De herberg, het zij hier even herinnerd, stond te Bezetha, de nieuwe

stad, en om naar het Praetorium te gaan, zooals de Romeinen hoogdravend

het paleis van Herodes op den berg Sion noemden, moesten onze vrienden

de laaglanden ten noorden en westen van den Tempel oversteken. Na den

heuvel Akra te zijn omgetrokken, bereikten zij den toren Mariamne.

Vandaar was men in een paar minuten bij de groote poort van het paleis.

Overal ontmoetten zij op hun weg lieden, die zich met hetzelfde doel

hadden opgemaakt. Toen zij ten laatste de poort van het Praetorium

bereikten, was de stoet van rabbijnen en Oudsten juist naar binnen

gegaan met een groot gevolg achter zich, terwijl een nog grootere,

luidruchtige menigte buiten wachtte.

Een centurio bewaakte met een goed gewapende wacht den ingang. De zon

wierp haar gloeiende stralen op de helmen en schilden der soldaten, maar

bleven onbewegelijk staan, even onverschillig voor het oogenverblindend

geflikker, als voor het gejoel der menigte. Door de openstaande bronzen

poorten stroomden tal van burgers naar binnen, terwijl een veel kleiner

getal er uit kwam.

--Wat is er aan de hand? vraagde een Galileër aan een man, die naar

buiten kwam.

--Niets, antwoordde deze. De rabbi's staan voor de deur van het paleis

en verlangen Pilatus te zien. Hij heeft geweigerd naar buiten te komen.

Nu hebben zij hem doen weten, dat zij niet weg zullen gaan, voordat hij

hen gehoord heeft. Zij wachten nog.

--Laat ons naar binnen gaan, zeide Ben-Hur bedaard, want hij zag wat

zijne eenvoudige makkers waarschijnlijk niet zagen--dat men hier niet

alleen met een verschil tusschen de rabbi's en den procurator te doen

had, maar dat het eene zaak was, waar een beslissing op moest volgen, en

dat nu maar de vraag was wie zijn zin zou krijgen.

Zij traden binnen en kwamen in een voorhof, aan weerszijden met boomen

beplant en van banken voorzien. Zich rechts keerend ging het gezelschap

naar een ruime vierkante plaats, aan wier westzijde de woning van den

procurator lag. Daar bewoog zich een opgewonden menigte. De oogen van

allen waren op eene in een breeden doorgang aangebrachte deur gericht,

die gesloten was. Onder dien doorgang was een tweede wacht geschaard.

Het gedrang was zoo groot dat onze vrienden, al wilden zij nog zoo

gaarne, niet vooruit konden komen. Zij bleven dus waar zij waren en

gaven nauwlettend acht op wat er gebeurde. In de voorste rijen konden

zij de hooge tulbanden der rabbijnen zien, wier ongeduld zich telkens

openbaarde in den kreet: Pilatus, als gij procurator wilt zijn, kom dan

naar buiten!

Eenmaal kwam een der voorsten terug en baande zich een weg door de

menigte; zijn gelaat gloeide van toorn. Israël wordt hier niet geteld,

riep hij met luide stem. Op dezen gewijden grond behandelt men ons,

alsof wij Romeinsche honden waren.

--Zal hij niet buiten komen, denkt gij?

--Buiten komen? Heeft hij niet reeds driemaal geweigerd?

--Wat zullen de rabbijnen doen?

--Wat zij te Cesarea deden: hier blijven wachten, totdat hij naar hen

luistert.

--Hij zal toch den Tempelschat niet durven aanraken, denkt gij wel?

vraagde een der Galileërs.

--Wie zal het zeggen! Heeft niet een Romein het heilige der heiligen

ontreinigd? Is iets heilig voor een Romein?

Een uur ging voorbij, en ofschoon Pilatus hen geen antwoord waardig

keurde, hielden de rabbijnen stand. Zoo ook de scharen. Tegen den middag

begon het te regenen, hetgeen niet verhinderde, dat de menigte

aangroeide en steeds rumoeriger en ontevredener werd. Kom naar buiten!

