* * * * *

TWEEDE HOOFDSTUK.

BEN-HURS MEDELIJDEN.

Ongeveer een uur later kwamen Ben-Hur en Iras te zamen in de groote

zaal, waar zij Balthasar, Simonides en Esther reeds bijeen vonden. Nadat

de jonkman Balthasar gegroet had keerde hij zich tot Simonides, maar

bleef, Esther ziende, verbaasd staan. Dat zij zich tot zulk een

volmaakte schoonheid ontwikkelen zou had hij drie jaren geleden niet

gedacht. Hij herstelde zich echter spoedig en zeide: Vrede zij u,

lieftallige Esther, en u, Simonides. De zegen des Heeren zij uw deel,

al was het alleen omdat gij een vader voor den vaderlooze geweest zijt.

--Wees welkom in uw vaders huis, zeide Simonides hartelijk. Zet u neder,

en vertel ons van uwe reizen en van uw werk en van den leeraar uit

Nazareth. Ga toch zitten, bid ik u, dan luisteren wij allen.

--Ja, antwoordde Ben-Hur, ik heb u veel van hem te vertellen. Ik heb hem

gedurende verscheidene dagen nauwlettend gadegeslagen. Ik heb hem in

moeilijke, zeer moeilijke omstandigheden gezien, en moet getuigen dat

hij, hoewel hij een mensch is als ik, toch ook meer dan een mensch is.

Hier werd hij gestoord door het binnentreden van eene dienstmaagd. Hij

keek om en riep blijde: Daar is Amrah! Goede, lieve Amrah!

De trouwe dienstmaagd kuste zijne handen, en op zijne vraag: Hebt ge nog

niets van haar gehoord, niets? sprongen haar de tranen in de oogen.

--Gods wil geschiede! zeide hij treurig.

Na een oogenblik van stilte, waarin hij zijne aandoening meester

trachtte te worden, zeide hij: Ga zitten, Amrah,--hier. Niet? Dan aan

mijne voeten, want ik heb mijne vrienden veel te vertellen van den

Nazarener. Ik zal beginnen met u te verhalen wat ik hem heb zien doen.

Morgen komt hij in de stad om op te gaan naar den Tempel, dien hij zijn

vaders huis noemt en waar hij, zooals algemeen verwacht wordt, den

beslissenden stap zal doen. Morgen zullen wij dus zien wie gelijk heeft,

gij, Balthasar, of Simonides.

Balthasar wreef zich in de handen en vraagde: Waar zal ik hem kunnen

zien?

--Het gedrang zal groot zijn, antwoordde de jonkman. Ik denk dat gij

niet beter doen kunt, dan met u allen naar het dak van den Voorhof van

Salomo te gaan.

--Kunt gij ons begeleiden?

--Neen, mijne vrienden zullen mij noodig hebben bij den optocht.

--Optocht! riep Simonides. Komt hij dan met gevolg?

--Dat niet precies. Hij heeft twaalf mannen bij zich, allen uit den

minderen stand. Zij reizen te voet, onverschillig voor wind, regen, of

zonneschijn. Als zij vermoeid zijn zetten zij zich aan den weg neder

om te rusten, en doen aan alles eerder denken, dan aan edellieden en

vorsten. Slechts wanneer de leeraar het hoofd ontbloot ziet men dat hij

de aanvoerder is, hun leermeester, hun meerdere, maar tevens hun vriend.

Maar wat zoudt gij zeggen van een man, die rijk kon zijn door de steenen

aan den weg in goud te veranderen, en die toch arm is uit vrije keus?

--De Grieken zouden hem een philosoof noemen, zeide Iras.

--Neen, dochter, antwoordde Balthasar, de philosofen hadden nooit de

macht om zoo iets te doen.

--Hoe weet gij, dat deze mensch die macht wel heeft?

--Ik heb hem water in wijn zien veranderen, zeide Ben-Hur.

--Hoe wonderlijk! riep Simonides. Maar dat schijnt mij nog niet zoo

vreemd toe als dat hij arm wil leven, terwijl hij rijk zou kunnen zijn.

Is hij werkelijk zoo arm?

