--Gij meent, dat ik u zou kunnen beminnen, nadat ik Messala gezien had?

Zulken als gij zijn geboren om hem te dienen. Hij zou tevreden zijn

geweest, indien gij hem zijne zes talenten teruggegeven hadt; maar ik

zeg u, bij die zes zult gij er twintig voegen, hoort gij? Voor iederen

kus, dien gij mij gegeven hebt, al was het met mijne toestemming, zult

gij mij betalen. Gij zult er voor betalen, dat ik u zoo lang verdragen,

ja begunstigd heb, al deed ik het ook om hem te dienen. De oude

Simonides is uw rentmeester. Indien hij mij morgenmiddag niet een wissel

ter hand stelt voor zesentwintig talenten, dan zult gij met den

machtigen Sejanus hebben af te rekenen. Wees wijs! en nu vaarwel.

Zij wilde de kamer verlaten, maar hij trad haar in den weg.

--Wanneer gij Messala ziet, hier of in Rome, vandaag of morgen, wil hem

dan van mijnentwege deze boodschap overbrengen: Zeg hem, dat ik al het

geld terug heb, dat hij mij ontstal, toen hij zich een deel van mijn

vaders bezittingen toeëigende. Zeg hem, dat ik van de galeien, waarheen

hij mij zond, levend ben teruggekomen, en dat ik gezond en krachtig, mij

verheug over zijne armoede en schande. Zeg hem, dat de lichaamspijnen,

hem door mijne hand toegebracht, een straf zijn van den God van Israël

voor het verraad, dat hij aan onschuldigen gepleegd heeft; zeg hem, dat

mijne moeder en zuster, die met zijn medeweten opgesloten werden in eene

besmette cel van den burcht Antonia, opdat zij daar aan melaatschheid

zouden sterven, leven, en gezond zijn door het machtwoord van den

Nazarener, dien gij veracht. Zeg hem, dat zij, om de maat van mijn geluk

vol te maken, mij teruggegeven zijn, en dat ik tot haar ga, om in hare

liefde meer dan voldoening te vinden voor de onreine hartstochten, die

gij op hem overbrengt. Zeg hem, dat de machtige Sejanus, als hij zich

opmaakt om mij van mijn eigendom te berooven, niets zal vinden, want

alles, wat ik van den duumvir geërfd heb, is verkocht, en de opbrengst

is in veiligheid gebracht. Zeg hem, dat dit huis en de goederen, waar

Simonides handel mede drijft, gedekt zijn door keizerlijken vrijbrief.

Zeg hem, dat ik hem mijnen vloek niet in woorden zend, maar dat ik hem

aan u overlaat, opdat gij elkander wederkeerig ten vloek zoudt zijn. Ga

nu, ik ga ook.

Hij geleidde haar naar de deur en hield beleefd een voorhang tegen,

terwijl zij naar buiten ging.

* * * * *

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE BLINDDOEK AFGEVALLEN.

Ben-Hur verliet de zaal vrij wat minder opgewekt, dan hij haar

binnengetreden was; zijn stap was langzamer, hij liet het hoofd hangen.

De ontdekking dat iemand, al heeft hij ook al zijne ledematen gebroken,

toch nog gezond van hersenen kan zijn, gaf hem veel te denken.

Dat hij de Egyptische zelf niet verdacht had van in Messala's belang

werkzaam te zijn, maar zich blindelings had overgegeven aan de

betoovering, die van haar uitging, wondde zijne ijdelheid.

--Nu herinner ik mij, dacht hij, dat zij in het minst niet

verontwaardigd was over de handelwijze van den onbeschaamden Romein bij

de bron van Castalia. Ik herinner mij ook, dat zij van den beginne met

ingenomenheid over hem sprak. En ... aha!... nu behoef ik niet langer te

vragen, aan wie ik dat geval in het paleis Idernee te danken had.

--God zij gedankt! riep hij na een oogenblik nadenkens overluid, dat die

vrouw mijn hart niet omstrikt had! Ik zie nu in dat het geen liefde was,

die ik voor haar gevoelde.