Kom buiten! klonk het onophoudelijk.

Intusschen hield Ben-Hur zijne Galileesche vrienden bijeen. Hij

vermoedde dat de hoogmoed den Romein weldra zijn voorzichtigheid zou

doen vergeten en het einde spoedig daar zou zijn. Pilatus wachtte

slechts totdat het volk zelf hem een voorwendsel zou geven, om tot

geweld zijn toevlucht te nemen.

Het einde kwam dan ook werkelijk spoedig genoeg.

Eensklaps hoorde men dat er slagen vielen, gevolgd door luide kreten van

pijn en woede. Alles geraakte in beweging. De eerwaardige mannen voor de

portiek keken verschrikt om. Het volk in de achterhoede drong vooruit,

die in het midden stonden trachtten achteruit te wijken, en gedurende

een oogenblik was de drukking van twee kanten verschrikkelijk. Duizenden

stemmen vraagden wat er gebeurd was, maar niemand kon het antwoord

geven.

Ben-Hur behield zijne bedaardheid. Kunt gij zien wat daar geschiedt?

vraagde hij een der zijnen.

--Neen.

--Ik zal u optillen.

Hij greep den man met beide handen om het middel en tilde hem van den

grond.

--Wat ziet ge?

--Mannen met knuppels gewapend. Zij slaan op het volk in. Zij zijn als

Joden gekleed.

--Wie zijn het?

--Romeinen! vermomde Romeinen! Zij slaan er duchtig op los. Daar slaan

zij een rabbi neer,--een oud man! Zij sparen niemand.

Ben-Hur zette hem weer op den grond.

--Mannen van Galilea, zeide hij, het is een list van Pilatus. Als gij

doen wilt wat ik zeg, zullen wij eens gauw met die knuppelaars

afrekenen.

--Ja, ja! riepen zij eenstemmig.

--Laat ons dan teruggaan naar de boomen bij de poort, die zullen ons van

dienst kunnen zijn. Komt!

Zij liepen zoo hard zij konden terug, en met vereende krachten braken

zij de dikste takken van de boomen. In korten tijd waren ook zij

gewapend. Juist wilden zij optrekken, toen de menigte als razend op de

vlucht sloeg en hun den weg dreigde af te snijden. Het was een geweldig

rumoer: schreeuwen, kermen, vloeken.

--Langs den muur! beval Ben-Hur. Langs den muur! Laat den hoop

voorbijgaan!

Zij gehoorzaamden, drukten zich tegen den muur aan hunne rechterzijde,

ontkwamen op die wijze het gevaar van te worden meegesleurd door den

machtigen stroom, en drongen stap voor stap vooruit, totdat ten laatste

de voorplaats bereikt was.

--Blijft nu bijeen, en volgt mij! riep Ben-Hur.

Zijn meesterschap was ten volle erkend, en toen hij zich tusschen de

woedende menigte wierp, volgden zij hem als een eenig man.

Toen nu de Romeinen, die nog steeds met hunne knuppels zwaaiden en zich

vroolijk maakten, als zij eenigen van het volk neersloegen, handgemeen

werden met de Galileërs, vlug van leden, vurig van geest, en eveneens

gewapend, waren zij op hunne beurt verrast. Het tieren en razen werd

heftiger, de slagen volgden elkander sneller en moorddadiger. Ben-Hur

verrichtte wonderen van dapperheid. Zijn geoefende sterke hand miste

nooit haar doel. Hij was te gelijk strijder en aanvoerder, altijd

vooraan, altijd in 't heetst van het gevecht. In zijn krijgsgeschreeuw

was iets dat zijne volgers bezielde en zijne vijanden met bezorgdheid

vervulde. Weldra begonnen de Romeinen te wijken, eindelijk sloegen zij

op de vlucht. De Galileërs zouden hen tot aan de portiek hebben willen

vervolgen, maar Ben-Hur hield hen wijselijk tegen.

