geloof. Als ik u gezegd zal hebben waarom de geestelijke heerschappij,
die hij zal uitoefenen, in ieder opzicht uitnemender is, dan enkel
koninklijke pracht, zult gij mij beter begrijpen. Ik kan niet met
zekerheid zeggen wanneer het denkbeeld, dat ieder mensch eene ziel
heeft, ontstaan is. Waarschijnlijk brachten de eerste menschen het mede
uit den hof in Eden. Dat het nooit geheel verloren ging weten wij allen.
Waarom zou ieder mensch eene ziel hebben? Laat ons daar eens even bij
stilstaan. Zich neder te leggen en te sterven, op te houden te bestaan
werd nooit door eenig mensch begeerd. Allen zonder onderscheid zullen in
het diepst hunner ziel wel op iets beters gehoopt hebben. De monumenten
der volken zijn zoovele protesten tegen de vernietiging na den dood,
evenzoo hunne standbeelden en opschriften, evenzoo de geschiedenis.
De grootste onzer Egyptische koningen liet zijne beeltenis in een rots
uithouwen. Dagelijks ging hij er met zijn gevolg heen om het werk te
zien. Eindelijk was het gereed, de gelijkenis was treffend. Mogen wij
ons nu niet voorstellen, dat hij, voor dat kunstwerk staande, gedacht
heeft: Laat de dood vrij komen, ik leef in de toekomst voort!... Hij
heeft zijn wensch gehad. Het beeld staat er nog.
Maar waar bestaat het voortleven in, dat hij zich dus verzekerde? Alleen
in de herinnering der menschen--een roem, vergankelijk als het schijnsel
der maan op het groote beeld. En wat is intusschen van den koning
geworden? In de koninklijke graven ligt een gebalsemd lichaam, dat
eenmaal het zijne was. Maar waar, zoon van Hur, is de koning zelf? Is
hij in het niet verzonken? Tweeduizend jaren zijn verloopen sedert hij
op deze aarde leefde, als gij en ik. Was met zijn laatste ademtocht
alles voor hem afgedaan? Zeggen wij ja, dan brengen wij eene
beschuldiging in tegen God. Wij nemen daarom een beter en werkelijk
leven na den dood aan, iets wat meer is dan een voortleven in de
herinnering. Daarom gaf God ons bij de geboorte eene ziel, die
onsterfelijk is. Denk nu eens aan het genot, dat in de gedachte ligt:
Wij hebben een ziel. Deze gedachte ontneemt den dood zijne verschrikking,
door het sterven te maken tot een verandering voor beter, en het
begraven tot het zaaien van een zaad, waaruit een nieuw leven zal
ontspruiten. Zie mij, oude man, aan, verzwakt naar het lichaam. Weldra
zal het graf mij ontvangen, maar dan ook openen zich voor mij de
onzichtbare deuren van Gods heerlijk huis, om mij, dat is mijne bevrijde
onsterfelijke ziel, op te nemen. O, had ik woorden om dat heerlijke
leven te schetsen! Zeg niets, dat ik er niets met zekerheid van weet.
Dit weet ik, en dat is mij genoeg: een ziel te bezitten sluit in deel te
hebben aan een goddelijke eigenschap. Zulk een verloste ziel heeft niets
meer met het stof, met het onreine te maken; zij leeft in volkomen
reinheid. Zal ik, dit geloovende, dan nog met mijzelven of met u gaan
redeneeren over de bijomstandigheden? Over den vorm van mijne ziel, of
over de behoefte aan spijs en drank, of hoe mijne ziel bekleed zal zijn?
Neen, dat laat ik gerust aan God over. Het schoone in deze wereld komt
alles uit zijne hand. Hij bekleedt de lelie, Hij geeft de roos haar
kleurenpracht, Hij roept den dauwdroppel te voorschijn. De harmonie in
de natuur is door Hem ontstaan. Hij maakt ons voor dit leven geschikt en
stelde zijne voorwaarden vast. Zij zijn van dien aard, dat ik met volle
gerustheid mijne ziel en het leven na den dood in zijne handen stel. Ik
weet dat Hij mij liefheeft.