Alsof hem een pak van het hart gevallen was, begaf hij zich verruimd van

zin naar het platte dak. Boven gekomen bleef hij stilstaan. Kon

Balthasar haar medeplichtige zijn? Neen, neen. Een eerwaardig grijsaard

als hij kan niet huichelen. Balthasar is een goed man.

Gerustgesteld ging hij verder. De volle maan stond hoog aan den hemel,

maar verbleekte door den gloed der vuren, die in de straten en op de

pleinen ontstoken waren. Van alle zijden weerklonk het gezang van

psalmen en lofzangen. Onwillekeurig bleef hij staan luisteren. De

tallooze stemmen schenen hem toe te roepen: Aldus, zoon van Juda,

getuigen wij van onze trouw aan den Heer onzen God, en onze liefde tot

het land, dat Hij ons gegeven heeft. O, dat een Gideon mocht optreden,

of een David, of een Makkabeër!--Wij zijn gereed.

In den geest zag hij den Nazarener, wiens vriendelijk gelaat allerminst

aan oorlog deed denken, veeleer aan vrede en liefde, en zoo drong de

oude vraag zich weder aan hem op: Wie is hij toch?

Ben-Hur wierp een blik over de borstwering, keerde zich toen om en

wandelde toen werktuiglijk naar het zomerhuisje. Laat hen het ergste

doen wat zij kunnen, zeide hij langzaam voortgaande. Ik kan den Romein

geen vergiffenis schenken. Ik wil mijn fortuin niet met hem deelen, maar

evenmin wil ik de stad mijner vaderen ontvluchten. Liever roep ik de

Galileërs te hulp en laat ik het zwaard voor mij beslissen. Door dappere

daden zal ik de stammen voor mij winnen. Hij, die Mozes verwekte, zal

ook ons een aanvoerder toezenden, als ik niet slaag. Blijkt het, dat de

Nazarener niet de aangewezen persoon is, dan een ander uit de velen, die

hun leven willen laten voor de vrijheid.

Het zomerhuisje was van binnen slechts flauw verlicht, toen Ben-Hur

binnentrad. Hij zag den armstoel van Simonides in den hoek geschoven,

vanwaar men het beste uitzicht had over de markt.

--De goede man is teruggekeerd, dacht hij. Als hij niet slaapt, zal ik

hem even toespreken.

Hij naderde den stoel met zachten tred. Over de hooge rugleuning

glurende zag hij, dat Esther in den stoel zat te slapen, half verborgen

onder de deken. Hare ademhaling was zacht en regelmatig. Op eens slaakte

zij een diepen zucht. Was het de zucht, of de eenzaamheid, waarin hij

haar aantrof,--genoeg, hij kreeg den indruk dat deze slaap meer een

gevolg was van uitputting na droefheid, dan van vermoeidheid. Met de

handen op de rugleuning rustend, dacht hij een oogenblik na.

--Ik zal haar niet wekken. Ik heb haar niets te zeggen, niets, of het

moest zijn, dat ik haar liefheb. Zij is eene dochter uit den stam van

Juda, schoon en lieftallig, geheel verschillend van de Egyptische. Bij

die is alles ijdelheid, bij haar alles waarheid, daar eerzucht, hier

plicht, daar zelfzucht, hier zelfverloochening.... Neen, de vraag is niet

of ik haar liefheb, maar of zij mij liefheeft! Zij was mij van den

beginne genegen. Ik ben dien avond op het terras te Antiochië nog niet

vergeten, toen zij mij zoo kinderlijk smeekte Rome niet tot mijn

vijandin te maken. Ik heb haar lief. Niemand weet, dat ik moeder en

Tirza teruggevonden heb. Hoe zal zij zich met mij verheugen, haar van

harte verwelkomen. Voor moeder zal zij eene tweede dochter wezen, in

Tirza vindt zij eene zuster. Ik zou haar kunnen wekken en dit alles

vertellen, maar eerst moet de Egyptische toovenares weg, en alles

vergeten zijn. Ik zal heengaan en een ander, een beter oogenblik

afwachten. Ik zal wachten. Slaap zacht, schoone Esther! trouw kind,

dochter van Juda!

