Snel staken zij de straat over en gingen in de schaduw voort, totdat zij

tegenover de poort kwamen, waar zij bleven stilstaan.

--Blijf even hier. De man slaapt, ik wil beproeven of de poort dicht is.

Dit zeggende stak zij de straat over en duwde zacht tegen een der

deuren, maar juist op dat oogenblik slaakte de vreemdeling een zucht,

bewoog zich onrustig in zijn slaap en draaide het hoofd om, zoodat zijn

gelaat duidelijk zichtbaar werd. Zij zag hem aan en ontstelde hevig,

keek nogmaals, bukte zich een weinig, kwam weer overeind, vouwde de

handen en hief de oogen ten hemel in stil gebed. Een oogenblik slechts,

toen ging zij ijlings naar Tirza terug.

--Kind, Tirza! dat is mijn zoon, uw broeder! fluisterde zij zacht, greep

hare dochter bij de hand en vervolgde: Laat ons hem samen aanschouwen,

even slechts, en dan, o God, help dan uwe dienstmaagden!

Onhoorbaar staken zij de straat over. Toen zij vlak bij hem waren gekomen,

bleven zij staan. Een van zijne handen was afgegleden en rustte op de

stoep. Tirza viel op hare knieën en wilde die hand kussen, maar de moeder

trok haar terug. Pas op, kind, vermaande zij, wat woudt gij doen? Onrein!

Onrein!

De arme Tirza week verschrikt achteruit, alsof haar broeder de melaatsche

was.

Ben-Hur was schoon om aan te zien. Zijn gelaat was verbrand door de zon,

mar de lippen waren rood, de tanden wit, en de golvende baard verborg

niet den fraaien vorm van kin en hals. Hoe schoon was hij in zijn

moeders oogen! Hoe smachtte zij er naar hem in hare armen te nemen en

aan haar hart te drukken. Waaruit putte zij de kracht om niet aan dat

verlangen toe te geven? Juist uit hare liefde voor hem. Voor niets ter

wereld zou zij, de melaatsche, een kus hebben willen drukken op zijne

wang. Toch wilde zij hem aanraken. Op hetzelfde oogenblik dat zij hem

vond, moest zij voor altijd afscheid van hem nemen, dat, zij wist het,

werd van haar geëischt. Bittere, bittere gedachte!

Zij knielde naast hem neder en drukte zacht hare lippen tegen de zool

van zijn sandaal, hoe bestoven die ook was; zij kuste die nog eens en

nog eens. Haar gansche ziel lag in die kussen.

Daar bewoog hij zich weer en prevelde in zijn slaap: Moeder ... Amrah,

waar is ...

Het was bijna te veel voor de arme vrouw. Zij drukte haar gelaat tegen

de steenen, om haar snikken te smoren, want haar hart dreigde te breken.

Bijna wenschte zij dat hij wakker mocht worden. Hij dacht immers aan

haar in den slaap, en mocht hij dan niet weten, dat zij zoo dicht bij

hem was? Maar de tijd drong. Zij stonden op ... nog één langen blik, een

laatste blik, en weer staken zij de straat over. In de schaduw zetten

zij zich neer, wachtend, ja, waarop? Op het een of ander, zij wisten

zelf niet wat.

Nog niet lang hadden zij zoo gezeten, of een andere vrouw kwam den hoek

van het huis om. Zij zagen haar duidelijk: een kleine vrouw, gebogen van

houding, donker van kleur, eenvoudig, maar netjes gekleed. Zij had een

mand met eetwaren bij zich.

Toen zij den man op de stoep bemerkte bleef zij staan, bezon zich echter

en kwam zachtkens naderbij. Zonder hem aan te raken ging zij naar de

poort, en stak hare hand door eene in de linkerdeur aangebrachte

opening.

Een van de planken week op zij, de vrouw schoof er de mand door en wilde

zelve volgen, toen zij, door nieuwsgierigheid gedreven, nog even staan

bleef om een blik op het gelaat van den vreemdeling te werpen.

De toeschouwers van den overkant hoorden een verbaasden uitroep, zagen

dat de vrouw haren oogen wreef, alsof zij een droombeeld dacht te

zien,--zij zagen haar zich over hem heenbuigen, de hand des slapers

vatten en met kussen overdekken ... wat moeder en zuster ook zoo gaarne

zouden gedaan hebben, maar niet durfden.