Balthasar zweeg. Ben-Hur, ja zelfs Iras, was aangedaan. Voor den eerste
ging een licht op. Hij begon in te zien, dat een geestelijk koningschap
voor de menschheid van nog grooter belang kon zijn, dan een aardsch
koninkrijk, en dat een Verlosser, meer dan de machtigste koning, een
Gode waardige gave zou zijn.
Na eenigen tijd verbrak Balthasar het stilzwijgen en zeide: Het wordt
tijd dat wij opbreken en onze reis vervolgen. Ik brand van verlangen om
hem te zien, die mijne gedachten geheel vervult. Laat dat verlangen
mijne verontschuldiging zijn, zoon van Hur, als ik u tot spoed aanzet.
Terwijl de Ethiopiër alles weer opbergde bracht de Arabische gids de
paarden voor, en weldra was het gezelschap op weg om de karavaan in te
halen, die hen naar alle waarschijnlijkheid reeds vooruit gekomen was.
* * * * *
VIERDE HOOFDSTUK.
DE HERAUT EN ZIJN KONING.
Op den derden dag van de reis nam het gezelschap tegen den middag een
weinig rust bij de beek Jabbok. Zij troffen daar ruim honderd mannen
aan, grootendeels uit Perea, die hier met hetzelfde doel als zij
vertoefden. Nauwelijks waren zij afgestapt, of een man trad op hen toe
met een kruik water en bood hun een frisschen dronk aan, van welk aanbod
zij gaarne gebruik maakten. De man bekeek intusschen den kameel en
zeide: Wat een prachtig dier! Ik kom juist van den Jordaan, waar het
dezer dagen druk bezocht is door reizigers van nabij en van verre, maar
geen van hunne kameelen kan in de schaduw staan van dezen. Mag ik vragen
van welk ras hij is?
Balthasar bevredigde zijne nieuwsgierigheid en ging toen wat rusten,
maar Ben-Hur vraagde: Waar is het zoo druk?
--Te Bethabara.
--Daar placht het vroeger heel eenzaam te zijn, zeide Ben-Hur, hoe komt
het daar nu zoo vol?
--O, ik zie het al, zeide de vreemdeling, gij komt ook van buitenaf en
hebt het goede nieuws nog niet gehoord.
--Welk goed nieuws?
--Er is een man uit de woestijn gekomen, een heilig man, die een nieuwe
leer predikt. Hij noemt zich Johannes, den zoon van Zacharia, en hij
zegt, dat hij de voorlooper is van den Messias. Men verhaalt van hem,
dat hij van jongsaf gewoond heeft in een spelonk bij Engedi, en zijn
tijd doorbracht met bidden en vasten. Geheele scharen gaan uit om hem te
hooren. Ik ben er ook geweest.
--En deze mannen? Komen die er ook vandaan?
--Verscheidene, maar de meesten moeten nog gaan.
--Wat predikt hij?
--Een nieuwe leer, zooals nog nooit in Israël verkondigd werd, zegt men.
Hij spreekt over bekeering en over den doop. De rabbi's weten niet wat
zij van hem denken moeten. Sommigen vraagden hem of hij de Christus is,
of Elia, maar hij antwoordt allen, die hem zulke vragen doen: Ik ben de
stem des roependen in de woestijn, maakt den weg des Heeren recht!
Op dit oogenblik werd hij weggeroepen. Kort daarna maakten Balthasar en
Ben-Hur zich weder op, zoodat zij den volgenden dag het doel hunner reis
bereikten.
Een levendig tafereel trof hun oog. Een menigte tenten was langs de
rivier opgeslagen, terwijl de beide oevers zwart van menschen waren.
Toen ons gezelschap aankwam ontstond er beweging onder de schare,
waaruit zij opmaakten, dat de spreker zijn rede geëindigd had.
--'t Beste wat wij kunnen doen is, dat wij hier blijven staan, zeide
Ben-Hur, misschien komt de Nazireër dezen weg langs.