Hij ging heen, even stil als hij gekomen was.

* * * * *

ACHTSTE HOOFDSTUK.

HET VERRAAD.

De straten waren vol gaanden en komenden. Hier en daar stonden groepjes

geschaard rondom de vuren, waar vleesch gebraden, gezongen en

feestgevierd werd. De geur van het gebraad, vermengd met den reuk van

brandend cederhout, vervulde de lucht; en daar bij deze gelegenheid alle

Israëlieten elkander als broeders begroetten en de gastvrijheid geen

grenzen kende, werd Ben-Hur bij elken stap begroet, terwijl de groepjes

rondom het vuur hem toeriepen: Kom, en eet met ons. Wij zijn broeders in

de liefde Gods!--Maar hij dankte hen allen vriendelijk en haastte zich

voort, daar hij van plan was zijn paard op te halen aan de herberg, en

naar de tenten bij de beek Kedron terug te keeren.

Om daar te komen, moest hij de straat oversteken, die weldra door het

droevigst tooneel, dat de christenheid kent, vermaard zou worden. Ook

daar waren de feestelijkheden in vollen gang. De straat afziende, zag

hij een optocht met fakkellicht naderen! Waar zij langs kwamen verstomde

het gezang. Zijne verbazing klom, toen hij te midden van rook en vonken

speren zag flikkeren, waaruit hij begreep, dat het Romeinsche soldaten

waren. Wat deden zij, die vervloekte Romeinen, bij een Joodsche

processie? Dat was iets ongehoords, en hij bleef staan om te zien wat

dat beteekenen moest.

De maan scheen helder; maar alsof maan en sterren en straatvuren en het

licht uit vensters en open deuren niet voldoende waren om alles buiten

te verlichten, droegen sommige deelnemers aan den optocht bovendien

brandende lantaarns, en daar Ben-Hur begreep, dat er iets bijzonders te

doen moest zijn, koos hij een geschikte plaats uit, om elk der

voorbijtrekkenden aandachtig op te nemen. De toortsen en lantaarnen

werden door bedienden gedragen, die met knuppels of puntige stokken

gewapend waren. Hun plicht was allereerst de hoogmogenden onder hen:

oudsten, priesters, rabbi's met lange baarden, zware wenkbrauwen en

haviksneuzen, bij te lichten op den ongelijken, steenachtigen weg. Wat

kon toch het doel van hun tocht zijn? Niet naar den tempel, want

daarheen voerde een andere weg. En hun plannen ... als die van vreedzamen

aard waren, waartoe dan de soldaten?

Toen de stoet hem voorbijging, werd zijne aandacht voornamelijk

getrokken door drie personen, die in de eerste rijen gingen. In den man

links herkende hij een hoofdman der tempelwacht, die meest rechts liep

was een priester, den middelsten daarentegen herkende hij niet dadelijk,

want hij leunde onder het voortgaan zwaar op de beide anderen, en liet

het hoofd hangen, als om het gelaat te verbergen. Zijn voorkomen deed

aan een boosdoener denken, die den schrik van zijne gevangenneming nog

niet te boven was gekomen. Ontegenzeglijk was hij, zoo niet de oorzaak

van het optrekken der soldaten, dan toch òf hun gids, òf een onmisbaar

getuige. Kon Ben-Hur achter zijn naam komen, dan zou hij het overige

misschien wel kunnen raden. Zonder iets te zeggen, trad hij den priester

op zijde, en stapte naast hem voort. Als de man nu maar zijn hoofd wilde

opheffen! En zie! daar deed hij het, zoodat het licht der lantaarnen op

zijn bleek, door vrees vertrokken gelaat viel. Daar Ben-Hur den

Nazarener zoo dikwijls op zijne tochten gevolgd was, kende hij de

discipelen, zoowel als den meester; en toen hij nu dat verschrikte

gelaat zag, riep hij luid: Iskariot!

Langzaam keerde de ongelukkige het hoofd om, keek Ben-Hur aan en bewoog

zijne lippen, alsof hij iets wilde zeggen, maar de priester kwam

tusschenbeide.

