Zij bleven geknield liggen, totdat de menschenmassa langzaam achter den

berg verdween. Toen het gezang en gejuich in de verte zich verloor, werd

het wonder in de melaatschen gewrocht.

Eerst gevoelden zij, dat haar bloed als vernieuwd door de aderen

stroomde, sterker en sneller, zoodat het verzwakte lichaam een

onbeschrijfelijk weldadig gevoel van terugkeerende kracht gewaarwerd.

Zij voelden de plaag letterlijk wijken. Haar vleesch keerde weder, de

verduisterde oogen straalden met den ouden glans--gereinigd waren zij

van hare afzichtelijke krankte. Nu voelden zij zich ook naar den geest

herleven, nameloos geluk doortrilde haar.

Van deze genezing was, behalve Amrah, nog iemand anders getuige. Zooals

wij weten was Ben-Hur den Nazarener zooveel mogelijk gevolgd, en die

zich de gesprekken van den vorigen avond herinnert, zal zich niet

verwonderen, dat hij bij den stoet was, die den Rabbi begeleidde. Hij

was getuige van de bede der melaatsche, hij zag de vreeselijke sporen

der ziekte op haar gelaat, hij hoorde het antwoord, dat zij ontving,

en hoewel hij reeds meer dan eens tegenwoordig geweest was bij zulke

genezingen, hadden zij nog niets van hare belangwekkendheid voor hem

verloren. Daarenboven was de strijd in zijn binnenste met betrekking tot

de zending van den Nazarener nog altijd niet beslist. Daarom liet hij

den stroom voorbij gaan, en zette zich op een steen aan den weg neder,

om te zien hoe de genezing in haar werk zou gaan.

Van zijne plaats wierp hij dezen en genen een blik van verstandhouding

toe, Galileërs, die onder hunne lange gewaden het korte zwaard verborgen

droegen. Toen allen voorbij waren naderde hem een Arabier met twee

paarden.

--Blijf hier staan, zeide Ben-Hur, hem tot zich wenkend. Aldebaran zal

mij straks met verdubbelden spoed naar de stad brengen.

Hij liefkoosde het schoone dier en keerde zich toen om, ten einde de

twee vrouwen te gaan toespreken, in wie hij het grootste belang stelde,

als toonbeelden eener bovenaardsche wondermacht. Voortgaande keek hij

toevallig naar de witte rots en zag een welbekende gedaante staan, het

gelaat in de handen verborgen.

--Wat! zeide hij, staat Amrah daar?--en liep regelrecht op haar toe.

Amrah! wat doet gij hier?

Daar zag de oude vrouw op, viel voor hem neer op de knieën, verblind

door tranen, bijna sprakeloos door diepe ontroering.

--O, meester, hoe goed is God!

Een onverklaarbaar voorgevoel zeide hem, dat hare tegenwoordigheid op de

eene of andere wijze met die der beide vrouwen in verband stond. Hij

keerde zich haastig om, en bleef als aan den grond genageld staan. Het

was alsof zijn hart ophield te kloppen, hij kon geen woord uitbrengen.

De vrouw, die hij met den Nazarener had zien spreken, stond daar met

gevouwen handen, terwijl de tranen haar over de wangen stroomden. De

verandering, die zij ondergaan had, zou op zichzelf reeds zijne

verbazing gerechtvaardigd hebben, maar er was nog een andere reden. Was

het een zinsbegoocheling? of was er een treffende gelijkenis tusschen

die vrouw en zijne moeder? Zóó had zij er uitgezien op dien morgen, toen

de Romein haar uit zijne armen rukte! Alleen het haar begon hier en daar

te grijzen, maar dat liet zich hierdoor verklaren, dat de macht, welke

het wonder gewrocht had, de verloopen jaren in aanmerking had genomen.

En die andere naast haar? Tirza? Schoon en liefelijk, alleen wat ouder

dan op dien laatsten morgen, toen zij voor hem zong. Hij had beiden

reeds lang dood gewaand, en de tijd had zijne smart gelenigd. Hij

betreurde haar nog altijd, maar zij waren uit zijne droomen en plannen

voor de toekomst weggevallen.