Het volk was te zeer vervuld van het gehoorde om acht te slaan op de
nieuw aangekomenen. Deze bleven waar zij waren en zagen gansche
gezelschappen langs zich heen trekken. Reeds vreesden zij, dat zij den
Nazireër heden niet meer te zien zouden krijgen, toen zij een man zagen
naderen, wiens uiterlijk zoo zonderling was, dat zij voor niets anders
meer oogen hadden. Lange zwarte lokken omgaven zijn vermagerd, ernstig
gelaat, waarin een paar groote fonkelende oogen terstond de aandacht
trokken. Hij was gekleed in een kemelharen kleed, met een leeren gordel
om de lendenen. In zijne hand hield hij een staf, hoewel hij geen steun
behoefde, want zijn gang teekende kracht en vastberadenheid. Vorschend
zag hij rond, alsof hij iemand zocht.
De schoone Egyptische zag den zoon der woestijn verbaasd, ja met onwil
aan. Zij wenkte Ben-Hur tot zich en vraagde spotachtig: Is dat de heraut
van uwen koning?
--Dat is de Nazireër, antwoordde hij, zonder haar aan te zien.
Om de waarheid te zeggen--hijzelf was meer dan teleurgesteld. Hoewel hij
dikwijls gehoord had van de asceten, die in Engedi woonden, hunne
kleeding, hunne onverschilligheid voor wereldsche gemakken, hunne
afgezonderde levenswijze, hunne boetedoeningen kende, en hoewel hij
geweten had dat hij een Nazireër zou zien, die zichzelven aankondigde
als: eene stem des roependen in de woestijn, had hij toch gehoopt, dat
de heraut van den grooten koning eenig uiterlijk kenteeken van macht en
aanzien zou vertoonen. Dezen woestijnbewoner met de oogen volgende dacht
hij aan de hovelingen in het keizerlijke paleis te Rome, en de
vergelijking deed hem beschaamd, verward en verlegen antwoorden: Het is
de Nazireër.
Met Balthasar was het geheel anders. Hij wist dat Gods wegen niet zijn
als der menschen wegen. Hij had den Verlosser als een kind in de kribbe
zien liggen en was dus voorbereid op grooten eenvoud bij het optreden
van den godsgezant. Hij verwachtte geen koning. Met gevouwen handen
bleef hij zitten en zacht bewogen zich zijne lippen als in een gebed.
Op dit oogenblik naderde iemand van de andere zijde, den Nazireër te
gemoet. Nauwelijks had deze hem in het oog gekregen, of hij bleef staan
en hief zijn staf op, ten einde de aandacht des volks tot zich te
trekken. Groote stilte heerschte op eenmaal onder de bewegelijke schare,
en toen de Dooper zag, dat hij zijn doel bereikt had, wees hij met zijn
staf op den persoon, die langzaam nader kwam. Ook Ben-Hur en Balthasar
volgden de aanwijzing en zagen een rijzig slank gebouwd man, met een
gelaat, dat men niet licht vergeten zou. Het lange bruingouden haar was
in het midden gescheiden. De groote donkerblauwe oogen straalden met
liefelijken glans onder het open voorhoofd, en de uitdrukking van zijn
geheele wezen was rustig en edel. Hij droeg een lang wit linnen gewaad
met wijde mouwen, en een talith, het daarbij behoorende wit linnen
overkleed, onderaan met blauw afgezet. De door de wet aan de rabbijnen
voorgeschreven wit en blauwe kwasten versierden zijn kleed. Zijne
sandalen waren van de eenvoudigste soort.
Daar riep de Dooper met luide stem: Zie het Lam Gods, dat de zonde der
wereld wegneemt!
De indruk, dien deze woorden maakten, was zeer groot, voor Balthasar
overweldigend. Het werd hem vergund den Verlosser der menschheid
nogmaals te zien. Daar stond Hij, naar wien hij zoo lang smachtend had
uitgezien, het ideaal zijner droomen, volmaakt in gestalte, gelaat,
houding. Nogmaals riep de Dooper: Zie het Lam Gods, dat de zonde der
wereld wegneemt! Deze is het van welken ik gezegd heb: na mij komt een
man, die vóór mij geworden is, want hij was eer dan ik. En ik kende hem
niet; maar opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom ben ik
gekomen, doopende met water. Ik heb den Geest zien nederdalen uit den
hemel, gelijk eene duif, en hij bleef op hem. En ik kende hem niet; maar
die mij gezonden heeft om te doopen met water, die had mij gezegd: Op
welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op hem blijven, deze is
het, die met den Heiligen Geest doopt. En ik heb gezien, en heb getuigd,
dat deze de Zoon van God is.
