De koopman hief het hoofd op en zeide: Vraag het Balthasar. Wat hij wil

is mij goed. Hij zit in den draagstoel.

Ben-Hur schoof het gordijn open. De Egyptenaar lag achterover; zijn

vermagerd gelaat was zeer vervallen, hij geleek een doode. Ben-Hur

herhaalde zijn voorstel.

--Kunnen wij hem zien? vraagde Balthasar.

--Den Nazarener? Ja, hij moet hier langs komen.

--O God, riep de oude man bewogen, nog eenmaal moet ik hem zien! Welk

een vreeselijke dag is dit voor de wereld.

Een oogenblik later stond het geheele gezelschap in de schaduw van het

huis. Zij spraken weinig, waarschijnlijk waren zij bevreesd elkander

hunne gedachten mede te deelen. Eindelijk kwam de stoet in 't gezicht.

--Zie, zeide Ben-Hur op bitteren toon, die nu komen zijn Jeruzalemmers.

De voorhoede bestond uit een hoop kwajongens, die luid schreeuwden: De

koning der Joden! Plaats voor den koning der Joden!

Simonides sloeg den joelenden troep een oogenblik gade en zeide ernstig:

Als dezen tot hunne erfenis ingaan, dan, wee de schoone stad van Salomo!

Een afdeeling soldaten in volle wapenrusting volgde, in koele

onverschilligheid rechts noch links ziende.

Toen kwam de Nazarener.

Hij scheen den dood nabij te zijn. Telkens dreigde hij neer te zinken.

Zijne bloote voeten lieten bloederige sporen achter op de straatsteenen.

Een houten plankje met opschrift was hem om den hals gebonden. Een

kroon, van doornen gevlochten, was hem diep op het hoofd gedrukt, en uit

de daardoor veroorzaakte wonden druppelde bloed. Zijn handen waren

saamgebonden. Even buiten de stad was hij uitgeput neergevallen,

bezweken onder den last van het zware kruishout, dat een ter dood

veroordeelde verplicht was zelf te dragen naar de plaats der

terechtstelling.

Thans droeg een man uit het volk het voor hem. Vier soldaten gingen

naast den gevangene, om hem te beveiligen tegen de menigte, die

niettegenstaande dat toch bij tijd en wijle wist door te breken, om hem

met stokken te slaan en te bespuwen. Geen geluid ontsnapte aan zijnen

mond, geen berisping of klacht liet hij hooren; ook zag hij niet op,

totdat hij bij het huis kwam, waar Ben-Hur en zijne vrienden stonden te

wachten.

Esther drukte zich tegen haren vader aan, en hij, de man zoo gewoon zich

te beheerschen, beefde sterk van ontroering. Balthasar viel sprakeloos

achterover. Zelfs Ben-Hur riep in zielsangst uit: O Heere God!

Alsof de Nazarener hunne gevoelens raadde, of den uitroep hoorde, keerde

hij zijn lijdend gelaat naar het gezelschap, en zag hen aan, ieder

afzonderlijk. Die blik bleef hun levenslang bij. Zij gevoelden, dat hij

aan hen dacht, niet aan zichzelf, dat de brekende oogen hun den zegen

toebaden, dien hij niet vermocht uit te spreken.

--Waar zijn uwe legioenen, zoon van Hur? vraagde Simonides plotseling

opwakend.

--Daar kan Annas u beter op antwoorden dan ik.

--Wat! Zijn zij u afgevallen?

--Op deze twee na.

--Dan is alles verloren! Dan moet deze rechtvaardigen mensch sterven.

Het gelaat van Simonides werd zenuwachtig vertrokken, terwijl hij sprak.

Hij liet het hoofd zinken. Met al zijne kracht had hij Ben-Hur gesteund

in zijne onderneming, dezelfde hoop had hem daarbij gedragen--nu werd

haar voorgoed de bodem ingedrukt.

Op den Nazarener volgden twee mannen, die insgelijks een kruis droegen.

--Wie zijn dat? vraagde Ben-Hur aan de Galileërs.