--Niet verder, mannen! riep hij. Daar komt de hoofdman met de wacht. Zij

hebben zwaarden en schilden. Tegen hen zijn wij niet opgewassen. Wij

hebben ons flink gehouden; laat ons terugtrekken, de poort uit, terwijl

wij nog kunnen.

Langzaam trokken zij af. Gedurig moesten zij over hunne gevallen

broeders heenstappen; sommige leefden nog en vraagden kermend om hulp.

Maar de gesneuvelden waren niet allen Joden. Dat was een troostrijke

gedachte.

De hoofdman riep hen spot- en scheldwoorden na, maar Ben-Hur lachte hem

uit en antwoordde in het Latijn: Als wij Joodsche honden zijn, zijt

gijlieden Romeinsche jakhalzen. Blijf maar, wij zullen wel terugkeeren!

De Galileërs juichten hem toe en gingen lachend verder. Buiten de poort

stond een saamgepakte menigte, straten, daken, berghelling, alles was

vol met menschen, die hunne verontwaardiging luide lucht gaven.

De wacht aan de buitenzijde liet de Galileërs ongemoeid door. Toen zij

een eindweegs gegaan waren, zeide Ben-Hur tot de Galileërs: Broeders,

gij hebt u dapper geweerd. Laat ons nu afscheid nemen, maar komt van

avond bij mij in de herberg te Bethanië. Ik heb u een voorstel te doen

in het belang van het geheele volk van Israël.

--Wie zijt gij? vraagden zij.

Een zoon van Juda. Zult gij komen?

--Ja, wij zullen komen.

Dit afgesproken zijnde ging ieder zijns weegs.

Op bevel van Pilatus werden de dooden en gewonden weggedragen. Onder het

volk was veel geween; maar die getuigen geweest waren van de overwinning

der Galileërs onder aanvoering van den onbekenden jongen held, vertelden

overal wat er geschied was, en wachtten in spanning, of hij nog van zich

zou doen hooren.

Zoo had Ben-Hur den eersten stap gedaan om zich vrienden te maken onder

de Galileërs, en zich den weg gebaand tot grootere daden in dienst des

Konings, die te komen stond.

Met welk gevolg zullen wij weldra zien.

* * * * *

BOEK VII.

* * * * *

EERSTE HOOFDSTUK.

DE HERAUT.

De samenkomst in de herberg te Bethanië had dienzelfden avond plaats.

Van daar begaf Ben-Hur zich met zijne volgelingen naar Galilea, waar men

reeds van zijn moedig optreden gehoord had. Nog vóór het einde van den

winter had hij drie legioenen bijeen vergaderd en naar Romeinsche wijze

ingericht. Hij zou gemakkelijk het dubbele getal hebben kunnen

verzamelen, want de krijgsmansgeest was in het dappere volk ontwaakt.

Zoowel tegenover Rome als tegenover Herodus Antipas waren echter de

grootste voorzichtigheid en geheimhouding noodzakelijk. Zich dus voor

het oogenblik tevreden stellende met drie legioenen, spande hij alle

krachten in om hen te gewennen aan strenge tucht en gemeenschappelijken

arbeid. Tot dat doel bracht hij de hoofdlieden naar de woeste streken

van Trachonitis, en onderwees hen in het hanteeren der wapenen,

inzonderheid van werpspies en zwaard, en in het aanvoeren van

manschappen. Daarop zond hij hen naar huis terug, om op hunne beurt

anderen te onderwijzen. Na weinig tijds waren deze oefeningen een

geliefkoosde uitspanning onder het volk geworden.

Natuurlijk vereischte deze werkzaamheid veel geduld, beleid, ijver en

opoffering, hoedanigheden die onontbeerlijk zijn, zal men anderen kunnen

bezielen. Hoe zwoegde hij van den ochtend tot den avond, zichzelf geheel

vergetende! Toch zou hij niet geslaagd zijn zonder de hulp van Simonides,

die hem van wapenen en geld voorzag, en van Ilderim, die hem proviand

bezorgde en overal wachten had uitgezet.