--Hij bezit niets, en benijdt niemand zijn rijkdom. Hij beklaagt veeleer

de rijken. Dat echter daargelaten, wat zegt gij hiervan: ik zag hem

zeven brooden en twee visschen vermenigvuldigen tot een voorraad zóó

groot, dat er spijs was voor vijfduizend menschen en er nog manden vol

overbleven. Dat heb ik den Nazarener zien doen.

--Hebt gij hem dat zien doen?

--Ja, en ik heb meegegeten van den visch en van het brood. Maar nog

wonderlijker dingen heb ik gezien. Wat dunkt u van iemand die zoo groote

genezende kracht bezit, dat de zieken slechts den zoom van zijn kleed

behoeven aan te raken, om gezond te worden, ja dat het zelfs voldoende

is van verre tot hem te roepen? Dat heb ik meer dan eens bijgewoond.

Toen wij uit Jericho kwamen riepen twee blinden tot hem om hulp, hij

raakte hunne oogen aan en zij konden zien. Een anderen keer brachten zij

een verlamde tot hem en hij zeide alleen: Ga heen naar uw huis,--en ik

zag den man gezond wegwandelen. Wat zegt gij daar wel van?

Simonides kon geen woorden vinden.

--Sommigen zeiden, dat dit duivelskunsten waren, gelooft gij dat soms

ook? Ik zal u nog grooter dingen vertellen, die ik hem ook heb zien

doen. Denk aan die vreeselijke ziekte, waarvan alleen de dood verlossen

kan: de melaatschheid.

Hier werd Amrah onrustig en luisterde met gespannen aandacht.

--Ja, vervolgde Ben-Hur met toenemenden ernst, ja, luistert naar wat ik

nu ga vertellen. Toen ik met hem in Galilea was kwam een melaatsche tot

hem en riep: Heer, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen!--Hij hoorde

de smeekbede, raakte den verworpeling aan met de hand en zeide: Ik wil,

word gereinigd.--En terstond was hij geheel gezond, zoo gezond als wij

allen. Een anderen keer kwamen tien melaatschen tot hem en vielen voor

hem neer, roepende: Meester, meester, ontferm u over ons!--Ik was er bij

en hoorde hem antwoorden: Gaat heen, en vertoont uzelven den priester.

--En waren zij beter?

--Ja, zij waren nog niet lang op weg, of de ziekte was geheel van hen

geweken.

--Nog nooit heb ik van zulke dingen gehoord; nog nooit, zeide Simonides

zacht.

Het gezelschap verviel na deze mededeelingen in diep stilzwijgen.

Ongemerkt stond Amrah op en verwijderde zich onhoorbaar.

--Gij kunt begrijpen, dat al die dingen een diepen indruk op mij gemaakt

hebben, zeide Ben-Hur, doch mijne twijfelingen en verbazing zouden nog

grooter worden. Mijne Galileërs begonnen langzamerhand ongeduldig te

worden, het zwaard brandde hun in de handen, en zij verlangden niets

liever dan handelend te mogen optreden. Ik zelf werd ook ongeduldig,

want alles was gereed. Daarom wilden wij hem openlijk, desnoods met

geweld, tot koning kronen, maar hij verdween uit ons midden. Toen wij

hem weer zagen was het in een scheepje op het meer. Wat anderen bekoort:

rijkdom, macht, koninklijke eer, dat alles laat hem onbewogen. Wat dunkt

u daarvan, Simonides?

Simonides antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij:

--De Heer leeft, evenzoo het woord zijner profeten. Laat ons geduld

oefenen.

--Zoo zij het, beaamde Balthasar.

--Ik heb nog meer te vertellen, vervolgde Ben-Hur, nog grootere dingen.

Wij waren op weg naar Naïn. Vlak bij de poort kwamen wij een

begrafenisstoet tegen. De Nazarener bleef staan om de treurenden te

laten voorbijgaan. Eene vrouw volgde bitter schreiende. Ik zag dat hij

door medelijden bewogen werd. Hij trad op haar toe, en sprak haar aan.

De dragers stonden stil, hij raakte de baar aan en zeide tot den doode:

Jongeling, ik zeg u sta op!--En terstond zat de doode overeind en sprak.

--God alleen heeft zoo groote macht! riep Balthasar.