Door die aanraking gewekt trok Ben-Hur zijne hand terug, en zag

tegelijkertijd de vrouw aan. Daar sprong hij overeind en riep blijde:

Amrah! o Amrah! Zijt gij daar eindelijk?

Zij antwoordde niet, maar viel hem om den hals en snikte luid.

--Goede Amrah, hoorde zijne moeder hem zeggen, wat ben ik blij u te

zien; maar zeg mij gauw wat gij van moeder en Tirza weet. Waar zijn zij?

Gij hebt haar natuurlijk gezien. Zijn zij thuis?

Maar Amrah schreide slechts te heviger. Tirza maakte een beweging, maar

de moeder, haar voornemen radende, hield haar tegen en fluisterde: Ga

niet, voor niets ter wereld. Onrein! Onrein!

Neen, al moest haar hart ook breken, haar zoon zou niet worden wat zij

waren.

--Woudt gij naar binnen gaan? vraagde Ben-Hur aan Amrah. Kom dan. Ik ga

met u mee. De Romeinen, dat 's Heeren wraak hen treffe, liegen. Dat is

mijn huis. Kom, Amrah, laat ons naar binnen gaan.

Zij traden binnen en sloten de deur, die nooit meer open zou gaan voor

de arme moeder en hare dochter. Zij hadden het offer gebracht. Zij bogen

zich diep in het stof. Men vond haar den volgenden morgen, en dreef haar

met steenen de stad uit. Weg met u! Gij behoort tot de dooden! Gaat naar

de dooden! riep men haar na.

* * * * *

VIJFDE HOOFDSTUK.

AMRAHS TROUW.

Als de hedendaagsche reiziger den Koningstuin bij Jeruzalem bezoeken

wil, neemt hij zijnen weg door de bedding der beek Kedron, of langs den

Gihon en Hinnom, tot aan de oude fontein Rogel, drinkt dan van het

heerlijke water, en staat stil, want hij heeft het uiterste punt bereikt

van het bezienswaardige in die richting. Hij werpt een blik op de groote

steenen, die de bron omringen, onderzoekt hoe diep zij wel is, glimlacht

over de primitieve manier van waterscheppen, en geeft misschien een

aalmoes aan de arme ziel, die er de wacht bij houdt. Keert hij zich

daarna om, dan rusten zijne oogen op de bergen Moria en Sion ten

noorden, den Berg der Ergernis aan zijne rechterhand, en den Berg van

den Slechten Raad ter linkerzijde, welke bergen hij, zoo hij ten minste

thuis is in de bijbelsche geschiedenis en in de overlevering, met groote

belangstelling zal gadeslaan.

De beide laatste bergen zijn vol spelonken en holen, die toen ten tijde,

evenals de graven in het dal, tot woonplaats strekten aan de uit de stad

verdreven melaatschen.

Op den tweeden morgen na de gebeurtenissen in het vorige hoofdstuk

vermeld, begaf Amrah zich naar de bron Rogel, en ging bedaard op een

steen zitten. Zij had een waterkruik bij zich en een mandje, waarvan de

inhoud met een sneeuwwitten doek bedekt was. Toen zij gezeten was,

maakte zij haar hoofddoek los, vouwde de handen om hare knieën en

staarde peinzend naar den Akker des Pottenbakkers, later Akeldama

genoemd.

Het was nog zeer vroeg, nog niet volkomen dag en zij was de eerste bij

de bron. Niet lang daarna echter kwam een man met een touw en een leeren

emmer en hield zich gereed om water te putten. Men kon indien men dat

verkoos zichzelf helpen, maar anders was hij bereid om voor een

kleinigheid de grootste kruiken te vullen.

Amrah bleef stil zitten en bewaarde het zwijgen. Na een poosje vraagde

de man, of zij haar kruik soms gevuld wilde hebben, en toen zij

antwoordde: Nog niet,--lette hij verder niet op haar. Toen het volkomen

dag geworden was, kwamen zijne gewone klanten, zoodat hij zijne handen

vol werk had.

Terwijl Amrah nog altijd zit te wachten en uit te kijken, zullen wij

zien met welk doel zij daar kwam.