Voor de Galileërs had hij niets dan lof. Onder dien naam waren de

stammen Aser, Zebulon, Issaschar en Nafthali begrepen, die het land

bewoonden, hun weleer door Mozes aangewezen. De Joden, die in den omtrek

des Tempels geboren waren, verachtten hunne noordelijke broederen, maar

zelfs de Talmud leerde: De Galileër bemint de eer, de Jood het geld.

Hun haat tegen Rome was even vurig als hunne liefde voor het vaderland.

Bij elken opstand waren zij de eersten om aan te vallen en de laatsten

om te wijken. Honderdvijftigduizend Galileesche mannen hebben hun leven

gelaten in den laatsten kamp tegen Rome. Voor de groote feesten trokken

zij als geordende legerscharen op naar Jeruzalem en kampeerden in het

open veld. Toch waren zij zeer vrijzinnig, en zelfs toegevend voor het

heidendom. Op de schoone steden door Herodes in Romeinschen trant

gebouwd, vooral op Sepphoris en Tiberias, waren zij zeer trotsch en

droegen voor den bouw naar vermogen bij. Mannen uit alle oorden der

wereld hadden hunnen woonstede onder hen en leefden er in vrede. Tot

roem van den Hebreeuwschen naam brachten zij dichters en profeten voort,

met name den zanger van het hooglied en Hosea.

Op een volk met zoo rijke verbeelding, zoo hooghartig, dapper en trouw,

moest het verhaal van de aanstaande komst des nieuwen konings machtig

werken. Dat zijn doel was Rome ten onder te brengen zou reeds voldoende

geweest zijn, om hem te winnen voor Ben-Hurs plannen, doch toen men hun

daarenboven verzekerde, dat de koning de wereld zou regeeren en een rijk

zou stichten, nog machtiger dan dat van Cesar, nog heerlijker dan dat

van Salomo, en dat die heerschappij eeuwig zou voortduren, stroomden zij

toe, en wijdden zij zich met lichaam en ziel aan 's konings zaak. Zij

vraagden Ben-Hur vanwaar hij deze dingen wist--en hij wees hen op de

profeten, en vertelde hun van Balthasar, die in Antiochië op de komst

des konings wachtte. Dat voldeed hen, want het was de oude

Messiasbelofte, naar wier vervulling zij reeds zoo lang hadden

uitgezien. De droom zou dus eindelijk verwezenlijkt worden.

De wintermaanden gingen voorbij. De lente kwam, en zoo voortreffelijk

was hij met alles geslaagd, dat hij tot zichzelven en zijne volgelingen

mocht zeggen: laat de koning nu maar komen. Hij heeft slechts te bevelen

waar hij zijnen troon wil opgericht zien--wij zijn gereed om hem op

zijnen troon te handhaven.

De Galileërs kenden hunnen aanvoerder alleen als een zoon van Juda. Een

anderen naam had hij hun niet opgegeven.

* * * * *

Op zekeren avond zat Ben-Hur in Trachonitis met een paar van zijne

Galileesche vrienden voor de spelonk, waar hij zijn hoofdkwartier had

opgeslagen, toen een Arabische bode kwam aanrijden en hem een brief

overhandigde. Hij verbrak het zegel en las:

Jeruzalem IV Nisan.

Een profeet is opgestaan, van wien men zegt dat hij Elias is. Hij

heeft jarenlang in de wildernis geleefd, en in onze oogen is bij

een profeet. Zijne taal maakt hem ook als zoodanig openbaar. In

zijne prediking wijst bij steeds op één, grooter dan hijzelf, die

weldra komen zal. Hij houdt zich op aan den oostelijken oever van

den Jordaan. Ik ben hem gaan zien en hooren, en geloof vast dat

degeen op wien hij wacht de koning is, dien gij verwacht. Kom en

oordeel zelf. Geheel Jeruzalem gaat tot den profeet, en de plaats

waar hij vertoeft is zoo vol, als de Olijfberg gedurende de laatste

dagen van het Paaschfeest.

Malluch.