Zijne oogen niet geloovende, greep hij Amrah bij den arm en riep: Zeg

mij toch of ik goed zie!

--Ja, ja, spreek maar tot haar!

Nu aarzelde hij niet langer, maar vloog naar haar toe met den kreet:

Moeder, beste moeder, hier ben ik!

In het volgend oogenblik waren de zoo wreed gescheiden weer vereenigd,

en omhelsden elkander innig.

Toen de eerste vreugde bedaard was, zeide de moeder: Kinderen, laat ons

God danken! Laat ons het nieuwe leven beginnen met erkenning van Hem,

die ons dit geluk bereidt.

Zij knielden neder, Amrah volgde hun voorbeeld, en als een jubelpsalm

rees het gebed der begenadigde vrouw omhoog.

Daarna vraagde zij: Wat nu, mijn zoon? Waar zullen wij naar toe gaan?

--Ja, zeide Juda, tot de werkelijkheid teruggeroepen, wij hebben nog een

plicht te vervullen.

Hoezeer hij ook verlangde haar naar huis te brengen, en hare

geschiedenis te hooren, hij bedwong zijn ongeduld, en herinnerde haar

hetgeen de Wet van herstelde melaatschen eischte. Toen riep hij den

Arabier tot zich, en beval hem de paarden naar de poort van Bethesda

te brengen en daar op hem te wachten. Vervolgens begaven zij zich

gezamenlijk op weg naar den Berg der Ergernis; maar o! hoe anders was

de wandeling ditmaal. Zij konden zich snel en gemakkelijk bewegen, en

bereikten weldra een nieuw uitgehouwen graf naast dat van Absalom. Daar

het leeg was, namen de vrouwen er bezit van, terwijl Ben-Hur verder ging

om zoo spoedig mogelijk de noodige maatregelen te treffen.

* * * * *

VIJFDE HOOFDSTUK.

ONGEDULD.

Een paar uren later sloeg hij dicht bij de graven der Koningen twee

tenten op, die hij zoo gemakkelijk mogelijk inrichtte. Daarheen bracht

hij moeder en zuster, totdat zij van den priester een getuigschrift van

volkomen herstel zouden gekregen hebben.

Intusschen was de jonkman door dit verkeer volgens de wet zelf onrein

geworden, zoodat hij zich onthouden moest van elke deelneming, hoe

gering ook, aan het ophanden zijnde feest. Hij kon bij zijne geliefden

in de tenten blijven. Wat hadden zij elkander veel te vertellen! Onder

het luisteren naar het lijdensverhaal zijner moeder dwong hij zich tot

kalmte, maar zijn bloed kookte, en zijn dorst naar wraak werd steeds

grooter.

In deze stemming ontwierp hij de dolste plannen. De gelegenheden van

de heirwegen drongen zich aan hem op: hij zou een opstand in Galilea

verwekken, of met zijne strijdbare mannen Romeinsche reizigers op de

wegen overvallen; zelfs de zee, anders zijn schrikbeeld, werd hem door

zijne verbeelding voorgehouden, als een geschikt terrein tot plundering

van galeien en kooplieden. Maar zijn beter oordeel behield de overhand

boven een oogenblikkelijken hartstocht. Telkens weder kwam hij tot de

oude slotsom--dat slechts een oorlog van geheel Israël tegen Rome iets

zou kunnen uitrichten; en al zijne overleggingen, zijn vragen en hopen,

keerden tot hun uitgangspunt terug ... den Nazarener. Als die maar wilde

opstaan en den volke toeroepen: Hoor, Israël! Ik ben de van God

beloofde, de geboren koning der Joden! Ik kom om te heerschen zooals de

profeten gesproken hebben. Staat op als een eenig man, en brengt de

wereld aan uwe voeten!

Als de Nazarener zóó optrad, dan zou men wat zien gebeuren! Hoe zouden

de bazuinen schallen om de massa ten strijde te roepen! Zou de Nazarener

het doen?