--Twee moordenaars, die veroordeeld zijn om met den Nazarener te sterven.

Vooraan in de volgende afdeeling ging de tempelwacht, dan volgden naar

rang de leden van het Sanhedrin, voorts een groote menigte priesters in

lange witte gewaden, met breede kleurrijke gordels.

--Zie eens hoeveel priesters! zeide Ben-Hur.

--Ja! antwoordde Simonides. Nu ik er die allen bij zie, ben ik overtuigd.

Nu staat onomstootelijk bij mij vast, dat de veroordeelde, die daar

heengaat met het opschrift om den hals, werkelijk degeen is, waarvoor

het opschrift hem uitgeeft: De koning der Joden. Een gewoon mensch, een

bedrieger, een misdadiger, werd nimmer zulk een uitgeleide gegeven. Want

ziet! hem volgen de volken, Jeruzalem en Israël. Kon ik maar opstaan en

hem navolgen!

Ben-Hur luisterde in stomme verbazing toe. Alsof Simonides toen eerst

gewaar werd, dat hij zich tegen zijne gewoonte door zijn gevoel had

laten meeslepen, zeide hij op ongeduldigen toon: Vraag wat Balthasar er

van denkt, bid ik u, en laat ons gaan. Daar komt het gepeupel van

Jeruzalem aan.

Toen sprak Esther: Ik zie daar eenige vrouwen, zij loopen te weenen. Wie

zijn dat?

Haar vingerwijzing volgend zagen zij vier vrouwen, die bitter bedroefd

volgden. Eene van haar leunde op den arm van een man met een zacht en

vriendelijk uiterlijk.

Ben-Hur antwoordde: Die man is de discipel, van wien de Meester het

meest houdt. De vrouw, die op zijn arm leunt, is Maria, de moeder van

den Nazarener; de anderen zijn vriendinnen uit Galilea.

Met oogen vol tranen zag Esther de schreiende vrouwen na, totdat zij uit

het gezicht verdwenen waren.

--Kom, zeide Simonides, laat ons verder gaan.

Ben-Hur hoorde hem niet, hij was te zeer getroffen door de tegenstelling:

de woeste, bloeddorstige menschenmassa tegenover de zachtmoedigheid van

den Nazarener, die het land was doorgegaan goeddoende, zieken genezende,

armen weldoende. Plotseling schoot hem door de ziel hoeveel hijzelf aan

dien man verplicht was. Hij dacht aan dien morgen, toen hijzelf een

gevangene was, in de macht van Romeinsche soldaten, en ook, zooals hij

meende, een zekeren, vreeselijken dood tegemoet ging. De verfrisschende

dronk water, dien de Nazarener hem gereikt had aan de bron van Nazareth,

de goddelijke uitdrukking van zijn gelaat, de wonderlijke genezing van

zijne moeder en Tirza op Palmzondag, dat alles stond hem weer zoo helder

voor oogen. De gedachte dat hij onmachtig was, om nu op zijne beurt hulp

te brengen, deed hem pijn. Heftige zelfbeschuldigingen kwelden hem. Hij

had de Galileërs beter moeten bewaken, hun hunne plichten onder 't oog

moeten brengen, want nu, ach nu, was het oogenblik van handelen daar!

Als hij nu zijn slag kon slaan, zou het gepeupel uiteenstuiven, de

Nazarener de vrijheid herkrijgen, Israël te wapen vliegen en de kamp om

Israëls vrijheid eindelijk gestreden worden. De kostbare tijd verliep,

de gunstige gelegenheid ging voorbij, misschien voor altijd! O God van

Abraham! Kon er dan niets gedaan worden? Niets?

Op dat oogenblik werd zijne aandacht getrokken door een troepje

Galileërs. Hij baande zich een weg door de menigte en haalde hen in.

--Volgt mij, riep hij. Ik heb u wat te zeggen.