--Alles wat ik u vertel, heb ik zelf gezien, zeide Ben-Hur, en ik kan u

nog meer verhalen. In Bethanië was een van zijne vrienden gestorven,

Lazarus geheeten. Reeds had hij vier dagen in het graf gelegen toen de

Nazarener er bij kwam. Hij liet den steen wegnemen, en wij allen zagen

het lijk liggen, dat reeds overging tot ontbinding. Met luide stem

hoorde ik hem roepen: Lazarus, kom uit!--Ik kan u niet zeggen wat ik

gevoelde, toen de doode, aan die stem gehoorzamend, zich oprichtte en

tot ons kwam, in grafdoeken gewikkeld. Ontbindt hem, zeide de Nazarener,

en laat hem gaan. En toen de hoofddoek van hem was weggenomen, had zijn

gelaat weer de gewone kleur, en was hij volkomen dezelfde als voor zijne

ziekte. Hij leeft nog en ontvangt vele bezoeken. Als gij wilt kunt gij

er morgen naar toe gaan, en uzelven overtuigen. Maar nu vraag ik u: Wat

moet ik denken van dezen man? Is hij niet meer dan een gewoon mensch?

De toon waarop hij dit vraagde was zeer ernstig, en nog lang na

middernacht zat het gezelschap bijeen, om de zaak van alle kanten te

bezien, want Simonides kon zijne opvatting van de voorspellingen der

profeten niet laten varen, terwijl Ben-Hur beweerde dat Balthasar en

Simonides beiden gelijk hadden: de Nazarener was ongetwijfeld de

Verlosser, zooals de eerste meende, maar ook de toekomstige koning,

waarvoor de laatste hem hield.

--Wij zullen het morgen gewaar worden. Vrede zij met u allen. Met deze

woorden nam Ben-Hur afscheid.

* * * * *

DERDE HOOFDSTUK.

EEN BLIJDE TIJDING.

Zoodra den volgenden morgen de Schaapspoort geopend werd, ging Amrah met

haar mand aan den arm de stad uit. De wachters deden haar geen vragen,

daar zij even regelmatig verscheen als de opgaande zon. Men wist dat zij

de trouwe dienstmaagd was van den een of ander, en daarmede stelde men

zich tevreden.

Zij sloeg den weg in naar de vallei ten oosten der stad gelegen. De

donkergroene helling van den Olijfberg was bezaaid met witte tenten, de

tijdelijke woningen van de feestgangers. 't Was echter nog te vroeg voor

de vreemdelingen om buiten te zijn: alles sliep nog gerust. Eerst kwam

zij aan Gethsemané, toen langs de graven bij den kruisweg naar Bethanië,

vervolgens aan het dorp Siloam. Zij scheen ongewone haast te hebben,

maar haar ijver was grooter dan hare krachten, die haar bijwijlen

schenen te begeven.

Hoe vroeg het nog was, toch zat haar ongelukkige meesteres reeds buiten

voor de grot. Tirza sliep nog. Vreeselijk was de vordering, die de

ziekte in die drie jaren gemaakt had. Wetende hoe zij er uitzag, bleef

zij altijd zorgvuldig gesluierd. Zelfs Tirza mocht haar bijna nooit

aanschouwen. Thans echter, in de eerste morgenschemering, had zij het

hoofd ontbloot, om de frissche lucht in te ademen, want zij wist, dat

geen sterveling haar zien kon. Sneeuwwit was het lange haar. Oogleden,

neus, lippen, wangen waren weggeteerd, de hals was akelig ontstoken.

Eene van hare handen rustte op haren schoot. De nagels waren afgevallen,

de vingers gedeeltelijk ontvleesd, gedeeltelijk dik opgezwollen. Zoo was

zij over het geheele lichaam. Geen wonder, dat de vroeger zoo statige

vrouw zich gemakkelijk aan alle nasporingen van haren zoon had kunnen

onttrekken. Zij was gewoon, dat Amrah bij de bron verscheen vóór alle

anderen, om dan op een steen halfweg bron en heuvel, het voedsel en de

waterkruik neer te zetten.