In zijn verlangen om het werk te beginnen verloor Ben-Hur de tweeledige

natuur van den Godsgezant uit het oog, en dacht niet aan de mogelijkheid,

dat het goddelijke in hem het menschelijke zou kunnen te boven gaan. In

het wonder aan zijne moeder en Tirza gewrocht zag hij eene macht groot

genoeg, om een Joodschen troon op te richten en te handhaven, eene macht

groot genoeg, om de maatschappij te hervormen, en de menschheid tot één

geheiligd gelukkig gezin te vereenigen. Was het eenmaal zoo ver, dan zou

niemand durven loochenen, dat het een den Zone Gods waardig werk geweest

was.

Intusschen waren bij de beek Kedron in de nieuwe stadswijk Bezetha,

voornamelijk langs de wegen naar de Damascuspoort, allerlei tijdelijke

verblijfplaatsen voor de feestgangers opgeslagen. Ben-Hur bezocht de

vreemdelingen, onderhield zich met hen, en verwonderde zich dagelijks

meer over hun groot aantal. Toen hij daarenboven tot de ontdekking kwam

dat alle deelen der wereld vertegenwoordigd waren ... de beide kusten der

Middellandsche zee, Indië, de noordelijke provinciën van Europa ... toen

hij bedacht dat die lieden, ofschoon zij hem menigmaal begroetten in een

taal, die ver afgeweken was van het oude Hebreeuwsch der vaderen, toch

allen hetzelfde doel beoogden, drong zich een nieuw denkbeeld aan hem

op. Zou hij misschien den Nazarener verkeerd begrepen hebben? Zou hij

misschien onder den schijn van geduldig wachten in het geheim alles

hebben voorbereid, om zoodoende zijne geschiktheid voor de roemrijke

taak die hem wachtte te bewijzen? De gelegenheid die zich thans aanbood

was veel geschikter, dan toen de Galileërs hem bij het meer Genesareth

met geweld koning hadden willen maken. Toen zouden hem slechts een paar

duizend menschen bijgevallen zijn, heden zouden millioenen aan zijne

roepstem gehoor geven.

Dezen gedachtengang volgende kwam Ben-Hur tot het besluit, dat de

Nazarener achter zijn zachtmoedig voorkomen en onbegrijpelijke

zelfverloochening staatkundige plannen verborg.

Herhaaldelijk kwamen ernstig, door de zon gebruinde mannen Ben-Hur aan

de tent bezoeken. Hij ontving hen altijd alleen, en als zijne moeder hem

vroeg wie dat waren, antwoordde hij steeds: Goede vrienden uit Galilea.

Door hen kwam hij op de hoogte van alles wat de Nazarener deed, en van

de plannen zijner vijanden, zoowel rabbijnen als Romeinen. Hij wist dat

het leven van zijn held bedreigd werd, maar hij kon niet gelooven, dat

iemand tijdens het feest een aanslag zou durven wagen. Zijn groote roem

en populariteit, de aanwezigheid van zoovele vreemden in en rondom de

stad waarborgden, meende hij, de veiligheid van den Nazarener. Maar

bovenal rustte zijn vertrouwen op de wondermacht van den Christus. De

zaak uit een zuiver menschelijk oogpunt beziende, hield hij het voor

onmogelijk, dat de bezitter van zulk eene macht over leven en dood, zoo

dikwijls aangewend ten bate van anderen, haar niet voor zichzelven zou

gebruiken.

Het was volgens onze tijdrekening de vijfentwintigste Maart. Aan den

avond van dien dag kon Ben-Hur zijn ongeduld niet langer bedwingen en

reed naar de stad, met de belofte van spoedig te zullen terugkeeren.

Zijn paard was flink en draafde lustig voort. De huizen, die hij

voorbijreed, waren leeg, de vuren voor de tenten waren uitgedoofd, de

weg was eenzaam en verlaten, want het was de avond vóór het feest en het

volk was naar den Tempel gestroomd, om de paaschlammeren te slachten,

wier bloed door de priesters opgevangen en naar de altaren gebracht

werd. Door de groote Noordpoort reed Ben-Hur Jeruzalem binnen, het

heerlijke roemrijke Jeruzalem, zooals het vóór de verwoesting was.

* * * * *

ZESDE HOOFDSTUK.

ONTMASKERD.