Zij gehoorzaamden en volgden hem naar zijne schuilplaats. Daar sprak hij

tot hen: Gijlieden behoort tot degenen, die een zwaard van mij hebt

ontvangen. Gij hebt u bereid verklaard om voor de vrijheid, voor den

koning, die komen zou, ten strijde te trekken. Gij hebt uwe wapenen bij

u. Nu is het tijd om ze te gebruiken. Gaat, roept onze broederen bijeen,

en zegt hun, dat ik u allen op Golgotha wacht, om voor den Nazarener in

de bres te springen. Haast u! De Nazarener is de koning, en de vrijheid

sterft met hem.

Zij zagen hem eerbiedig aan, maar verroerden zich niet.

--Verstaat gij mij niet? vraagde hij ongeduldig.

Toen antwoordde een van hen: Zoon van Juda, gij zijt de bedrogene, niet

wij, die van u de wapenen ontvingen. De Nazarener is de koning niet, en

heeft ook niet den geest van een koning. Wij waren tegenwoordig bij zijn

intocht in Jeruzalem, wij zagen hem in den Tempel, hij is ons en Israël

bitter tegengevallen. Bij de Schoone Poort keerde hij God den rug toe en

weigerde den troon van David in bezit te nemen. Hij is geen koning en

Galilea, volgt hem niet. Hij moet sterven. Maar luister, zoon van Juda.

Wij hebben uwe wapenen en zijn bereid het zwaard te trekken om voor de

vrijheid te strijden. Laat het zijn voor de vrijheid! Dan scharen wij

ons op den kruisheuvel allen rondom u.

Ben-Hur stond op een tweesprong. Had hij dit voorstel aangenomen, den

vrijheidsoorlog begonnen, de wereldgeschiedenis zou misschien anders

geworden zijn dan zij is; maar dan ook zou zij door menschen, niet door

God geregeld zijn--iets dat nooit was, en nooit zijn zal. Hij geraakte

een oogenblik in verwarring; een onverklaarbaar gevoel beving hem,

hoewel hij het later aan den invloed des Nazareners toeschreef; want

toen deze uit den doode was opgestaan, begreep hij dat zijn dood noodig

was geweest, om het geloof aan de opstanding te bevestigen, zonder welk

geloof de christenheid haar grondslag zou missen. Die oogenblikkelijke

verwarring maakte hem ongeschikt om tot een besluit te komen. Hij stond

daar hulpeloos, en kon geen woord uitbrengen. Hij sloeg de handen voor

zijn gelaat en voelde zijn lichaam schokken door den strijd tusschen

zijn wil en een hoogere macht.

--Kom, wij wachten op u! riep Simonides ten vierden male.

Als in een droom volgde hij den stoel en de draagbaar. Esther liep naast

hem. Evenals Balthasar en zijne medereizigers in de woestijn werd thans

ook hij voortgeleid door een onwederstaanbaren innerlijken drang.

* * * * *

TIENDE HOOFDSTUK.

HET EINDE.

Toen ons gezelschap den kruisheuvel bereikte, ging Ben-Hur hun voor,

om hun eene plaats te bezorgen. Hoe het hem mogelijk geweest was zich

een weg te banen door de menigte heeft hij nooit geweten, evenmin

langs welken weg er kwam, of hoeveel tijd het hem kostte. Als een

slaapwandelaar, niets hoorende noch opmerkende, was hij voortgegaan.

In zulk een toestand vermocht bij al even weinig als een kind tot

verhindering van de vreeselijke misdaad, waarvan hij getuige zou zijn.

Gods raadsbesluiten zijn dikwijls raadselachtig, zoo ook de middelen,

die Hij kiest, om zijn doel te bereiken.

Op een gegeven oogenblik maakte Ben-Hur halt. Plotseling werd de ban,

die hem gevangen hield, verbroken, en kon hij het tooneel rondom zich

overzien.