Dit korte bezoek was nog de eenige lichtstraal op haar pad. Dan vraagde

zij naar haren zoon, en Amrah vertelde haar wat zij wist van zijn werk

en bezigheden, en van de vluchtige bezoeken, die hij aan zijn vaders

huis bracht. Op zulke dagen zat de arme moeder den ganschen dag

onbewegelijk voor hare spelonk, met de oogen gericht op het dak van den

Tempel, waarachter haar huis lag, het geliefde huis, waarin haar zoon nu

vertoefde. Niets bond haar meer aan het leven. Tirza was reeds zoo goed

als dood, en zijzelve smachtte naar het einde. De natuur rondom haar was

niet geschikt om haar op te beuren; insecten en vogels vermeden de

streek, alsof zij ook bang waren voor besmetting. Van plantengroei was

niet veel te bemerken; de weinige struiken, ja zelfs de dunne

grassprietjes, verdorden onder den adem der winden, die langs de

berghelling streken. Waarheen zij den blik ook wendde zag zij grafsteden

en nogmaals grafsteden, die te meer de aandacht trokken, omdat zij alle

opnieuw gewit waren, ten einde de van buiten gekomen feestgangers te

waarschuwen.

Terwijl zij zoo in de morgenschemering zat te peinzen, zag zij

plotseling een vrouw den heuvel beklimmen. Weldra herkende zij Amrah.

In plaats van hare mand zooals gewoonlijk neer te zetten, kwam zij

regelrecht op de spelonk af. De weduwe verrees van hare zitplaats en

deed de gewone waarschuwing hooren, maar Amrah stoorde er zich niet aan,

en eer zij er op bedacht was lag Amrah aan de voeten van hare meesteres

en kuste onder hartstochtelijke snikken den zoom van haar kleed.

Tevergeefs beproefde de melaatsche zich van haar los te maken, en toen

zij zag, dat het onmogelijk was, riep zij op smartelijken toon: Hoe kunt

ge zoo doen? Is dit de manier, waarop gij ons uwe liefde bewijst? Nu

zijt gij ook verloren, en moogt nooit meer naar huis teruggaan. Wie zal

ons nu voortaan eten brengen? O Amrah! Nu zijn wij allen te zamen

verloren!

--Wees toch niet boos op mij, snikte de trouwe ziel, het hoofd nog

dieper buigende.

--Ach, Amrah, vervolgde de weduwe, was de vloek die op ons rust, niet

reeds zwaar genoeg om te dragen, dat gij ons het eenige, dat wij nog

hadden, moet ontnemen? vraagde zij.

Op dit oogenblik verscheen Tirza, door het luide spreken gewekt, in de

opening der spelonk.

--Wat is er moeder? Is dat Amrah? vraagde zij. De arme was nagenoeg

blind.

Nu stond Amrah op en zeide met onvaste stem: O lieve meesteres! Ik heb

niets misdaan. Ik breng u goede tijding!

--Van Juda?

--Ja. Hij kent een man, die de macht heeft u te genezen. Hij spreekt

slechts één woord, en de zieken worden gezond, zelfs de dooden worden

levend. Ik kom u halen om u bij hem te brengen.

--Arme Amrah! zeide Tirza meewarig.

--Neen, neen, riep Amrah, die zeer goed begreep wat die uitroep

bedoelde, zoo waar de God van Israël leeft, ik spreek de waarheid. Kom

maar mee; wij hebben geen tijd te verliezen. Hij komt hier langs op zijn

weg naar de stad. Eet gauw wat en laat ons gaan.

De moeder luisterde aandachtig. Misschien had zij reeds iets aangaande

hem gehoord, want zijne wonderdaden waren door het geheele land bekend

geworden. Wie is hij? vraagde zij. En hoe weet gij het?

--Juda vertelde het gisterenavond.

--Is Juda dan thuis?

--Ja.

--Heeft hij gezegd, dat gij het ons moest komen vertellen?

--Neen; hij denkt dat gij dood zijt.

--In vroeger jaren heeft een profeet eens een melaatsche genezen, zeide

de moeder tot Tirza, maar die was door God gezonden. Zeg mij, Amrah, hoe

weet Juda dat deze man die macht bezit?

