .... zal de nationale
dracht in eere blijven.
Het bewijs wordt immers reeds door de praktijk geleverd. Geen dame
die in Middelburg of Goes gaat logeeren verzuimt het zich in de "zoo
flatteerende" Zeeuwsche dracht te doen photographeeren. En, indien
een Friesch meisje al de fijnheid en de ingeboren aristocratische
allure van haar ras op het voordeeligst wil doen uitkomen .... dan
zet ze een oorijzer op, met een fijne kap en de diamanten speld op
het voorhoofd, dan doet ze kleurigzijden jurken aan, het prachtige
kanten schortje voor, en witte kousen met lage schoentjes aan.
De nationale dracht vindt op die wijze een beschermster in zich zelf
en in "_de vrouw_."
Maar wat haar het meest ten nadeel komt, is dat ze kunstmatig in het
leven wordt gehouden ten bate van het vreemdelingenverkeer. Dan
verlaagt ze zich in haar dragers en draagsters tot bedelende
comedianten.
En, omdat dit door buitenlanders reeds zeer duidelijk is opgemerkt,
heeft dit soort propaganda van de nationale kleedij, die nationale
drachten zelf, haar dragers en ook heel Nederland, in het buitenland
zeer veel kwaad gedaan. Er zou van overheidswege tegen geageerd
moeten worden.
Want met de gebruikelijke onkunde omtrent de Nederlandsche
geschiedenis en aardrijkskunde, die in het buitenland zelfs onder de
meest ontwikkelde standen heerscht, heeft deze verkeerde "reclame"
tot de meest onwelwillende uitleggingen aanleiding gegeven.
Zoo werd mij in Amerika's hoofdstad, Washington D. C., door een dame,
een kunst-kritieken-schrijfster, verweten, dat het Nederlandsche volk
het bedel-eiland Marken, tot een schande voor heel de Hollandsche natie
"_in stand hield_". Volgens haar was dat eiland, met huizen, bewoners
en kleedij en al, _opzettelijk_ gemaakt om het den vreemdelingen lastig
te maken met bedelarijen. Men moge, in Nederland, zeggen dat die dame
niet zeer goed op de hoogte was, maar dat verhelpt de zaak niet. Dat
exploiteeren van de nationale kleederdracht als _vreemdelingen
trekkende curiositeit_ kan niet anders dan tot misbruiken, en tot de
daarbij behoorende misvattingen bij den vreemdeling, leiden. En op
die wijze zouden de nationale kleederdrachten een middel worden om
Nederland in het buitenland, evenals Italië, den naam te bezorgen, dat
het zijn oude monumenten alléén exploiteert als middel om "te bedelen".
Maar er is iets anders. Dat wat het meest voor de nationale
kleederdrachten noodig was, nog steeds het meest noodig is, zoowel voor
tijdgenooten, landgenooten, en vreemdelingen, voor heden en vooral voor
de toekomst, dat is een volledige afbeelding en beschrijving van die
drachten. En het blijkt, dat een particulier zich daar niet toe zetten
kan, tenzij hij een klein fortuin en een belangrijk aantal jaren en
zeer veel moeiten aan deze inventariseering ten koste legt. Waar de
regeering, de gemeenschap in dezen niet het initiatief neemt en royaal
(dat is de eenige goede en mogelijke manier) dit werk zelf ter hand
neemt of aan een persoon opdraagt, daar zullen de nationale drachten
tevergeefs op den rijken, maar tegelijk kundigen dolenden ridder
wachten, die zijn geld, tijd en inzicht geven wil om de schoonheid
van deze stervende princes .... zooals men met een beetje goeden wil
de nationale kleederdrachten van Nederland metaphorisch noemen kan,
in woord en beeld aan het nageslacht over te dragen....
Of zal die officieele en particuliere belangstelling en dat initiatief
.... echt Hollandsch, ook weer zoo lang op zich laten wachten, totdat
het te boek stellen van al die gegevens ..... niet meer mogelijk
zal zijn!....
III. DE BESCHRIJVING VAN DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN
IN DE VERSCHILLENDE PROVINCIËN.