De top van den heuvel Golgotha had den vorm van een schedel. Het was er

dor en stoffig, zonder eenigen plantengroei, met uitzondering van enkele

armzalige hysopstengels. De voor de kruisiging bestemde plek was afgezet

door Romeinsche soldaten, die de steeds aangroeiende menschenmassa het

verder voorwaarts dringen moest beletten. Een hoofdman over honderd

voerde het bevel over de soldaten. Ben-Hur was tot aan de uiterste grens

der voor de toeschouwers bestemde ruimte gekomen, en stond met het

gelaat naar het Noordwesten gekeerd. Waarheen hij den blik ook wendde,

in het dal of op de omliggende heuvelen, overal menschen en weder

menschen, duizenden wier harten in gespannen verwachting klopten, niet

voor de twee moordenaars, wier lot hen onverschillig liet, maar voor

hetgeen met den Nazarener gebeuren zou. Duizenden harten sloegen

sneller, hetzij uit haat, uit vrees, of uit nieuwsgierigheid, nu hij,

die hen allen met goddelijke liefde liefhad, voor hen in den dood zou

gaan.

Op den heuvel, te midden van de tempelwacht, stond de priesterschaar,

trotsch en overmoedig. Nog hoogerop den top, zoodat hij voor ieders

oogen zichtbaar was, stond de Nazarener, lijdende, gebogen, stil. Een

der soldaten had hem uit spotlust een riet in de hand gegeven, om als

schepter dienst te doen. Gelach, gejoel, verwenschingen weerklonken van

alle zijden.

Aller oogen waren op den Nazarener gevestigd. Was het uit medelijden, of

uit andere oorzaak--in Ben-Hurs gemoed had een ommekeer plaats.

Duidelijker en steeds duidelijker zag hij dat er iets beters is, dan het

beste van dit leven--iets zooveel beter, dat het een zwakke met kracht

kan aangorden, om het hevigste zielelijden, zoowel als de grootste

lichaamssmarten te verduren; iets dat den dood met blijdschap kan doen

verwachten. Hij moest ten laatste erkennen, dat de Nazarener gekomen

was, om allen, die zich willen laten leiden, over de grens van het

aardsche te voeren in het rijk, dat hem bereid was door God. Het was hem

eensklaps, als hoorde hij weder de woorden van den Nazarener, toenmaals

niet begrepen, en bijna vergeten: Ik ben de Opstanding en het Leven.

Telkens en telkens moest hij die woorden herhalen, zij namen vorm aan en

leven.

--Wie is het Leven en wie is de Opstanding? herhaalde hij, starende op

den lijdenden Meester, en eensklaps was het Ben-Hur, alsof hij

antwoordde: Ik!

Terstond daarop daalde een vrede in zijne ziel, zooals hij nog nooit

gesmaakt had, een vrede, die een einde maakte aan allen twijfel, aan

alle hinken op twee gedachten, en het begin was van geloof en liefde en

een vaste overtuiging.

Het geluid van hamerslagen wekte hem uit deze droomerige stemming. Op

den heuveltop bemerkte hij, wat hem tot nu ontgaan was, eenige

werklieden, die alles voor de kruisiging gereedmaakten. De kuilen waren

reeds gegraven, de palen moesten alleen nog ingedreven worden.

Zeg den lieden, dat zij zich haasten, zeide een der priesters tot den

hoofdman. De veroordeelden moeten voor zonsondergang dood en begraven

zijn, opdat het land niet onrein worde. Dat eischt de Wet.

Een der soldaten trad op den Nazarener toe en bood hem te drinken, maar

hij weigerde. Toen kwam een ander bij hem, nam hem het opschrift van den

hals, en bevestigde dat aan het bovengedeelte van het kruis. Hiermede

waren de voorbereidingen afgeloopen.

De kruisen zijn gereed, zeide de hoofdman tot den priester.

--Laat de godslasteraar het eerst zijne straf ontvangen, antwoordde hij.

De Zoon van God moet zichzelven kunnen redden. Wij zullen zien.

De lieden, die de toebereidselen hadden kunnen gadeslaan, en tot op dit

oogenblik aan hun ongeduld lucht hadden gegeven door onophoudelijk

schreeuwen, zwegen op eenmaal, zoodat een doodelijke stilte ontstond.