--Hij volgde hem op zijne reizen en hoorde de melaatschen tot hem

roepen, en zag ze hersteld weggaan. Den eersten keer was het één

melaatsche, later tien te gelijk, en zij werden allen hersteld.

De moeder aarzelde niet langer. Zij vroeg niet naar het hoe en wat, zij

geloofde de feiten en zeide tot Tirza: Kind, dat moet de Messias zijn.

Ik herinner mij, dat Jeruzalem jaren geleden in opschudding kwam, omdat

er gezegd werd, dat hij geboren was. Hoe lang het geleden is weet ik

niet meer, maar hij zou nu reeds volwassen moeten zijn. Ja, het kan niet

anders ... hij is het. Laat ons wat eten, en dan zoo spoedig mogelijk met

Amrah meegaan.

Het ontbijt was weldra afgeloopen, en het drietal begaf zich op weg. Nu

stuitten zij echter op een moeilijkheid. Amrah had gezegd, dat de

Nazarener van Bethanië moest komen, maar vandaar leidden drie wegen naar

Jeruzalem. Een over den Olijfberg, een tweede langs zijn voet, en de

derde langs den Berg der Ergernis. Deze drie waren nu wel niet ver van

elkander verwijderd, maar toch ver genoeg om den Nazarener mis te

loopen, indien zij niet denzelfden weg kozen, welken hij nam.

Na een korte beraadslaging besloten zij eerst naar Bethfagé te gaan, om

zich verder door de omstandigheden te laten leiden.

Zij daalden dus den berg af in de richting van den Koningstuin en bleven

even staan om te rusten.

--Ik durf dezen weg niet vervolgen, zeide de moeder. Het zal hier druk

worden. Wij doen beter met de menschen te ontwijken en over den Berg der

Ergernis te gaan.

Toen Tirza dit hoorde ontzonk haar de moed. Daar hare voeten zeer

gezwollen waren kostte het loopen haar groote moeite.

--Die berg is steil, moeder. Ik kan onmogelijk klimmen.

--'t Is om ons leven en onze gezondheid te doen mijn kind. Zie, daar

komen reeds vrouwen om water te scheppen. Zij zullen ons steenigen, als

wij hier blijven. Kom, wees sterk, mijn kind.

Zoo trachtte de moeder, die zelve bijna niet voort kon, hare dochter te

bemoedigen, en nu kwam Amrah haar te hulp. Na de eerste opwelling had

zij de zieken niet aangeraakt, thans echter ging de trouwe ziel naar

Tirza en zeide: Leun op mij. Ik ben wel oud, maar sterk genoeg, en het

is niet ver meer. Zoo; ziet gij wel, nu gaat het al veel beter.

De weg was moeilijk, maar toen zij eenmaal boven waren en staan bleven

om adem te scheppen hadden zij een heerlijk gezicht op den Tempel met

zijne terrassen, en op Sion met zijne vele witte torens, die in het

zonlicht schitterden.

--O hoe mooi! riep de weduwe. Zie toch, Tirza, zie eens naar het gouden

beslag van de Schoone Poort! Wat glinstert dat in de zon! Weet gij nog

wel, hoe dikwijls wij er onder door zijn gegaan? Zal het niet heerlijk

zijn dat weder te kunnen doen? En ons huis is er niet ver vandaan! Daar

wacht Juda ons!

Nu begonnen zij den berg aan de andere zijde af te dalen. Hoewel Amrah

al hare krachten inspande, om Tirza te ondersteunen, kermde de arme toch

bij elken stap, ja meermalen moest zij luide aan hare smarten lucht

geven. Aan den voet des bergs gekomen zeeg zij uitgeput neder.

--Ga maar alleen verder met Amrah, moeder, ik kan niet meer.

--Neen, kind. Wat zou het mij baten, zoo ik alleen gezond werd, en gij

niet? En wat zou ik Juda moeten antwoorden, als hij naar u vraagt?

--Zeg hem, dat ik hem liefgehad heb.

De arme moeder wist niet wat te doen. Zij dacht er niet aan haar kind te

verlaten, maar de hoop op redding te moeten laten varen, nu die zoo

nabij scheen, deed den beker overloopen. Maar zie, in dat oogenblik van

grooten nood zag zij van den tegenovergestelden kant een wandelaar

aankomen.