--Wat woudt gij? Ga weg! zeide hij tot Ben-Hur, en duwde hem op zij. De

jonkman liet het zich welgevallen, wachtte een betere gelegenheid af, en

sloot zich weder bij den stoet aan. Zij gingen tusschen den heuvel

Bezetha en den burcht Antonia door, langs het badwater Bethesda naar de

Schaapspoort. Overal waren menschen en overal werd feestgevierd. Ter

eere van het feest stonden de deuren der poort wijd open. Voorwaarts

ging het, altijd voorwaarts, nu het dal in, dat naar de beek Kedron

leidde. Aan de andere zijde zag men den Olijfberg met zijn donker

geboomte. Dof weerklonken de voetstappen der mannen in de nachtelijke

stilte. Nog een klein eindje, en toen sloegen zij links om naar een

olijvenhof, die aan den voorkant door een steenen muurtje afgesloten

was. Ben-Hur wist dat in dien hof niets was, dan eenige knoestige

boomen, wat gras, en een in de rots uitgehouwen trog, die gebruikt werd

voor het treden van de olijven. Terwijl hij zich verbaasd afvraagde wat

zij in dit uur op eene zoo eenzame plaats te doen konden hebben, stond

de troep plotseling stil. In de voorhoede hoorde men luid spreken. Er

ontstond een onverklaarbare verwarring; alleen de soldaten hielden

stand. In een oogwenk had Ben-Hur zich uit het gedrang weten te redden,

om vooruit te snellen. Weldra bevond hij zich voor een poortje zonder

deur, dat toegang verleende tot den hof. Hij bleef staan om het tooneel

te overzien.

In de poort stond een man met witte kleederen bekleed, blootshoofds, de

handen op de borst gevouwen, een gedaante hem maar al te goed bekend ...

de Nazarener! Zijne discipelen stonden achter hem geschaard; zij zagen

er ontsteld uit, de meester zelf stond daar als een toonbeeld van

verheven rust.

Tegenover deze vreedzame gestalte hield de bende stil, onthutst, gereed

om op een machtwoord uit zijnen mond uiteen te stuiven en weg te loopen.

Ben-Hur wierp een vluchtigen blik op hem, op de menigte, op Judas

Iskariot, en nu begreep hij het doel van den tocht. Hier stond de

verrader, daar de verradene. De lieden met knuppels en stokken gewapend

en de soldaten waren gekomen om hem gevangen te nemen.

Niemand kan met zekerheid zeggen wat hij doen zal, voordat het oogenblik

van handelen daar is. Ben-Hur stond voor iets, waarop hij zich jarenlang

had voorbereid. De man, voor wiens veiligheid hij moest waken, op wiens

leven hij al zijne hoop gebouwd had, verkeerde in lijfsgevaar,--en toch

deed hij niets. De menschelijke natuur is vol van zulke tegenstrijdigheden.

De groote kalmte echter, waarmede de geheimnisvolle Nazarener de menigte

te gemoet trad, hield hem tegen, want hij verwachtte dat de meester gebruik

zou maken van zijne wondermacht, om zich uit dit dreigend gevaar te redden.

Vrede, liefde en vergevensgezindheid waren de grondtonen geweest van zijn

leer; zou hij zijne prediking in praktijk brengen? Hij was Heer over leven

en dood. Welk gebruik zou hij nu van die macht maken? Zichzelven verdedigen?

En hoe dan? Eén woord, één wenk, ééne gedachte was voldoende. Dat een

wonder, iets bovennatuurlijks gebeuren zou, geloofde Ben-Hur vast, en in

dat geloof wachtte hij. Maar hij mat den Nazarener naar zichzelven af, naar

den menschelijken maatstaf.

Daar weerklonk des Meesters heldere stem.

--Wien zoekt gij?

--Jezus den Nazarener, antwoordde de priester.

--Ik ben het.

Op het hooren van deze zeer eenvoudige woorden weken de aanvallers eenige

schreden achteruit, de vreesachtigen vielen ter aarde.

Zij zouden hem waarschijnlijk alleen gelaten hebben en weggegaan zijn,

indien niet Judas naar voren gekomen was en gezegd had: Wees gegroet,

Meester.