Ben-Hur stapte af voor de deur eener herberg, waar hij zijn paard in de

hoede van zijn Arabischen bediende achterliet. Met haastigen stap ging

hij naar huis, en vraagde allereerst naar Malluch; toen die niet thuis

bleek te zijn naar Balthasar en Simonides. Het antwoord luidde, dat de

beide grijsaards zich in draagstoelen naar buiten hadden laten brengen,

om ook iets van het feest te zien.

Terwijl hij nog met den knecht sprak, werd het gordijn voor de deur

weggeschoven, en trad Iras binnen, waarop de bediende heenging.

Door de gebeurtenissen der laatste dagen geheel in beslag genomen, had

Ben-Hur weinig aan de schoone Egyptische gedacht, maar zoodra hij haar

zag, liet de oude invloed zich weder gelden. Vroolijk ging hij haar te

gemoet, maar bleef op eens verbaasd staan. Tot nog toe had zij hem

onverholen hare genegenheid betoond. Maar nu! Een vreemde had zij niet

koeler kunnen ontvangen.

--Gij komt juist bijtijds, zoon van Hur, zeide zij. Ik wilde u dank

zeggen voor uwe gastvrijheid, want na morgen zal ik niet meer in de

gelegenheid zijn dat te doen.

Ben-Hur maakte een lichte buiging zonder zijne oogen van haar af te

wenden.

--Ik weet, dat het onder dobbelaars gewoonte is, vervolgde zij, na

afloop van het spel de rekening op te maken, en den gelukkigen winner te

bekronen. Wij hebben een spel gespeeld, het heeft vele dagen en weken

geduurd. Waarom zouden wij, nu het uit is, niet eveneens nagaan wie van

ons den krans moet hebben?

Niet recht wetende wat hij van haar denken moest antwoordde Ben-Hur

luchtig: Als een vrouw op het een of ander haar zinnen gezet heeft, moet

een man haar daarin ter wille zijn.

--Zeg mij, zeide zij met een onaangenaam lachje, zeg mij, Vorst van

Jeruzalem, waar is hij, de zoon des timmermans van Nazareth, van wien

men onlangs zulke groote verwachtingen had?

Met een gebaar van ongeduld antwoordde hij: Ik ben zijn bewaker niet.

--Heeft hij Rome al omvergeworpen?

Toornig wilde Ben-Hur antwoorden, maar zij vervolgde: Waar heeft hij

zijn zetel opgeslagen? En zijn paleis? Hij heeft wel dooden opgewekt,

het zou hem dus geen moeite kosten als met een tooverslag een gouden

huis te doen ontstaan. Hij behoeft maar met den voet te stampen en één

woord te spreken, en het huis staat daar, zoo mooi, als men het slechts

verlangen kan.

Hij behoefde er niet meer aan te twijfelen, dat zij in ernst sprak. De

vragen waren beleedigend, haar toon en houding bepaald onvriendelijk.

Hij voelde, dat hij voorzichtig moest zijn, en zeide zacht: Laat ons nog

een dag, desnoods nog een week wachten, voordat wij oordeelen.

Zonder op zijne woorden te letten vervolgde zij: En hoe komt het, dat ik

u in zulk eene kleeding zie? Dat is niet de dracht der stadhouders van

Indië, of van onderkoningen, waar dan ook. Ik heb eenmaal een Perzisch

satraap gezien. Hij droeg een zijden tulband en een mantel van

goudlaken; het gevest en de scheede van zijn zwaard glinsterden van

kostbare edelsteenen. Ik dacht dat Osiris hem iets van den glans der zon

had afgestaan. Ik vrees, dat gij nog niet in uwe heerschappij bevestigd

zijt, de heerschappij, die ik met u zou deelen.

--De dochter van mijn wijzen gast is vriendelijker dan zij zelve

vermoedt; zij doet mij zien, dat Isis een hart kan kussen zonder het

beter te maken.