Ben-Hurs gelaat werd met een glans van vreugde overtogen. Mijne vrienden,

zeide hij, ons wachten is ten einde. De heraut van den koning is verschenen

en heeft zijne komst aangekondigd.

Nadat hij hun den brief had voorgelezen, verheugden zij zich allen met

groote blijdschap.

--Maakt u dus gereed, vervolgde hij, en keert morgenochtend huiswaarts.

Doet al de uwen weten, dat zij zich gereed houden om op te trekken,

zoodra ik het sein geef. Ik zal gaan zien, of de komst van den koning

werkelijk zoo nabij is en het u doen weten.

Hij ging de spelonk binnen om een brief te schrijven aan Ilderim en aan

Simonides, waarin hij hun de zoo even ontvangen tijding mededeelde. De

brieven verzond hij door ijlboden. 's Avonds, toen de sterren aan den

hemel flonkerden, steeg hij te paard en begaf zich met een Arabischen

gids op weg naar den Jordaan. Zijn plan was den weg te volgen tusschen

Rabbath Ammon en Damascus, den weg, dien de karavanen gewoonlijk namen.

De gids was vertrouwbaar. Aldebaran was vlug;--tegen middernacht hadden

zij het lavagebied reeds achter zich en waren zij op weg naar het Zuiden.

* * * * *

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN VERRASSING.

Ben-Hur had gehoopt met het aanbreken van den dag een veilige rustplaats

te zullen bereiken, maar de morgenstond overviel hem in de woestijn, en

hij zette de reis voort, daar de gids hem verzekerde, dat zij weldra aan

een door hooge rotsen ingesloten dal zouden komen, waar hij een bron,

moerbeiboomen en gras in overvloed zou vinden.

Nadat zij eenigen tijd zwijgend hadden doorgereden, vestigde de gids,

die aanhoudend rondkeek, zijne aandacht op een gezelschap, dat, hoewel

nog verre achter hen, denzelfden weg scheen te volgen.

--Het is een gezadelde kameel, zeide de gids een oogenblik later.

--Zijn er geleiders bij? vraagde Ben-Hur.

--Neen ... of ja, er is een man te paard bij, zeker de drijver.

Een weinig later kon Ben-Hur zelf den kameel onderscheiden. Hij was wit

en buitengewoon groot, en herinnerde hem terstond het schoone dier, dat

hij bij de Castaliabron gezien had. Geen ander was dien kameel gelijk.

Zijne gedachten vlogen terug naar de Egyptische, ongemerkt liet hij zijn

paard langzamer gaan. Eindelijk zag hij dat de kameel een overdekte

zonnetent droeg, waarin twee personen zaten. Als dat eens Balthasar en

Iras waren? Zou hij zich aan hen bekend maken? Maar dat was immers niet

mogelijk! Wat zouden zij hier in de woestijn doen, zij alleen?

Terwijl hij de mogelijkheid of onmogelijkheid overdacht, was de kameel

hem reeds op zijde gekomen. Hij hoorde het gerinkel der belletjes en zag

de rijke versiering, die het volk aan de Castaliabron zoozeer bekoord

had; ook den Ethiopiër herkende hij. Toen de kameel het paard had

ingehaald hield hij stil, en zag Ben-Hur de verbaasde oogen van Iras op

zich gevestigd.

--De zegen van den waren God zij met u, zeide Balthasar.

--En met u en de uwen, antwoordde Ben-Hur.

--Mijne oogen zijn verzwakt door de jaren, zeide Balthasar, maar toch

meen ik in u den zoon uit het huis van Hur te herkennen, dien ik onlangs

ontmoet heb, als den geëerden gast van Ilderim.

--En gij zijt Balthasar, de wijze Egyptenaar, wiens gesprek over zekere

heilige zaken mij nog in de ooren klinkt, te meer daar diezelfde zaak

mij de reis door deze wildernis deed aanvaarden. En wat bracht u hier

zoo alleen?