Dit zeggende kuste Judas hem.

--Judas, zeide de Nazarener zacht, verraadt gij den Zoon des Menschen

met een kus? Waarom zijt gij hier gekomen?

Daar hij geen antwoord kreeg, wendde de Meester zich weder tot de schare.

--Wien zoekt gij?

--Jezus van Nazareth.

--Ik heb u gezegd, dat ik het ben. Indien gij dan mij zoekt laat dezen

henengaan.

De rabbi's traden op hem toe, en hun voornemen radende kwamen sommigen

zijner discipelen, voor wie hij in de bres gesprongen was, naderbij. Een

van hen hief zijn zwaard op en sloeg een man zijn oor af, maar zonder te

kunnen verhinderen dat de Meester gevangen werd genomen.

En nog steeds stond Ben-Hur stil!

Terwijl men de touwen bracht om hem te binden, verrichtte de Nazarener

eene liefdedaad, die meer nog dan eenige andere zijne oneindige liefde

en zachtmoedigheid deed zien.

--Laat ze tot hiertoe geworden, zeide hij, raakte het oor van den

gewonden dienstknecht aan, en heelde het.

Vrienden en vijanden beiden stonden verbaasd, laatstgenoemden daarover,

dat hij zoo iets kon doen, de eersten, dat hij het wilde doen.

Neen, neen! Hij zal niet toelaten, dat zij hem binden! dacht Ben-Hur.

--Steek uw zwaard in de scheede. De beker, dien mij de Vader gegeven

heeft, zou ik dien niet drinken?

Van den voorbarigen discipel keerde de Nazarener zich tot zijne

vijanden: Zijt gij gekomen als tot een dief, met zwaarden en stokken om

mij gevangen te nemen? Dagelijks was ik bij u in den Tempel en gij hebt

mij niet gegrepen, maar dit is uwe ure en de macht der duisternis.

De bende vatte moed en omringde hem. Toen Ben-Hur rondzag naar de

discipelen waren zij weg, niet één was gebleven.

De Nazarener werd gebonden,--hij die zijne vijanden met een ademtocht

zou hebben kunnen vernietigen. Waarom wilde hij zichzelven niet redden?

Wat was die drinkbeker, dien zijn vader hem gegeven had te drinken? En

wie was die vader? Altemaal geheimen, die alleen de Nazarener onthullen

kon.

Nu maakte de bende zich gereed om naar de stad terug te keeren, de

soldaten voorop. Ben-Hur werd beangst. Hij was niet met zichzelf

tevreden. Hij wist waar de Nazarener te vinden was,--daar, waar de

meeste flambouwen waren. Op eens nam hij een besluit. Hij moest hem nog

eenmaal zien, hem ééne vraag voorleggen. Haastig ontdeed hij zich van

zijn overkleed en hoofddoek, wierp ze op het muurtje, en vloog de bende

achterna.

Het gelukte hem na eenig dringen den man te bereiken, die de einden van

het touw vasthield, waarmede de gevangene behouden was.

De Nazarener liep langzaam, met gebogen hoofd, de handen op den rug

gebonden, en alsof hij niets merkte van hetgeen rondom hem voorviel.

Voor hem uit gingen priesters en oudsten, in drukke gesprekken verdiept,

en telkens naar hunne prooi omziende. Toen zij de brug genaderd waren,

nam Ben-Hur den bewaker het touw uit de hand, en trad den gevangene op

zijde.

--Meester, sprak hij zacht en snel, hoort gij mij, Meester? Eén woord

slechts. Zeg mij.... De man, wien hij het touw ontnomen had, wilde het

terug hebben.

--Meester, zeg mij, ging Ben-Hur voort, gaat gij vrijwillig mede?

De menigte sloot zich meer aaneen en vraagde hem dreigend: Mensch, wie

zijt gij?

--Ach, Meester, zeide Ben-Hur haastig, zijn stem scherp door angst, ik

ben uw vriend. Zeg mij, ik smeek het u, wilt gij, dat ik u te hulp kom?

De Nazarener zag niet op, en gaf niet het minste teeken van herkenning.