Het vreeselijk oogenblik was gekomen: de slachtoffers zouden aan het

kruis genageld worden. Toen de soldaten den Nazarener aangrepen om hem

te kruisigen voer den toeschouwers eene rilling door de leden; zelfs de

ruwsten onder hen beefden. Later beweerden sommigen, dat de lucht

plotseling afgekoeld was en hen deed huiveren.

--Wat is het benauwend stil, fluisterde Esther haar vader toe.

Hij, zich de folteringen herinnerende, die hijzelf ondergaan had, trok

haar tot zich en zeide diep ontroerd: Zie een anderen kant uit, kind,

kijk er niet naar. Wie weet of niet allen, die er naar zien, de

onschuldigen zoowel als de schuldigen, van nu vervloekt zullen zijn.

Zich tot Ben-Hur keerende, zeide hij met toenemende ontroering: Als onze

God zijne hand niet spoedig uitstrekt is Israël verloren, en zijn wij

allen verloren.

Ben-Hur antwoordde kalm: Mijn geest is opgetrokken geweest, en heeft

vernomen waarom dit geschieden moet. De Nazarener wil het, God wil het.

Laat ons stil zijn en bidden.

Toen vestigde hij opnieuw zijne oogen op den heuvel, en het was hem als

vernam hij wederom de woorden: Ik ben de Opstanding en het Leven.

Eerbiedig boog hij het hoofd, alsof werkelijk iemand tot hem gesproken

had.

Intusschen werd daarboven het werk voortgezet. De wacht ontdeed den

veroordeelde van zijne kleeding, zoodat hij naakt stond voor aller oog.

Op den rug zag men nog de bloedige sporen der geeselslagen; toch werd

hij meedoogenloos uitgestrekt op het kruis--eerst de armen op den

dwarsbalk. De nagelen waren scherp, met een paar slagen waren zij door

de handpalmen gedreven. De knieën werden opgetrokken, totdat de

voetzolen tegen den paal rustten, de eene voet werd op den anderen

gelegd, en een nagel door beide gedreven. Dof klonken de hamerslagen.

Zij, die 't niet konden hooren, zagen toch den hamer vallen en beefden

van vrees. Het slachtoffer van deze gruweldaad liet geen kreet, geen

woord van tegenspraak hooren, niets, waarover een vijand kon spotten, of

dat een vriend moest bejammeren.

--In welke richting moet hij zien? vraagde een soldaat.

--Met het aangezicht naar den Tempel, antwoordde een der priesters.

Stervend moet hij zien, dat het heiligdom niet door hem geleden heeft.

De werklieden namen het kruis op en droegen het naar de plaats, waar het

in den grond gezet moest worden. Op een gegeven oogenblik zetten zij het

overeind in den daarvoor bestemden kuil. Daar hing dan nu het lichaam

van den Nazarener in zijn volle zwaarte aan de bloedende handen. Nog

uitte hij geen kreet van smart--alleen een bede kwam over zijne lippen:

Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

Met luid gejuich werd het kruis, thans voor ieder zichtbaar en scherp

tegen de lucht afgeteekend,begroet, en allen, die het opschrift konden

lezen, haastten zich het te ontcijferen. Die het gelezen had, deelde het

aan zijn buurman mede, en zoo ging het van mond tot mond, tot groot

vermaak der menigte. Van alle kanten hoorde men: Wees gegroet, gij

koning der Joden!

De priesters echter, die het gewicht van dit opschrift beter begrepen,

verzochten den hoofdman het te verwijderen, maar tevergeefs; en aldus

moest de stervende Koning noemen op de stad zijner vaderen, die hem zoo

schandelijk ondankbaar had uitgeworpen. Dicht bij het kruis stonden

eenige weenende vrouwen, waaronder zijne moeder met den discipel die hij

liefhad. Hen ziende, riep hij zijne moeder toe: Vrouw, zie uwen zoon. En

tot den discipel: Zie uwe moeder.