Zij was gewoon 's avonds ter markt te gaan. Onopgemerkt sloop zij dan

het huis uit, en begaf zich naar de winkels bij de Vischpoort, in het

oosten der stad, waar zij hare inkoopen deed, om daarna weder even

geheimzinnig in huis te komen. Hoe gelukkig zij was, dat zij haar jongen

meester weer bij zich had, kan men zich voorstellen. Zij kon hem echter

niets vertellen van zijne moeder en zuster. Hij trachtte haar over te

halen een andere woning te betrekken, maar zij was er niet toe te

bewegen. Gaarne zou zij gezien hebben, dat hij zijn oude kamer weer

betrokken had, die onveranderd dezelfde gebleven was, maar het gevaar

van ontdekt te worden was te groot, en hij wilde zoo min mogelijk de

aandacht trekken. Hij bleef dus bij zijn voornemen om in de herberg der

wijk Bezetha te overnachten, en beloofde Amrah zoo dikwijls mogelijk bij

haar te zullen komen, maar altijd 's avonds laat. Hiermede moest zij

zich tevreden stellen, en van nu was zij op niets anders bedacht, dan

hoe zij hem genoegen zou kunnen doen. Dat het kind intusschen man

geworden was scheen niet bij haar te wegen, en de mogelijkheid dat zijn

smaak veranderd kon zijn, kwam niet bij haar op, waarom zij hem als van

ouds dacht te bedienen. Zij herinnerde zich nog goed waar hij het meest

van gehouden had, en nam zich voor te zorgen dat zij daar altijd genoeg

van in huis had. Daarom ging zij de volgenden avond wat vroeger uit dan

gewoonlijk, en terwijl zij een winkel binnenging om honig te koopen

gebeurde het, dat zij op een groepje menschen stuitte, geschaard rondom

een werkman, die hun een verhaal deed.

Wat dat voor een verhaal was, zal de lezer wel begrijpen, als hij

verneemt, dat de verteller een der werklieden was, die den commandant

van den burcht Antonia bijgelicht hadden, toen hij de gevangenen in cel

VI bezocht. Hij vertelde alles wat hij gehoord en gezien had tot in de

kleinste bijzonderheden, ook den naam der ongelukkige slachtoffers.

Met welke gevoelens de trouwe Amrah naar die tijding luisterde valt niet

te beschrijven. Zij deed hare inkoopen en keerde als in een droom

huiswaarts. Welk eene verrassing kon zij den jongen meester nu bereiden!

Zij had zijne moeder gevonden!

Thuis gekomen bergde zij het gekochte weg, en lachte en schreide te

gelijk. Eensklaps bleef zij onbewegelijk staan en dacht een oogenblik

na. Ach, het zou immers zijn dood wezen, als hij hooren moest, dat zijne

moeder en zuster melaatsch waren! Zonder twijfel zou hij naar dat oord

der verschrikking bij den berg gaan en de besmette spelonken doorzoeken,

totdat hij ze gevonden had. Dan zou de ziekte ook hem aantasten en zou

hij haar lot moeten deelen. Zij wrong wanhopig de handen. Wat moest zij

doen!

Evenals menigeen voor en na haar hielp de liefde haar uit den nood.

De melaatschen, dat wist zij, waren gewoon 's morgens hunne holen te

verlaten, om het benoodigde drinkwater uit de bron Rogel te halen. Zij

brachten hunne waterkruiken mede, zetten die op den grond, en stonden

dan van verre te wachten, totdat zij gevuld waren. De wet was

onverbiddelijk en liet geen onderscheid toe tusschen rijken of armen.

Hare meesteres en Tirza zouden dit ook moeten doen.

Zoo besloot Amrah dan niets te zeggen van hetgeen zij gehoord had, maar

eerst naar de bron te gaan en daar te wachten. Honger en dorst zouden de

ongelukkigen derwaarts drijven, en zij geloofde zeker haar op het eerste

gezicht te zullen herkennen; zoo niet, dan zouden zij het haar doen.

Intusschen kwam Ben-Hur thuis en had veel met haar te bespreken. Morgen

zou Malluch komen, dan zouden zij terstond met het onderzoek beginnen.

Hij verlangde er vurig naar. Om zich wat afleiding te bezorgen wilde hij

de heilige plaatsen op den tempelberg gaan bezoeken. Het geheim woog de

arme Amrah wel zwaar op het hart, maar zij wist zich te beheerschen en

zweeg.

Na zijn vertrek zette zij zich aan den arbeid en maakte eenige

kostelijke spijzen gereed. Zoodra de sterren verbleekten en de eerste

morgenschemering aanbrak pakte zij hare mand vol, nam een waterkruik en

sloeg den weg in naar de bron Rogel, waar wij haar zien wachten.