Maar nu drongen de wachters op hem in. Van alle kanten werd geroepen:

Hij is een van hen. Grijpt hem! Slaat hem dood! Met een wanhopige

krachtsinspanning rukte Ben-Hur zich los, keerde zich, links en rechts

slaande, om, en brak door den kring heen, die hem dreigde in te sluiten.

Zijn kleed moest hij in handen laten van een wachter, die hem reeds

gegrepen had, zoodat hij naakt van hen moest vlieden. Gelukkig kon hij

zich in de donkere kloof voor iedere oog verbergen.

Toen alles stil geworden was, keerde hij naar den olijvenhof terug, om

zijn overkleed te halen, begaf zich van daar naar de herberg, besteeg

zijn paard en reed spoorslags naar de tenten zijner moeder bij de graven

der Koningen. Onder het voortrijden nam hij het besluit den volgenden

dag den Nazarener te bezoeken, weinig vermoedende, dat deze nog

dienzelfden avond naar het huis van Annas gebracht was, om terstond

verhoord te worden.

Met een bezwaard hart ging de jonkman ter ruste. Moedeloos wierp hij

zich op zijn leger om en om, aan slapen viel voor hem niet te denken,

want het leed geen twijfel: het Joodsche koninkrijk, waar hij van

gedroomd had, loste zich op in wat het was--een droom.

* * * * *

NEGENDE HOOFDSTUK.

NAAR DEN KRUISHEUVEL.

Den volgenden morgen tegen de tweede ure reden twee mannen in galop naar

Ben-Hurs tent, stapten af, en vraagden hem te zien.

Hij was nog niet opgestaan, doch beval dat men hen binnen zou laten.

--Vrede zij u, broeders, zeide hij, want het waren twee vertrouwde

hoofdlieden van het Galileesche legioen. Neemt plaats!

--Neen, antwoordde de oudste kortaf. Zitten en rusten wil zooveel zeggen

als den Nazarener te laten sterven. Sta op, zoon van Juda, en ga met ons.

Het oordeel is uitgesproken, de kruispaal wordt opgericht.

Ben-Hur staarde den spreker ontsteld aan. Het kruis! was alles wat hij

zeggen kon.

--Zij hebben hem van nacht gevangengenomen en gevonnist, vervolgde de

man. Met het aanbreken van den dag brachten zij hem voor Pilatus.

Tweemaal verklaarde de Romein hem voor niet schuldig; tweemaal weigerde

hij hem over te leveren. Eindelijk waschte hij zijne handen, en zeide:

Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige! en zij

antwoordden....

--Wie antwoordde?

--De priesters en het volk! Zij antwoordden: Zijn bloed kome over ons en

over onze kinderen.

--Heilige vader Abraham! riep Ben-Hur. Moet een Romein welwillender zijn

voor een Israëliet, dan zijn stamgenooten! En als--o, als hij werkelijk

de Zoon Gods is, wie zal dan ooit die bloedschuld afwasschen? Het mag

niet gebeuren,--ten strijde, broeders, ten strijde!

Hij klapte in de handen.

--De paarden voor, vlug! beval hij den binnentredenden Arabier. Laat

Amrah mij schoone kleederen geven en breng gij mijn zwaard!... De tijd

is gekomen om voor Israël te sterven, vrienden! Wacht mij buiten, ik kom

aanstonds.

Hij at een stuk brood, dronk een beker wijn, en reed weldra weg.

--Waarheen? vraagde de hoofdman.

--De legioenen bijeenroepen.

--Helaas! riep de man, zijne handen omhoogheffend.

--Waarom helaas?

--Ach, heer, zeide de man beschaamd, mijn vriend en ik zijn u alleen

getrouw gebleven. Al de anderen loopen de priesters na.

--Wat willen zij dan? vraagde Ben-Hur en hield zijn paard in.

--Hem dooden.

--Toch niet den Nazarener?

--Gij hebt het gezegd.

Ben-Hur zag nu den een, dan den ander aan. In den geest hoorde hij weder

de woorden van den vorige avond: den drinkbeker, dien mij de Vader

gegeven heeft, zal ik dien niet drinken?