Hij sprak met koude hoffelijkheid en Iras antwoordde, al spelende met

haar halsketting: De zoon van Hur is zeer slim. Ik zag uw droomenden

koning zijn intocht in de stad houden. Gij hadt ons gezegd, dat hij zich

op dien dag tot koning der Joden zou laten uitroepen. Ik zag een hem

begeleidenden stoet van den berg afdalen, en hoorde hun gezang. 't Was

een mooi gezicht, die wuivende palmtakken. Ik zocht naar een koninklijke

verschijning in hun midden: een ruiter in het vorstelijk purper, of een

statigen krijger in een strijdwagen, met schild en speer gewapend. Ik

zocht naar zijn lijfwacht. Het zou mij goed hebben gedaan een vorst van

Jeruzalem aan het hoofd eener kohorte van de Galileesche legioenen te

zien!

Zij wierp haren toehoorder een uitdagenden blik toe, en lachte toen

luid, alsof zij in den geest iets zeer belachelijks aanschouwde.

--In stede van een triomfeerenden Sesostris, vervolgde zij, of van een

gewapenden Cesar, hahaha! zag ik een man met tranen in de oogen op een

ezelsveulen gezeten. De koning! de Zoon van God! de Verlosser der

wereld! Hahaha!

In spijt van zichzelven kon Ben-Hur zijn verlegenheid niet verbergen.

Voordat hij zich hersteld had, ging zij voort: Toch verliet ik mijne

plaats niet, Vorst van Jeruzalem. Evenmin lachte ik. Ik zeide tot

mijzelve: Geduld! In den Tempel zal hij zich in zijne ware gedaante

vertoonen, zooals dat een held betaamt, die de wereld in bezit gaat

nemen. Ik zag hem de poort van Suzanna binnengaan. Ik zag hem stilhouden

voor de Schoone Poort. Duizenden menschen stonden in de voorhoven van

den Tempel, op de trappen; allen wachtten in hooge spanning op zijne

proclamatie. In mijne verbeelding hoorde ik de steunsels van het

machtige Rome kraken. Hahaha! O Vorst! bij de ziel van Salomo, uw koning

wikkelde zich dichter in zijn overkleed en wandelde weg, zonder zijn

mond geopend te hebben, en ... het Romeinsche rijk bestaat nog.

Geen vertoogen van Balthasar, geen wonderen voor zijn oogen verricht,

hadden vermocht wat het door Iras geschilderde tafereel uitwerkte.

Dat zich afwenden van de Schoone Poort--gaf de Nazarener zelf daarmede

niet duidelijk te kennen, dat hij het door-hem op te richten koninkrijk

niet beschouwd wilde hebben als een aardsch koninkrijk?

--Dochter van Balthasar, zeide hij waardig, als dit het spel is, waarvan

gij spraakt, neem den krans; ik moet hem u toekennen. Laat ons echter

een einde maken aan dit woordenspel. Dat gij er een doel mede hebt,

geloof ik zeker. Spreek het vrij uit en ik zal u antwoorden. Daarna

kunnen wij ieder zijn eigen weg gaan, en vergeten dat wij elkander ooit

ontmoet hebben. Spreek! Ik luister--indien gij ten minste een anderen

toon wilt aanslaan.

Zij zag hem een oogenblik onderzoekend aan, overleggende wat zij doen

zou, misschien ook om zijn wilskracht te beproeven, en zeide toen

koeltjes: Gij kunt vertrekken. Ga!

--Vrede zij u, antwoordde hij, en ging naar de deur. Toen hij er vlak

bij was, riep zij hem terug.

--Nog één woord.

Hij bleef staan, en zag om.

--Bedenk dat ik alles van u weet.

--Waarin bestaat dat alles? vraagde hij terugkomende.

Zij zag hem aan met verstrooiden blik.

--Gij hebt meer van een Romein, zoon van Hur, dan een uwer Joodsche

broederen.

--Ben ik zoo verschillend van mijne landgenooten? vraagde hij

onverschillig.

--De halfgoden zijn allen Romeinen, zeide zij.

--Is dat alles wat gij van mij weet?

--De gelijkenis is niet voor mij verloren. Het zou er mij toe kunnen

brengen u te redden.

--Mij te redden?

Haar vingers speelden met het sieraad aan haren hals en haar stem klonk

innemend en zacht; maar het trappelen van haar voetje maande hem tot

voorzichtigheid.