--Dat is hij, dat is hij! riep Balthasar, sloeg de oogen naar boven, en
viel door aandoening overmand achterover in zijnen zetel.
Met geheel andere gewaarwordingen beschouwde Ben-Hur den vreemdeling.
Hij was niet ongevoelig voor de reinheid, den ootmoed, de heiligheid,
die zijn gelaat uitdrukte: Wie is hij? En wat is hij? Messias of
koning?--Vorstelijk was zijn voorkomen niet. Op dat kalm, vriendelijk
gelaat ziende was de gedachte aan oorlog en heerschzucht hem eene
ontwijding. Hij voelde dat Balthasar gelijk had, en Simonides ongelijk.
Neen, zeide hij tot zichzelven, deze man is niet gekomen om den troon
van Salomo weder op te bouwen. Hij heeft noch den aard, noch de gaven
van Herodes. Een koning moge hij wezen, maar niet van een rijk, grooter
en machtiger dan Rome.
Het gelaat van dien man kwam hem niet onbekend voor ... waar had hij het
meer gezien? Hij peinsde en peinsde, en ja, daar zag hij in den geest op
eenmaal in het verre verleden het tooneel bij de bron te Nazareth weer.
Hij zag zichzelven, neergezonken op den stoffigen weg; hij zag de jonkman
met de gevulde waterkruik tot zich komen om hem te laten drinken; hij
zag weder die oogen vol liefde en mededoogen op zich gevestigd. Wat de
Dooper zeide ging voor hem verloren, alleen de laatste woorden drongen
tot hem door: Deze is de Zoon van God!
Ben-Hur sprong van zijn paard om aan de voeten van zijnen weldoener neer
te knielen, maar Iras riep hem tot zich: Zoon van Hur, kom hier en help
mij! Mijn vader sterft!
Hij bleef staan, keek om, en snelde naar haar toe. Zij gaf hem een beker
en hij liep naar de rivier om water te halen. Toen hij terugkwam was de
vreemdeling verdwenen.
Zoodra Balthasar bijgekomen was vraagde hij: Waar is hij?
--Wie? vraagde Iras.
--Hij, de Zoon van God, dien ik daareven zag!
--Gelooft gij dat ook? vraagde Iras zacht aan Ben-Hur.
--Het is een tijd van wonderen. Laat ons wachten, luidde zijn antwoord.
Den volgenden dag was op die plaats weer een groote schare bijeen. Ook
onze vrienden waren aanwezig.
Midden in zijne rede brak de Dooper af en riep met luide stem: Zie het
Lam Gods!
De aanwijzing van den Dooper volgende zagen zij weder den vreemdeling.
Toen Ben-Hur zijn heilig gelaat, zoo vol majesteit en mededoogen,
aanschouwde, viel hem eensklaps iets in. Ja, dacht hij, Balthasar heeft
gelijk, maar Simonides ook. Kan de Messias niet te gelijkertijd koning
zijn?
Hij wendde zich tot iemand die naast hem stond en vraagde: Wie is dat?
Met een spottend lachje antwoordde de man: Dat is de zoon van een
timmerman uit Nazareth.
* * * * *
BOEK VIII.
* * * * *
EERSTE HOOFDSTUK.
ESTHER EN IRAS.
--Esther! laat mij een beker water brengen!
--Wilt gij niet liever wijn hebben, vader?
--Beide dan.
Dit gesprek had plaats in het zomerhuis op het platte dak van het paleis
der familie Hur te Jeruzalem, en terwijl Esther zich haastte om aan den
wensch van haren vader te voldoen, kwam een bediende de trap op en
overhandigde haar een verzegeld pakje.
De lezer moet weten, dat het nu 21 Maart is volgens onze tijdrekening,
ongeveer drie jaren na de aankondiging van den Christus te Bethabara.
Malluch had voor Ben-Hur, die het verval der ouderlijke woning niet
langer kon aanzien, het huis gekocht van Pilatus, en het geheel laten
opknappen en verfraaien, zoodat er niets overbleef, dat het droevig
tooneel van vroeger kon herinneren. Men meene echter niet dat Ben-Hur
openlijk als de eigenaar was opgetreden. Hij meende dat het uur daartoe
nog niet geslagen was, evenmin als voor het dragen van zijn vaders naam.