Kort na zonsopgang, toen de bezoekers vele waren en de man de handen vol

werk had, toen zelfs een half dozijn emmers te gelijk werd neergelaten,

daar iedereen zich haastte om weg te komen, voordat de koele morgen

plaats maakte voor de hitte des daags, kwamen ook de arme spelonkbewoners

te voorschijn. Zij naderden in groepjes, vrouwen met kruiken op den

schouder, oude en zwakke mannen leunende op krukken en stokken, of op

den schouder van een jongere, sommige zelfs op draagbaren uitgestrekt,

ook enkele kinderen. Van hare zitplaats hield Amrah trouw de wacht. Meer

dan eens meende zij haar te zien, dien zij zocht. Dat zij op den berg

waren betwijfelde zij niet; dat zij komen moesten en zouden wist zij.

Als al de anderen gereed waren zouden zij komen, dat stond bij haar

vast.

Aan den voet van den berg was een grafspelonk, die meer dan eens Amrah's

opmerkzaamheid getrokken had door haar wijden ingang. Een bijzonder

groote steen lag bij de opening. Gedurende het heetst van den dag wierp

de zon hare stralen in het oogenschijnlijk onbewoonde en onbewoonbare

hol. En zie, juist uit die spelonk zag de geduldige Egyptische tot hare

verbazing twee vrouwen komen, waarvan de eene de andere leidde en

steunde. Beider haar was wit, beiden schenen reeds oud te zijn, maar

hare kleeding was netjes en goed. Zij zagen rondom zich, alsof alles

haar vreemd was. Verbeeldde Amrah het zich, of schrikten die twee, toen

zij hare deelgenooten in de ellende zagen? 't Waren maar kleinigheden,

die zij opmerkte, maar zij deden haar hart sneller kloppen en hare

aandacht uitsluitend op die twee vrouwen vestigen.

De twee melaatschen bleven een oogenblik bij den steen staan, en gingen

toen langzaam en alsof het loopen haar moeilijk viel naar de bron,

waarop verscheidene stemmen haar toeriepen te blijven waar zij waren;

maar 't scheen alsof zij het niet begrepen, want zij gingen door. De

putbewaarder nam eenige steentjes op om haar daarmede te verdrijven, de

omstanders wierpen haar vloeken naar 't hoofd, en de andere melaatschen

riepen luid: Onrein! Onrein!

--Ja zeker, dacht Amrah, die twee zijn vreemd en kennen de gebruiken der

melaatschen niet.

Zij stond op, ging haar te gemoet met haar mandje en kruik, en terstond

hield het rumoer aan de bron op.

--Hoe dwaas, zeide één lachend, zulk goed eten aan de dooden te geven!

--En er nog wel zoo ver voor te komen, zeide een ander. Ik zou ze

tenminste aan de poort bescheiden.

Amrah stoorde zich niet aan de praatjes en volgde de inspraak van haar

hart. Toch was zij er nog niet geheel zeker van. Als zij zich eens

vergiste! De moed ontzonk haar bijna, en hoe dichter zij bij de twee

vrouwen kwam, des te meer raakte zij aan het twijfelen. Op een afstand

van tien of twaalf voetstappen bleef zij staan. Kon dat de geliefde

meesteres zijn, wier edele trekken zij zoo trouw in dankbaar aandenken

bewaard had? En kon dat Tirza zijn, die zij van klein af verzorgd had,

met wie zij gespeeld had? Dat de lieve, mooie, vroolijke Tirza, de

zonnestraal in het groote huis? Onmogelijk. Het aanschouwen dier

rampzaligen maakte haar ziek.

--Dit zijn oude vrouwen, zeide zij tot zichzelve. Ik heb ze vroeger

nooit gezien; ik zal maar teruggaan.

Zij keerde zich om en ging.

--Amrah! riep een der beide melaatschen.

--Wie roept mij? vraagde Amrah bevend.

--Amrah!

--Wie zijt gij? vraagde zij.

--Wij zijn, die gij zoekt.

Amrah viel op hare knieën.

--O lieve, lieve meesteres! Uw God, die ook de mijne is, zij geloofd en

geprezen, dat ik u heb mogen vinden!

De trouwe ziel kroop op de knieën naar haar toe.

--Pas op, Amrah! Kom niet dichterbij. Onrein! Onrein!

Amrah, dus tegengehouden, bedekte haar gelaat met beide handen en snikte

zoo luid, dat de menschen bij de bron het hoorden. Eensklaps richtte zij

zich op en vraagde: Lieve meesteres, waar is Tirza toch?