Nu werden ook de twee moordenaars gekruisigd, een ter rechterzijde en

een ter linkerzijde van den Koning der Joden. Het volk intusschen spotte

en riep: Ha, als gij de koning der Joden zijt, verlos dan uzelven, en

kom af van het kruis!--Ja, zeide een priester, als hij dat doet, zullen

wij in hem gelooven.--Anderen schudden het hoofd, zeggende: Hij wilde

den Tempel afbreken en in drie dagen weder opbouwen, maar zichzelven kan

hij niet verlossen.--En verder anderen: Hij heeft zichzelven den Zoon

van God genoemd; laat ons zien, of God hem zal redden!--Zoo beschimpte

en hoonde hem het volk, en ook de oversten en de soldaten bespotten hem

en riepen: Indien gij de koning der Joden zijt, zoo verlos uzelven!--Zelfs

een der boosdoeners, die gekruisigd waren, lasterde hem en zeide: Indien

gij de Christus zijt, verlos uzelven en ons!

De omstanders lachten en juichten hen toe, en toen zij zich stilhielden,

om te hooren of er antwoord komen zou, zeide de andere moordenaar:

Vreest gij ook God niet? Wij ontvangen straf naar wat wij gedaan hebben;

maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. De toehoorders waren verbaasd,

maar hunne verbazing zou nog grooter worden; want de moordenaar zeide tot

den Nazarener: Heer, gedenk mijner, wanneer gij in uw koninkrijk komt.

Simonides ontstelde hevig. Wanneer gij in uw koninkrijk komt!... dat was

het punt van verschil tusschen Balthasar en hem, waar zij zoo dikwijls

over gesproken hadden, waar zij het nooit eens over konden worden.

--Hebt gij dat gehoord? vraagde Ben-Hur hem. Het koninkrijk kan dus niet

van deze wereld zijn. Die man getuigt, dat de koning zoo aanstonds zijn

koninkrijk zal binnengaan ... dat is hetzelfde wat ik in mijn droom

hoorde.

--Stil! zeide Simonides, stil, bid ik u! Misschien antwoordt de

Nazarener daar op.

Het antwoord kwam werkelijk. Met luide, heldere stem zeide de koning:

Voorwaar, voorwaar zeg ik u, heden zult gij met mij zijn in het

paradijs!

Simonides luisterde ademloos toe, of er nog wat op volgen zou. Toen

vouwde hij de handen en zeide: 't is genoeg, o Heer, 't is genoeg! De

nevel is opgetrokken. Ik zie met andere oogen, met oogen des geloofs,

zooals Balthasar.

De trouwe dienstknecht had ten laatste zijn loon ontvangen. Werd zijn

verbrijzeld lichaam ook niet geheeld, werd de herinnering van het

doorgestane lijden, van de jaren in bitterheid des gemoeds doorgebracht,

niet van hem genomen--een nieuw licht was voor hem opgegaan, een nieuw

leven had hij leeren kennen, een leven na dit tijdelijke. Paradijs

heette het! Daar zou hij het koninkrijk vinden, waarvan hij gedroomd

had--en den koning. Een volkomen vrede daalde neder in zijn hart.

Onder de priesters echter heerschten verbazing en schrik. Hoe nu? Zij

hadden den Nazarener aan het kruis doen nagelen, omdat hij zich voor den

Messias uitgegeven had; en zie, aan het kruis hield hij niet alleen die

bewering vol, maar beloofde daarenboven nog het Paradijs aan een

misdadiger!... Huns ondanks verbleekten zij. Vanwaar had deze mensch

zijn vertrouwen, zoo hij niet in de Waarheid stond? En de Waarheid--was

dat niet God? Er behoefde niet veel bij te komen om hen allen op de

vlucht te jagen.

De zon had de middaghoogte bereikt. De tempel, de paleizen, de torens

groot en klein, straalden in ongeëvenaarden glans. Eensklaps werd de

lucht verduisterd. In den beginne nauw merkbaar nam de schemering toe en

trok ieders aandacht. Het lachen en spotten verstomde, men zag elkander

vragend aan, men hief de oogen op naar den hemel, men zocht de

zonneschijf, men staarde naar de bergen--overal hetzelfde vreemde

verschijnsel.