Het grootste gedeelte van zijn tijd bracht hij door met in Galilea alles
voor te bereiden, opdat hij gereed mocht zijn, als de Nazarener hem
noodig zou hebben, de Nazarener, die hem dagelijks onbegrijpelijker
toescheen, en hem door de wonderen, die hij deed, in een staat van
spanning en twijfel hield, zoowel aangaande zijn karakter, als aangaande
zijne zending. Enkele malen kwam hij op naar Jeruzalem, en vertoefde dan
in het ouderlijke huis, echter altijd als vreemdeling en gast.
Deze bezoeken waren echter niet alleen om uit te rusten van den arbeid.
Balthasar en Iras woonden mede in het paleis, en de bekoorlijkheid der
dochter hield hem nog steeds gevangen, terwijl haar vader, hoewel naar
het lichaam verzwakt, hem wist te boeien door vurige betoogen over de
goddelijkheid van hem, die het land doorging goed doende.
Wat Simonides en Esther betreft, zij waren eerst een drietal dagen
geleden uit Antiochië herwaarts gekomen. De reis was zeer vermoeiend
geweest voor den koopman, doch eenmaal hier gevoelde hij zich uitermate
gelukkig, dat hij weer in zijn vaderland was. Het grootste gedeelte van
den dag bracht hij door op het platte dak. Hier zag hij de zon opgaan en
ondergaan, hier bracht de wind hem van over de heuvelen nieuwe
levenskracht aan.
Daarom vergat hij echter de zaken niet, o neen. Elken dag ontving hij
bericht van Sanballat, die het kantoor in Antiochië waarnam, en elken
dag zond hij Sanballat de noodige aanwijzingen, zóó uitvoerig, dat zelfs
een oningewijde moeilijk zou hebben kunnen dwalen.
Esther ging intusschen naar haar zomerhuisje terug met het pakje in de
hand. Zij bezag het zegel, herkende het voor dat van Ben-Hur, en
versnelde met blozend gelaat haren stap. Simonides bekeek eveneens het
zegel alvorens het pakje te openen, reikte haar toen den brief toe, die
er in was, zeggende: Lees, mijn kind.
Hij zag haar aan, terwijl hij sprak, en zijn gelaat betrok.
--Ik zie dat gij reeds weet van wien dit komt, Esther.
--Ja, vader. Van onzen jongen meester.
Hoewel zij langzaam, als met moeite sprak, zagen hare lieve oogen hem
trouwhartig aan.
--Gij hebt hem lief, Esther.
--Ja, vader.
--Hebt ge er over nagedacht wat dat zeggen wil?
--Ja, vader. Ik heb mijn best gedaan om niet anders aan hem te denken,
dan als aan den meester, dien ik toebehoor. Het heeft mij echter niet
veel geholpen.
--Goed kind! Gij lijkt op uwe moeder, Esther. God vergeve mij, maar uwe
liefde zou misschien niet ijdel geweest zijn, als ik behouden had wat ik
had, zooals ik had kunnen doen. Geld is macht.
--Dan zou ik er veel slechter aan toe zijn, vader. Dan zou ik niet waard
zijn, dat hij mij aanzag, en kon ik niet trotsch zijn op u. Zal ik u nu
den brief voorlezen?
--Wacht nog even, kind. Om uw zelfswil moet ik u het ergste zeggen. 't
Is misschien minder zwaar voor u, als wij het samen onder de oogen zien.
Hij heeft een ander lief, mijn kind.
--Ik weet het, zeide zij ernstig.
--De Egyptische heeft hem in hare netten gevangen, vervolgde hij. Zij is
zeer geslepen en daarenboven schoon, maar zij heeft geen hart. De
dochter, die haren vader veracht, zal haren echtgenoot ongelukkig maken.
--Veracht zij haar vader?
--Ja. Haar vader is een wijs man, en, voor een heiden, op bijzondere
wijze begenadigd. Zijn geloof strekt hem tot eer, maar zij lacht er mee.
Gisteren hoorde ik haar zeggen: De dwaasheden der jeugd zijn vergefelijk.