Hij hoorde weer zijn eigen vraag: wilt gij dat ik u te hulp kom?--Neen,

zeide hij tot zichzelf: Zijn dood kan niet afgewend worden. Hij heeft er

van den beginne alles van geweten. Die dood wordt hem opgelegd door een

wil, hooger dan de zijne: van wien anders dan van God? Als hij er in

toestemt, als hij vrijwillig gaat, wat zal dan een gewoon mensch doen?

Ben-Hur zag de plannen in duigen vallen, die hij gebouwd had op de

getrouwheid der Galileërs. Hun afval maakte inderdaad aan alles een

einde. Maar hoe zonderling dat het juist hedenmorgen moest gebeuren! Een

bange vrees bekroop hem. Kon het zijn dat zijn plannenmaken, zijn werk,

de wijze, waarop hij zijn geld besteed had, slechts verzet geweest was

tegen Gods raadsbesluiten?

--Laat ons naar Golgotha gaan, zeide hij op doffen toon.

Zij reden te midden van een opgewonden menigte, die in dezelfde richting

ging, als zijzelve. De geheele streek ten noorden der stad scheen op de

been te zijn.

Hoorende dat de wacht met den veroordeelde ongeveer bij de groote witte

torens van Herodes moest zijn, reden de drie vrienden daarheen. In de

vallei bij den vijver van Hiskia werd het onmogelijk tegen den stroom

van menschen in te gaan, zoodat zij verplicht waren af te stijgen en

achter een huis een gunstiger oogenblik af te wachten. Een half uur, een

uur vloog voorbij, nog steeds ging de stroom onverminderd langs onze

vrienden. Aan het einde van dien tijd had hij kunnen zeggen: Ik heb alle

standen van Jeruzalem vertegenwoordigd gezien, al de sekten van Judea,

al de stammen Israëls, en al de nationaliteiten der aarde. De Libysche

Jood, de Jood uit Egypte, de Jood van den Rijn; in één woord: de Joden

van alle oostersche en westersche landen en van alle bekende eilanden

trokken langs hem heen, te voet, te paard, of op kameelen gezeten, in

draagstoelen, in wagens, gekleed in alle mogelijke kleederdrachten, maar

met de zonderlinge overeenkomst in gelaatstrekken, die nog heden ten

dage de kinderen Israëls kenmerkt, al hebben zij ook veel geleden door

verandering van levenswijze. Die allen drongen voorwaarts om een armen

Nazarener te zien sterven, een misdadiger tusschen misdadigers.

Behalve die duizenden Joden, waren er nog duizenden anderen, die de

Joden haatten en verachtten: Grieken, Romeinen, Arabieren, Syriërs,

Afrikanen, Egyptenaren, zoodat de geheele wereld bij de kruisiging

tegenwoordig scheen te zullen zijn.

In weerwil van de ontzettende menschenmassa heerschte een akelige

stilte, die alleen nu en dan verbroken werd door een hoefslag op den

steenachtigen bodem, het geratel van wielen, of een uitroep van

verbazing. Daaruit begreep Ben-Hur, dat het vreemdelingen waren, in de

stad gekomen om het Paaschfeest te vieren, die dus geen aandeel hadden

in de veroordeeling des Nazareners.

Eindelijk hoorde hij in de richting der groote torens een verward

gedruisch van stemmen.

--Hoor, daar komen zij! zeide een der twee Galileesche hoofdlieden.

De voorbijgaanden bleven staan om te luisteren; toen het rumoer echter

naderkwam, zagen zij elkander aan en gingen huiverend verder. Het woest

getier nam toe ... daar zag Ben-Hur de bedienden van Simonides naderen.

Esther ging naast haar vaders draagstoel, een gesloten draagstoel volgde

hen.

--Vrede zij u, Simonides; en u, Esther, zeide Ben-Hur hun te gemoet

tredende. Als gij op weg zijt naar Golgotha, blijft dan hier, totdat de

stoet voorbij is, dan vergezel ik u. Hier achter het huis is plaats

genoeg.

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 30 / 32 段