Thans, in 1916--en reeds in 1912 op het feest in Nationale
kleederdrachten te Amsterdam, moet geconstateerd worden dat van de
Nederlandsche-eigen-volks-kleedij niet veel meer over is, en dat wat
er nog is, zienderoogen en jammerlijk verandert en verdwijnt.
En het gaat met dat verdwijnen ieder jaar sneller.
Op zichzelf zou men hier niet over moeten treuren, omdat met het
verdwijnen van dat, wat afgedaan heeft, de plaats vrij wordt voor nieuw
leven. Maar erger is het dat vele drachten zoo deerlijk veranderd
worden, zoo "verknoeid worden" moet men zeggen, door toevoegsels of
veranderingen die enkele dragers (maar vooral draagsters) aan deze
kleedij aanbrengen.
Dat veranderen heeft er meer toe bijgedragen dat algemeen wanbegrip dat
onder het groote publiek over die costumes heerscht te doen ontstaan,
dan de werkelijke costumes zelf. Aan het origineel erkent men tenminste
het ware, al vindt men het niet mooi. De eigen-gereide verandering
wordt in den regel echter slechts lachwekkend. Ik denk hier aan de
bekende capotte-hoedjes--een overblijfsel van de Fransche-Dames-Modes
van omstreeks 1880--die in het Nederlandsche nationale costume zijn
overgegaan, onder den naam van "de kiep" (West-Friesland). Deze
"kiep" wordt over de boeren-muts gedragen, met banden onder de kin
vastgeknoopt, en is een toonbeeld van verregaande onredelijkheid
en smakeloosheid. Zoo'n toevoegsel maakt het geheele costume en de
draagster zelf werkelijk belachelijk.
Dergelijke veranderingen maakten het nationale costume
bespottelijk. Maar andere wijzigingen kwamen de moderne smaak meer
in het gevlei, ofschoon ze evenzeer tegen het wezen van de nationale
dracht streden.
Zoo dragen de Zeeuwsche vrouwen op Walcheren sinds eenige jaren
een corset, en maken zij hun vele rokken niet meer van zoo dikke
wollen stoffen. Het gevolg is dat er veel meer teekening in hun
figuur kwam, en bijna eenzelfde lijn als de moderne dames-costumes
werd verkregen. Voeg daarbij dat de van nature zoo wel gebouwde
Walcherensche vrouwen al reeds uit zichzelf een meer "moderne"
verschijning hebben dan bijvoorbeeld de Marker vrouwen, dan begrijpt
men hoe op Walcheren de nationale dracht voor de vrouwen zoolang
en zoo algemeen "mode" kon blijven. Ze flatteerde in hooge mate, ze
kwam de lijn van het moderne vrouwen-costume nabij, en ze bleef toch
schijnbaar nationaal zonder dit echter in werkelijkheid geheel te zijn.
Ziedaar een voorbeeld van verandering, die althans niet aesthetisch
storend werkt en daarom het uiterlijk van het nationaal costume als
zoodanig niet geheel ten nadeele komt.
Maar behalve de veranderingen die iedere draagster, naar eigen smaak,
aan haar eigen dracht aanbrengt, zijn er andere factoren die op het
verdwijnen van de nationale costumes van grooten invloed zijn.
Want .... ze verdwijnen langzaam maar zeker--al die bonte, typische,
nationale Nederlandsche-volks-eigen drachten, met zoo eigen schoonheid
en charme. De groote en uitgebreide correspondentie, die ik sinds
1912 met belangstellenden over dit onderwerp voer, bewijst dit.
Gemeentelijke autoriteiten zoowel als privé-personen, uit alle
deelen van ons land, zij allen zijn het er over eens dat die drachten
zienderoogen verminderen. En--komt men ter plaatse zelf--dan zullen
het u alle oude vrouwtjes verhalen hoe in hun jeugd allen minstens nog
mutsen droegen, terwijl thans (1916) de jeugd, in diezelfde streken,
geen enkel spoor van nationale dracht meer in haar kleeding toont.
De ouderen herinneren zich, dat in hun jeugd bijna allen in nationale
kleedij gingen, althans met de muts en de rest van de kleeding was
dan althans van ouderwetsche stof, snit en kleur.
De menschen van middelbaren leeftijd van thans (1916) tooien zich nu
en dan nog met de muts en het oorijzer of de gouden sieraden, die
van de ouders zijn geërfd, en dan nog alléén uit piëteit voor hun
voorzaten. Maar de jeugd van dezen tijd (1916) is volkomen "modern."
Dit geldt voor het allergrootste deel van Nederland, en in de
allereerste plaats de groote steden en hun omgeving, zelfs in streken
als Zeeland, op Marken, Urk en in andere plaatsen, waar de dracht nog
vrij algemeen is, vindt men al huisgezinnen, waar slechts een deel
van de kinderen in nationaal costuum gaan, de anderen "bekeerd" zijn,
zooals ik eens een jong meisje van 13 jaar, (in Huizen) die "modern"
droeg, hoorde zeggen.
De moderne jeugd is zoogenaamd "te verstandig", en na dit geslacht zal
in het volgende wellicht alle herinnering aan de nationale kleedij
in Nederland verloren zijn, met uitzondering van een paar streken,
waar thans nog de oude dracht algemeen en in zijn geheel gedragen
wordt. Maar die streken worden hoe langer hoe kleiner. Want een andere
oorzaak van het veranderen, en daardoor verdwijnen van de nationale
kleedij, is de kostbaarheid van die dracht. En ook vereischen de meeste
van die costumes zeer veel kennis om ze te vervaardigen, ze zijn lastig
in het dragen, en kostbaar in onderhoud, vooral de kanten mutsen en
kappen, die meestal door speciale strijksters moeten behandeld worden.
Ook dit zijn ongemakken, die de moderne jeugd gaarne ontgaan wil,
vooral omdat de nieuwerwetsche kleeding zooveel eenvoudiger en
losser in het dragen is en geheel gereed in winkels kan worden
gekocht. Maar daar staat tegenover, dat vele van die oude drachten
zoozeer flatteeren. En .... welke vrouw zou dat niet zien .... en
waardeeren, en haar veel moeiten doen vergeten. Zoo die ijdelheid
dan--voor zoover de vrouwencostumes betreft--voor een deel oorzaak
zou kunnen zijn, dat enkele van die oude drachten langer zouden kunnen
blijven voortbestaan, niet aldus met de mannendracht. Daar geeft het
practische den doorslag, ofschoon hier en daar nog een klein gevoel
voor de geboorteplaats en een koppig vasthouden aan oude gebruiken tot
de instandhouding van de plaatselijke dracht zal blijven medewerken.
Over het algemeen moet echter vastgesteld worden, dat de nationale
Nederlandsche kleedij langzaam maar zeker verdwijnt, en dat vooral
dit nu levende geslacht (1870-1920), de grootste veranderingen op
dit gebied mee maakt.