--Hij, die op God vertrouwt, is nooit alleen, en God is overal, zeide

Balthasar ernstig. Maar in antwoord op uwe vraag diene, dat een

karavaan, op weg naar Alexandrië, ons op korten afstand volgt, en daar

zij Jeruzalem denkt aan te doen, dacht het mij goed gebruik te maken van

haar geleide tot aan de Heilige Stad, waarheen ik op reis ben. Zij gaat

mij echter te langzaam, daarom reden wij hedenmorgen vooruit. Voor

roovers op den weg zijn wij niet bang, want wij hebben een geleibrief

van Sheik Ilderim, en tegen roofdieren is God onze beschutting.

--De geleibrief van den Sheik is van kracht zoover de woestijn zich

uitstrekt, en de leeuw, die dezen vorst der kameelen inhaalt, moet zeker

nog geboren worden, zeide Ben-Hur, het dier op den hals kloppende.

--Ja, zeide Iras, maar ook hij verlangt naar het verbreken van zijn

vasten. Koningen voelen daar ook wel de gevolgen van. Indien gij

werkelijk de Ben-Hur zijt, dien ik het genoegen heb gehad reeds vroeger

te ontmoeten, zal het u zeker een genoegen zijn ons den weg te wijzen

naar een bron, want wij verlangen naar een teug frisch water.

--Schoone Egyptische, antwoordde hij, ik kan met u gevoelen. Kunt gij

nog vijf minuten geduld oefenen, dan zal ik u bij eene bron brengen,

wier water niet onderdoet voor dat van de beroemde Castaliabron.

Dit gezegd hebbende reed Ben-Hur vooruit met den gids, daar het gesprek

onder het rijden toch niet kon worden voortgezet. Na een korten rit kwam

het gezelschap aan een _wady_. Hare bedding was zeer week door de regens

van de laatste dagen en voerde vrij steil naar beneden. Weldra echter

werd zij breeder en verliep ten slotte in een vruchtbare vallei, die, na

de zandige eentonige vlakte, den indruk maakte van een paradijs. Eenige

bloeiende oleanders, wier schitterend roode bloemen dadelijk de aandacht

tot zich trokken, waren het sieraad van dit liefelijk oord. Een statige

palmboom verhief zijn kruin ten hemel en bood den reizigers rust en

koelte aan onder zijn breede takken. Een moerbeziënboschje ter

linkerzijde gaf de plaats aan waar de bron te vinden was.

Het water stroomde uit een rotsspleet, die door een zorgende hand

verbreed was, en waarboven in groote letters het woord GOD in het

Hebreeuwsch gegraveerd stond. Zonder twijfel had hij, die de letters in

den steen gegrift had, hier dagen lang getoefd, en op deze wijze zijne

dankbaarheid geuit.

Ben-Hur en de gids stegen af, de Ethiopiër deed den kameel nederknielen,

zoodat Balthasar en Iras de tent konden verlaten.

De Egyptenaar keerde zijn gelaat naar het Oosten, vouwde de handen

eerbiedig en bad.

--Geef mij een beker, beval Iras ongeduldig, en toen de Ethiopiër haar

onhandig een kristallen beker had gebracht, zeide zij tot Ben-Hur: Ik

zal u bedienen.

Te zamen wandelden zij naar de bron. Hij wilde water voor haar scheppen,

maar zij stond het hem niet toe, knielde neder, vulde zelve den beker en

bood hem dien aan.

--Neen, neen, zeide hij, het is aan mij u dezen dienst te bewijzen.

Zij bleef echter aandringen, er bijvoegende: Wij, Egyptenaren, zoon van

Hur, hebben een spreekwoord: Beter de schenker te zijn van den gelukkige,

dan raadsman van een koning.

Nu voegde Balthasar zich bij hen.

--Wij zijn u zeer verplicht, zeide hij, deze vallei is liefelijk; het

gras, de boomen, de schaduw noodigen ons tot een rustig verblijf. De

bron fonkelt in den zonneschijn en spreekt tot mij van een God vol

liefde. Blijf bij ons en zit met ons aan.

--Laat ik u dan eerst met een dronk mogen verkwikken, zeide de jonkman,

hem een vollen beker aanbiedende.