--Er was een Jood, een ontvluchte galeislaaf, die een man doodde in het

paleis Idernee, zeide zij langzaam.

Ben-Hur ontstelde.

--Diezelfde Jood versloeg hier in Jeruzalem op het voorplein van het

praetorium verscheidene Romeinsche soldaten, diezelfde Jood heeft onder

zijne bevelen drie welgeoefende legioenen uit Galilea, om hedennacht den

Romeinschen procurator gevangen te nemen; diezelfde Jood heeft alles

voorbereid tot een oorlog met Rome, en Sheik Ilderim is een van zijne

bondgenoten.

Nog dichterbij komende, fluisterde zij: Gij hebt in Rome gewoond.

Gesteld dat deze dingen gefluisterd werden in ooren, die wij kennen?

Aha! gij verschiet van kleur?

Hij ging een stap achteruit met de uitdrukking op het gelaat van een

man, die, meenende met een poes te spelen, onverwacht een tijgerjong

voor zich ziet.

Zij vervolgde: gij zijt bekend aan het hof, gij kent den machtigen

Sejanus. Gesteld dat hem werd medegedeeld, dat diezelfde Jood de rijkste

man is van het Oosten, ja van het geheele keizerrijk, dan zouden de

visschen van den Tiber waarschijnlijk wel op iets anders onthaald

worden, dan op hun gewone voedsel, niet waar? En welke prachtige

voorstellingen zouden daarna in den Circus gegeven worden! Het

Romeinsche volk te vermaken is een schoone kunst, maar het geld te

verzamelen, om het te kunnen blijven vermaken, is nog grooter kunst; en

heeft ooit eenig kunstenaar daarin Sejanus geëvenaard?

Ben-Hur wendde al zijne zelfbeheersching aan, om kalm te blijven, en

zeide bedaard: Welaan, dochter van Egypte, dank zij uwe listigheid hebt

gij mij in uwe macht, 't Zal u zeker genoegen doen mij te hooren

bekennen, dat ik geen genade van u verwacht. Ik zou u kunnen dooden;

doch gij zijt eene vrouw. De woestijn is bereid om mij te ontvangen, en

ofschoon de Romeinen uitstekende menschenjagers zijn, zouden zij mij

daar toch lang en ver moeten zoeken, voordat ze mij vingen; want de

wildernis herbergt duizenden trouwe, gewapende mannen. Maar al hebt gij

mij in uwe netten weten te krijgen--dwaas die ik was! één antwoord zijt

gij mij schuldig: Wie heeft u dat alles aangaande mij verteld?

Vluchteling of banneling, het zal mij een troost zijn mijnen verrader

den vloek na te laten van een man, wiens leven niets dan ellende heeft

gekend. Wie heeft u dat alles aangaande mij medegedeeld?

Was het een kunstgreep, was het oprecht gemeend,--de uitdrukking van

Iras' gelaat werd zachter.

--In mijn vaderland vindt men kunstenaars, die schilderijen maken van

veelkleurige schelpjes, welke zij aan het strand der zee vonden, en in

stukken sloegen, om ze daarna tot één geheel samen te voegen. Ziet gij

niet wat zij, die een geheim willen uitvorschen, daaruit kunnen leeren?

Het zij u genoeg te weten, dat ik van den een dit, van den ander dat

vernam, en weldra een geheel kon samenstellen, dat mij meesteres maakte

van het fortuin en het leven van een man met wien ... ik niet recht weet

wat ik doen zal.

--Neen, dat is mij niet genoeg, zeide Ben-Hur onbewogen. Morgen zult gij

wel weten wat gij met mij doen zult ... mij misschien vermoorden.

--Dat is zoo, antwoordde zij snel en met nadruk. Nu dan. Enkele dingen

vernam ik door Sheik Ilderim, toen hij op zekeren avond met mijn vader

een onderhoud had in de woestijn. 't Was stil, heel stil, en de wanden

eener tent zijn, om de waarheid te zeggen, geen voldoende beschutting

tegen ooren, die daar buiten luisteren naar den vleugelslag van

nachtvlinders. Andere bijzonderheden kreeg ik van....