--Moed gevat, Tirza! zeide zij. Daar komt iemand aan, die ons zeggen kan

waar de Nazarener op 't oogenblik is.

Amrah richtte Tirza een weinig op, en zoo wachtten zij den vreemdeling

af.

--Ach, moeder, gij vergeet wat wij zijn. De man zal zich uit de voeten

maken, en ons misschien eerst nog een steen naar het hoofd werpen.

--Wij zullen zien, luidde het antwoord.

Ja, de moeder wist zelve maar al te goed welke behandeling uitgeworpenen

als zij te wachten hadden.

De melaatschen stonden aan den rand van een smallen weg, zoodat de

wandelaar haar rakelings voorbij moest gaan. Zoodra hij binnen het

bereik harer stem was deed de weduwe het waarschuwende: Onrein! Onrein!

hooren. Tot hare verbazing liep hij door.

Wat zoekt gij? vraagde hij, toen hij vlak bij haar was.

--Wees voorzichtig, zeide de weduwe met waardigheid. Ik heb u

gewaarschuwd.

Vrouw, ik ben een volgeling van hem, die slechts één woord behoeft te

spreken tot dezulken als gij, en zij zijn genezen. Ik ben niet bevreesd.

--Gij bedoelt den Rabbi uit Nazareth?

--Den beloofden Messias.

--Is het waar, dat hij vandaag naar de stad gaat?

--Ja. Hij is nu te Bethfagé.

--Langs welken weg zal hij komen?

--Langs dezen.

De weduwe vouwde de handen en sloeg de oogen dankend naar den hemel op.

--Voor wien houdt gij hem? vraagde de man bewogen.

--Voor den Zoon van God! antwoordde zij.

--Blijf dan niet hier, want daar een groote schare hem volgt, staat gij

beter bij dat rotsblok onder gindschen boom. Roep hem aan zoodra hij

nadert, roept beiden en weest niet bevreesd. Hij zal u hooren. Ik ga

naar de stad, om het volk te waarschuwen dat hij komt. Vrede zij met u

en de uwen!

Hebt gij het gehoord, Tirza? De Nazarener komt langs dezen weg, en hij

zal ons helpen. Kom nu mee, een paar stappen maar!

Dus aangemoedigd liet Tirza zich door Amrah overeind helpen.

--Wacht even; zeide Amrah, de vreemdeling komt terug.

--Ik bedenk, goede vrouw, zeide hij, dat de zon hoog aan den hemel zal

staan, voordat de Nazarener komt. Ik kan in de stad het noodige krijgen,

en daarom wilde ik u mijn waterflesch geven. Gij zult er meer behoefte

aan hebben dan ik. Neem haar en heb goeden moed. Roep luide tot hem.

Dit zeggende bood hij de weduwe zijn gevulde waterflesch aan. In plaats

van ze op den grond te leggen, gaf hij ze haar in de hand.

--Zijt gij een Jood? vraagde zij verbaasd.

--Ja; maar beter nog; ik ben een volgeling van den Christus, die ons

dagelijks door woorden en voorbeeld leert wat ik nu doe. De wereld kende

reeds lang het woord liefde, zonder het echter te verstaan. Vaarwel!

Langzaam begaven de vrouwen zich naar het door hem aangewezen punt, waar

zij door ieder, die voorbijging, gezien en gehoord konden worden. Zij

zetten zich onder den boom neder, en dronken van het water. Weldra viel

Tirza in slaap, en om haar niet te storen zwegen de beide anderen.

* * * * *

VIERDE HOOFDSTUK.

GENEZEN.

Langzamerhand werd de weg meer en meer bevolkt door menschen, die zich

naar Bethfagé spoedden. Tegen de vierde ure van den dag kwam een groote

schare over den Olijfberg, en toen zij naderbij kwamen zagen de vrouwen,

dat allen een palmtak in de hand hielden. Terwijl zij het ongewone

schouwspel gadesloegen, werd hare aandacht getrokken door een verwijderd

gedruisch van stemmen en zagen zij een menigte menschen van den anderen

kant komen. Nu wekte de moeder Tirza, zeggende: Hij komt! Deze menschen

vóór ons komen uit de stad om hem te begroeten, en die anderen zijn

zijne vrienden die hem begeleiden. Het zou mij niet verwonderen zoo de

twee groepen hier op dit punt samentroffen.