Den ouderdom betaamt wijsheid. Heeft een grijsaard die verloren, dan wordt
het tijd dat hij sterft.--Dat zeide zij met het oog op haren vader. Wreede
woorden, die men uit den mond van een Romein kon verwachten. Gij, mijn
kind, zult, wat er ook van mij worde, nooit zeggen: het wordt tijd dat hij
sterft. Neen, want uwe moeder was eene dochter Israëls.
Met tranen in de oogen kuste zij zijne hand en zeide: En ik ben het kind
van mijne moeder.
--Ach, mijn kind, hernam haar vader na een kort zwijgen, als hij eenmaal
de Egyptische getrouwd heeft, zal hij met wroeging aan u terug denken,
want dan zal hij bemerken, dat zij hem slechts gebruiken zal om hare
eerzucht te dienen. Rome is het middelpunt van hare droomen. Voor haar
is hij de zoon van Arrius den duumvir, niet de zoon van Hur, vorst van
Jeruzalem.
--Red hem, vader, smeekte zij, red hem, het is nog niet te laat.
Met een twijfelachtig lachje antwoordde hij: Een verdrinkende laat zich
redden, een verliefde niet.
--U hebt toch invloed op hem. Hij staat zoo alleen in de wereld! Toon
hem het gevaar, waarin hij verkeert. Zeg hem hoe gevaarlijk de Egyptische
is!
--Dat zou hem uit hare handen kunnen redden, maar zou het hem aan u
geven? Ach neen. Ik zou toch niet kunnen zeggen: mijne dochter heeft u
lief....
--Maar vader, viel zij hem in de rede, dat bedoel ik immers niet! Ik
dacht alleen aan hem, niet aan mijzelve. Zal ik u nu den brief voorlezen?
--Ja, doe dat.
Zij begon dadelijk, blijde dat zij dit onderwerp kon laten rusten.
Nisan, den 8sten dag.
Op den weg van Galilea naar Jeruzalem.
De Nazarener bevindt zich ook op dezen weg. Zonder dat hij het weet
volg ik met een legioen. Een tweede legioen volgt ons op korten
afstand. Het Paaschfeest is de dekmantel voor het groote getal
Galileërs. Toen de Nazarener zich op weg begaf zeide hij: Wij gaan
op naar Jeruzalem en het zal alles volbracht worden aan den Zoon
des menschen wat geschreven is door de profeten.
Ons wachten spoedt ten einde. Vrede zij u, Simonides.
In haast.
BEN-HUR.
Esther gaf den brief aan haren vader terug. Het kostte haar moeite hare
tranen te bedwingen. In den brief stond geen enkel woord aan haar, zelfs
aan den groet had zij geen deel. En hoe gemakkelijk had hij kunnen
schrijven: Vrede zij u en de uwen. Voor het eerst in haar leven gevoelde
zij den prikkel der ijverzucht.
--Den achtsten dag, zeide Simonides, en wat hebben wij vandaag?
--Den negenden, antwoordde Esther.
--Zoo, dan zijn zij nu wellicht te Bethanië.
--Dan zullen wij hem dus misschien van avond zien, zeide zij.
--Best mogelijk, want morgen is het feest der ongezuurde brooden, en hij
zal het willen vieren, evenals de Nazarener. Misschien zullen wij hen
beiden zien, Esther.
Het gesprek werd afgebroken door de komst van den bediende met wijn en
water, en even daarna kwam ook Iras boven.
Nog nooit had Esther de Egyptische zoo schoon gezien als hedenavond. Als
in een wolk van gaas gehuld, voorhoofd, hals en armen met juweelen
versierd, zweefde zij naderbij. Een glans van genoegen lag op haar
gelaat. Esther drong zich onwillekeurig dichter tegen haar vader aan.
--Vrede zij u, Simonides, en u, lieftallige Esther, zeide Iras. Gij
herinnert mij, goede vriend, als ik het zeggen mag zonder u te
beleedigen, de priesters in Perzië, die 's avonds op het dak van hunne
tempels stijgen, om de ondergaande zon hunne gebeden na te zenden. Als
die godsdienst u misschien niet bekend is, wil ik mijnen vader roepen,
om u in te lichten. Hij stamt van de Magiërs af.
--Schoone Egyptische, antwoordde de koopman ernstig, uw vader is een
goed man, die het mij niet kwalijk zal nemen, als ik u zeg, dat zijne
Perzische wetenschap het minste deel van zijne wijsheid uitmaakt.