Intusschen had de slaaf de tent opgeslagen en alles voor het ontbijt in

gereedheid gebracht, waaraan door de reizigers alle eer bewezen werd.

* * * * *

DERDE HOOFDSTUK.

ONSTERFELIJKHEID.

De koele atmosfeer, de schoone bloemen, de sabbatsstilte, alleen

verbroken door het zachte ruischen van het water en het gonzen der

insecten, brachten den Egyptenaar in een opgewekte stemming.

--Toen wij u inhaalden, zoon van Hur, zeide hij, was uw gelaat naar

Jeruzalem gekeerd. Mag ik u vragen of dat het doel uwer reis is?

--Ja, ik ben op weg naar de Heilige Stad.

--Wij ook, en daar ik mijne krachten sparen moet wensch ik er zoo

spoedig mogelijk te zijn. Kunt gij mij ook zeggen, of er een korter weg

is, dan die over Rabbath Ammon?

--Ik ga over Gerasa, en Rabbath Gilead, dat is veel korter, maar ook

vermoeiender.

--Ik verlang naar het einde van de reis, zeide Balthasar. In den

laatsten tijd droomde ik telkens denzelfden droom. Herhaaldelijk hoorde

ik een stem, die mij toeriep: Haast u, maak u op! Hij, dien gij zoolang

verwacht hebt, staat te komen.

--Gij bedoelt hem, die de koning der Joden zal worden? vraagde Ben-Hur

verbaasd.

--Juist.

--Hebt gij dus nog niets van hem gehoord?

--Niets, behalve die woorden van mijn droom.

--Ziehier dan een tijding, die u zal verheugen.

Uit de plooien van zijn gewaad haalde Ben-Hur den brief van Malluch te

voorschijn. Balthasar strekte er de hand naar uit en las hem hardop.

Toen hief hij zijne oogen dankend op naar den hemel. Hij deed geen

vragen, maar twijfelde ook niet.

--Hoe goed zijt gij voor mij geweest, o God, zeide hij. Vergun mij, bid

ik u, den Messias te zien, opdat ik hem moge aanbidden, en laat uw

dienstknecht heengaan in vrede.

De eenvoudige, vertrouwelijke bede maakte diepen indruk op Ben-Hur.

Nooit had hij zoo Gods tegenwoordigheid gevoeld. Het was hem, alsof God

hier persoonlijk bij hem was, een vriend, wien zij alles konden vragen,

een vader, die al zijne kinderen evenzeer liefhad, een vader voor den

zoon van Israël, zoowel als voor den heiden, een vader voor allen, wien

allen naderen mochten zonder tusschenkomst van priesters of leeraars. De

gedachte, dat zulk een God de menschheid een Verlosser zou kunnen zenden

in plaats van een koning, kwam hem niet meer zoo vreemd voor, de vraag

kwam zelfs bij hem op, of het niet veel meer overeenkomstig was met het

wezen Gods. Daarom zeide hij: Denkt gij nu nog dat hij als Verlosser zal

optreden en niet als koning?

--Wat zal ik daarop zeggen? antwoordde Balthasar. De geest, die mij

weleer geleidde, is mij niet meer verschenen sinds ik u ontmoette in de

tent van den goeden Sheik; ten minste niet op de vroegere wijze. Maar ik

geloof dat die geest nu in mijne droomen tot mij spreekt. Een andere

openbaring heb ik niet.

--Ja maar, zeide Ben-Hur, gij dacht dat hij een koning zou zijn, hoewel

niet als de vorsten der aarde. Gij dacht dat zijne heerschappij

geestelijk zou zijn, niet van deze wereld.

--O ja, luidde het antwoord, en dat geloof ik nog. Ik zie dat er

verschil is in onze verwachting. Gij gaat om een koning van menschen te

ontmoeten, ik ga om een behouder van zielen te zien.

Hij hield even op, alsof hij naar de juiste woorden zocht om zijne

meening duidelijk te maken.

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 26 / 32 段