--Welnu? van wien?

--Van den zoon van Hur zelf.

--Heeft niemand anders er toe bijgedragen?

--Neen, niemand.

Ben-Hur slaakte een zucht van verlichting en zeide: Dank voor uwe

mededeeling. Het zou niet beleefd zijn den machtigen Sejanus op u te

laten wachten. Vaarwel!

Tot nog toe had hij met ongedekten hoofde voor haar gestaan; nu nam hij

den doek, die over zijn arm hing, schikte zich dien om het hoofd en

wilde zich verwijderen. Maar zij hield hem tegen, en stak in haren ijver

de hand naar hem uit.

--Blijf! zeide zij.

Hij zag haar aan zonder echter de aangeboden hand te nemen, en begreep

uit hare geheele manier van doen, dat het voornaamste nog komen moest.

--Blijf, en geloof vrij, dat ik weet waarom de edele Arrius u tot zijn

erfgenaam maakte. Bij alle goden van Egypte, ik beef als ik er aan denk,

dat gij, zoo dapper en edelmoedig, den onbarmhartigen Sejanus in handen

zoudt vallen. Gij hebt een gedeelte van uw jeugd in de atria der groote

wereldstad doorgebracht, bedenk wat in tegenstelling daarmede de

woestijn voor u zijn moet. O, ik heb medelijden met u! En als ge doen

wilt wat ik zeg, zal ik u redden. Dat zweer ik u bij onze heilige Isis!

Het vuur, waarmede zij gesproken had, deed haar aangezicht gloeien;

zelden had hij haar zoo schoon gezien.

--Eenmaal hadt gij een vriend, vervolgde zij. Gij waart toen nog een

knaap. Op zekeren dag kreegt gij twist en werdt vijanden. Vele jaren

later zaagt gij hem in den circus te Antiochië.

--Messala!

--Ja, Messala. Gij waart zijn schuldeischer. Laat het verledene vergeven

en vergeten zijn; schenk hem uwe vriendschap weder; geef hem zijn geld

terug, dat hij bij de groote weddenschap verloor; red hem! De zes

talenten zijn voor u zoo goed als niets, niet zooveel als het afvallend

blad van een lommerrijken boom; maar voor hem.... Ach, hij gaat daarheen

met een verbrijzeld lichaam! O Ben-Hur, edele vorst! voor een Romein als

hij, uit een edel geslacht gesproten, is armoede nog erger dan de dood.

Red hem, ach, red hem!

Als de snelheid, waarmede zij sprak, dienen moest, om hem het nadenken

te beletten, dan vergiste zij zich deerlijk. Zijne gevoelens ten

opzichte van Messala waren voor geene wijziging vatbaar. Het was hem,

alsof hij zijn vijand over haar schouder naar hem zag gluren, met de

oude trotsche, overmoedige uitdrukking.

--Messala krijgt van mij niets, sprak hij vastberaden. Als Romein

veroordeel ik den Romein. Maar zeg mij, zond hijzelf u tot mij met dit

verzoek?

--Hij heeft een edele natuur en beoordeelde u daarnaar.

--Zeg mij, gij, die hem zoo goed schijnt te kennen, zeg mij, zou hij in

het omgekeerde geval voor mij doen wat hij nu van mij vraagt? Antwoord

ter wille van de waarheid!

--O, begon zij, hij is....

--Een Romein, wilt gij zeggen; en gij bedoelt daarmede, dat ik, een

Jood, niet moet eischen, dat een en dezelfde maatstaf gebruikt zal

worden voor hem en voor mij. Dus omdat ik een Jood ben, moet ik hem

mijne winst laten, omdat hij een Romein is. Als gij nog meer te zeggen

hebt, dochter van Balthasar, spreek dan, want waarlijk! moest mijn bloed

nog tot grooter kookhitte komen, dan zou ik in u misschien niet langer

eene vrouw zien, maar de spion van den Romein. Spreek dus, maar maak het

kort.

Zij ging een stap achteruit. Uit hare oogen en stem sprak al de boosheid

van hare natuur.

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 29 / 32 段