Iras fronste de wenkbrauwen. Om ook philosophisch te spreken, zeide zij,
bij minste behoort meeste. Mag ik vragen, wat het grootste deel is van
die zeldzame eigenschap, wijsheid, die gij hem toeschrijft?
Simonides zag haar doordringend aan. De ware wijsheid, zeide hij,
streeft omhoog naar God, de hoogste wijsheid is de kennis van God, en
van allen, die ik ken, bezit niemand die in zoo hooge mate, als mijn
goede vriend Balthasar.
Om een eind aan het gesprek te maken dronk hij langzaam zijn beker leeg.
Iras keerde zich ontstemd tot Esther, zeggende: Een man, die millioenen
bezit en geheele vloten op zee heeft, kan niet begrijpen wat vrouwen
vermaakt. Kom, ga met mij naar de borstwering, dan kunnen wij ongestoord
praten.
Esther deed wat haar verzocht werd en zij gingen naar dezelfde plek,
waar jaren geleden Ben-Hur met zijn zuster gestaan had, om naar de
soldaten te kijken.
--Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde zij.
--Neen.
--Hebt gij nooit verlangd er heen te gaan?
--Neen.
--Och, wat hebt gij nog weinig van het leven genoten! riep zij meewarig,
maar 't volgende oogenblik lachte zij luid en zeide: O, mijn lief
onnoozel duifje, de vogeltjes, die hun nestje bouwen in het oor van de
sphinx bij Memphis, zijn al even wijs, als gij!
Ziende dat Esther verlegen werd, vervolgde zij op vertrouwelijken toon:
Vergeef het mij, ik zeide het maar uit gekheid. Laat ik een pleistertje
leggen op de wond, en u vertellen wat ik aan niemand anders zou vertellen.
Zij lachte vriendelijk, maar zag Esther tegelijkertijd onderzoekend aan
en zeide: De koning komt.
Esther zag verwonderd op.
--De Nazarener, vervolgde Iras, over wien uw vader en de mijne het zoo
druk hebben, voor wien Ben-Hur al die moeite doet. De Nazarener komt
morgen in de stad, en Ben-Hur komt van avond.
Esther trachtte zich goed te houden, maar het gelukte haar niet. Iras
bracht lachend een brief uit haar gordel te voorschijn en zeide: Hier
heb ik zijn belofte. Luister!
Daar weerklonken haastige stappen in de straat. Zij boog zich over den
rand der borstwering om te zien, en sloeg in blijde verrukking de handen
in elkaar. Gezegend zij Isis! riep zij, hij is het! Ben-Hur in eigen
persoon! Dat is een goed voorteeken! Hij komt terwijl ik aan hem denk!
Kom, Esther, geef mij een kus!
Fier hief het Joodsche meisje het hoofd op. Hare wangen gloeiden, hare
oogen fonkelden. Haar zacht gemoed was diep gegriefd. Voor haar zelfs
geen groet in zijn schrijven aan Simonides, en deze Egyptische had een
eigenhandig geschreven brief van hem! Zij vraagde: hebt gij hemzelf
lief, of hebt gij Rome nog liever?
Iras ging een stap achteruit, en vraagde scherp: Wat gaat u dat aan,
dochter van Simonides?
Esther begon bevend: Hij is mijn....
Zij had willen zeggen: mijn meester, maar zij veranderde dit snel in:
mijn vaders vriend.
--Niets meer? Nu, gij moogt uw kussen houden. Andere en betere wachten
mij.
Zij keerde zich af, om weg te gaan, maar fluisterde nog even over haar
schouder: Ik ga ze halen!
Esther zag haar na en barstte in tranen uit, tranen van schaamte en
gekwetste liefde.
Reeds fonkelden de sterren aan den nachtelijken hemel, voordat zij hare
zelfbeheersching teruggekregen had, en kalm genoeg was om naar haar
vader terug te gaan, en hare plaats aan zijne zijde in te nemen. Dat was
haar plicht, daar moest zij haar leven aan wijden, en om der waarheid
getrouw te zijn, nu de hartstochtelijkheid harer droefheid voorbij was,
nam zij blijmoedig hare taak weer op.