--Ik vrees, dat hij ons dan niet zal kunnen hooren, moeder.

Diezelfde gedachte was ook reeds bij de weduwe opgerezen. Amrah, zeide

zij, heeft Juda ook gezegd wat die tien melaatschen tot den Nazarener

riepen?

--Zij riepen: Heer, ontferm u over ons. Of: Meester, ontferm u over ons.

--Dat alleen?

--Ja, dat alleen, voor zooveel ik weet.

--En toch was het voldoende, zeide de weduwe zacht.

--Ja, antwoordde Amrah. Juda zei, dat hij hen geheel hersteld zag

weggaan.

Intusschen naderde de schare langzaam. Toen de voorsten in 't gezicht

waren, werd de aandacht der vrouwen allereerst getroffen door een man,

die te midden van een naar het scheen uitgelezen gezelschap reed. Hij

was blootshoofds en geheel in 't wit gekleed. Hij staarde voor zich uit

en deelde volstrekt niet in de opgewondenheid zijner volgelingen. Het

gejubel vermocht de droefgeestige uitdrukking van zijn gelaat niet te

verdrijven. Zijn golvende lokken, door het zonlicht beschenen, vormden

een gouden stralenkrans om het edelgevormde hoofd. De juichende schare

achter hem strekte zich tot in het oneindige uit. Niemand behoefde den

melaatschen te zeggen, dat dit de Nazarener, de wonderdoener was.

--Tirza, daar is hij! Daar is hij! Kom, mijn kind! riep de moeder, en

knielde naast de rots op den weg neder. Tirza en Amrah voegden zich

terstond bij haar.

Op ditzelfde oogenblik hielden de stedelingen stand, en begonnen met

hunne palmtakken te wuiven en te roepen: Hosanna den Zone Davids!

Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren. Hosanna in de hoogste

hemelen!

De duizenden, die den Nazarener vergezelden, namen den jubeltoon over,

zoodat het door de lucht weergalmde. Het geroep der arme melaatschen

ging er geheel door verloren. Maar voor haar was het: nu of nooit. Ging

deze gelegenheid voorbij, dan moesten zij voor altijd de hoop laten

varen.

--Dichterbij, Tirza! Dichterbij! Hij kan ons niet hooren, zeide de

moeder.

Zij stond op en trad bevend naar voren, hief de handen smeekend omhoog,

en riep zoo hard zij kon. De lieden zagen haar, en verstomden, door

ontzetting en afschuw bevangen. Tirza, die achter hare moeder stond,

zonk van zwakte en angst ineen.

--Melaatschen! Melaatschen!

--Steenig ze!

--Sla ze dood! die van God vervloekten!

Deze en dergelijke kreten vermengden zich met de hosanna's dergenen, die

te veraf waren om de oorzaak der stoornis te onderscheiden. Zij, die in

de onmiddellijke nabijheid van den Rabbi waren, en zijn goddelijk

mededoogen kenden, zagen hem zwijgend aan, wel wetende wat hij doen zou,

en maakten ruimbaan voor hem, toen hij op de vrouw toereed. Zij zag hem

in het vriendelijk gelaat en schepte troost uit zijn bemoedigenden

glimlach.

--Meester, Meester! riep zij, gij ziet onze ellende, gij kunt ons

reinigen. Erbarm u over ons!

--Gelooft gij, dat ik dat doen kan?

--Ja, Heer. Gij zijt degeen, van wien de profeten gesproken hebben, gij

zijt de Messias!

--Vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wilt.

Een oogenblik nog toefde hij, de schare rondom zich vergetende, één

oogenblik, toen reed hij verder, terwijl de geredde met een van dank

overvloeiend hart luide riep: Eere zij God in den hooge! Gezegend zij de

Zone Davids!

Terstond daarop omgaf hem de schare met haar vreugdebetoon en onttrok

hem aan haar oog. In dankbare verrukking drukte de moeder Tirza aan haar

hart, juichende: Wij zijn gered! Hij is waarlijk de Messias.

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 28 / 32 段