--Het is slechts een mist, of een voorbijtrekkende wolk, zeide

Simonides, om Esther gerust te stellen. Het zal dadelijk voorbij zijn.

Ben-Hur was van een ander gevoelen. Het is niet een mist of

voorbijtrekkende wolk, zeide hij. De geesten in de lucht, de profeten en

heiligen verduisteren de zon, opdat de natuur en zijzelven niet langer

het akelig schouwspel zouden zien. Ik zeg u, Simonides, zoo waarachtig

de Heer onze God leeft, hij die daar hangt is de Zoon van God!

Dit gezegd hebbende wendde hij zich tot Balthasar, die op de knieën lag,

en legde de hand op zijnen schouder. Wijze Egyptenaar, hoor mij! Gij

alleen hadt gelijk--de Nazarener is waarlijk Gods Zoon.

Balthasar trok hem tot zich en antwoordde met zwakke stem: Ik zag hem

als een kind in de kribbe liggen, het is dus niet vreemd, dat ik hem

eerder kende dan gij! maar o! dat ik dezen dag beleven moet! Ach, dat ik

met mijne broeders gestorven ware! Gelukkige Melchior! Gelukkige Caspar!

--Wees getroost, zeide Ben-Hur. Misschien zijn zij hier ook tegenwoordig!

De tijd verliep, maar er kwam geen verandering in het geheimzinnig

duister.

--Laat ons naar huis gaan, bad Esther ten tweeden en ten derden male.

God toont ons zijn ongenoegen, vader. Ik ben bang, en wie weet wat er

nog verder gebeuren zal.

Maar Simonides wilde niet; integendeel, toen hij bemerkte, dat vele

menschen heengingen, drong hij er op aan, dat Balthasar en Ben-Hur hem

tot dichter bij het kruis zouden volgen.

De soldaten, die de wacht hielden, gevoelden zich ook niet op hun gemak.

Gedurig zagen zij naar dien éénen kruiseling--een bijgeloovige vrees

beving hen. De priesters en schriftgeleerden stonden dicht opeen

geschaard. Het vreemde natuurverschijnsel bracht een geduchten stoot toe

aan hun zelfvertrouwen. Verscheidene van hen waren goed onderwezen in de

sterrenkunde, en vertrouwd met veel wat de groote massa in die dagen

schrik aanjoeg. Toen het zonnelicht begon te verflauwen toonden zij zich

uitermate verbaasd, en overlegden met elkander wat het wezen kon. Niet

een zonsverduistering, meenden zij, want het was volle maan. En daar

geen van hen een antwoord had op de vraag die aller hart vervulde, daar

geen van hen de duisternis op dat uur verklaren kon, verbonden zij haar

in het diepst hunner ziel met den Nazarener.

Hoe langer het natuurverschijnsel duurde, hoe angstiger zij werden. Geen

enkele beweging van den Nazarener ontging hun oog; niet dan fluisterend

durfden zij met elkander spreken. Als hij eens werkelijk de Messias was,

wat dan?

Bevend wachtten zij op de dingen, die komen zouden.

Ben-Hur bad, dat het einde verhaast mocht worden. Hij merkte dat Esther

zich aan haren vader vastklemde, haar angst onderdrukkende om hem niet

te hinderen.

--Wees niet bang, hoorde hij Simonides zeggen. Blijf, en wacht met mij.

Al wordt gij tweemaal zoo oud als ik, gij zult nimmer iets zien, dat van

zoo groot gewicht is voor de menschenwereld, en er kunnen nog meer

openbaringen komen. Laat ons tot het einde blijven.

Twee en een half uur waren verstreken. De ademhaling van den Nazarener

werd zwaarder; het einde naderde. Zoo kort nog maar aan het kruis, en nu

reeds stervende? De tijding ging van mond tot mond, toen werd alles

stil. De wind ging liggen, een verstikkende damp vervulde de lucht, bij

de duisternis kwam nog die benauwende hitte. Daar hoorde men op eens van

het kruis de droeve, ach, zoo droeve klacht: Mijn God, mijn God, waarom

hebt Gij mij verlaten?

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 31 / 32 段