--Hier ben ik, Amrah, hier! Zoudt gij mij wat water willen geven?

Amrah sprong op, streek zich het haar uit de oogen, en nam den doek van

haar mandje. Zie, sprak zij, ik heb wat brood en vleesch voor u

meegebracht.

--Dat is goed van u, Amrah. Wilt gij nu wat water voor ons halen? dan

nemen wij het mee naar de spelonk. Meer moogt gij vandaag niet voor ons

doen.

De lieden bij de bron, die dit alles van verre hadden gadegeslagen,

gingen voor Amrah op zijde, en hielpen haar zelfs de kruik vullen,

zoozeer wekte haar zichtbare droefheid hun medelijden op.

--Wie zijn dat? vraagde eene vrouw.

Zacht antwoordde Amrah: Zij zijn goed voor mij geweest.

Toen de kruik gevuld was zette zij die op haar schouder en spoedde zich

naar de melaatschen terug. In haren ijver zou zij tot vlak bij haar

gegaan zijn, maar de kreet: Onrein! Onrein! hield haar nog intijds

tegen. Zij zette de kruik naast het mandje, en ging een paar stappen

terug.

--Hartelijk dank, goede Amrah, gij hebt braaf gehandeld.

--Kan ik nog iets voor u doen?

De moeder had de kruik reeds opgenomen en hoewel zij versmachtte van

dorst zette zij haar weder op den grond en zeide: Ja. Ik weet dat Juda

thuis gekomen is. Ik zag hem eergisteravond op de stoep liggen slapen,

en ik zag u, toen gij hem wakker maaktet.

Amrah sloeg de handen ineen en riep: Dat zaagt gij, en kwaamt niet bij

ons.

--Dat mocht ik immers niet doen. Ach, Amrah, ik kan mijn zoon nooit meer

in de armen nemen, hem nooit meer aan mijn hart drukken. Amrah, ik weet

dat gij hem liefhebt, niet waar?

--Ja, ja, ik wil als 't noodig is voor hem sterven, riep de trouwe ziel.

--Welnu, geef mij daar een bewijs van.

--Al wat gij wilt.

--Dan moogt gij hem niet zeggen waar en hoe gij ons gevonden hebt.

Anders niet.

--Maar hij zoekt u overal! Hij is van verre gekomen om u te zoeken!

--Hij mag ons niet vinden. Hij mag niet worden wat wij zijn. Luister,

Amrah. Blijf ons dagelijks van het noodige voorzien, zooals gij heden

deedt. Het zal niet lang noodig zijn, neen, niet lang. Kom 's morgens en

's avonds en vertel ons van hem; maar tegen hem geen woord over ons.

Belooft gij mij dat, Amrah? drong de moeder met trillende stem.

--Ach, 't zal mij zoo zwaar vallen te zien hoe hij u overal loopt te

zoeken, en hem dan niet te kunnen of te mogen zeggen, dat u nog leeft!

--Kunt ge hem zeggen dat gij ons gezond en wel hebt aangetroffen, Amrah?

Amrah snikte.

--Neen, vervolgde de moeder, en daarom moet gij zwijgen. Ga nu, en kom

van avond terug, dan zien wij naar u uit. Tot zoolang, vaarwel!

Amrah bleef geknield liggen, totdat moeder en dochter in de spelonk

verdwenen waren. Toen keerde zij bedroefd huiswaarts. Dienzelfden avond

kwam zij terug en deed dat voortaan dag aan dag, zoodat het de

uitgestootenen aan niets ontbrak. De spelonk, hoe eenzaam en verlaten

ook, was toch niet zoo somber, als de cel in den burcht. Het daglicht

stroomde naar binnen, zij waren in de vrije natuur, en het valt

gemakkelijker geloovig den dood te verbeiden onder de open lucht, dan in

een onderaardschen kerker.

* * * * *

ZESDE HOOFDSTUK.

DE KAMPVECHTER.

Aan den morgen van den eersten dag der zevende maand Tishri in 't

Hebreeuwsch, October bij ons, verrees Ben-Hur van zijne legerstede in de

herberg,--ontevreden met de geheele wereld.

Na de aankomst van Malluch, nu anderhalve maand geleden, waren zij

dadelijk aan het werk getogen. Malluch begaf zich allereerst naar den

burcht Antonia, en wendde zich rechtstreeks tot den commandant, wien hij

een omstandig verhaal deed aangaande het gebeurde met de familie Hur, en

duidelijk deed uitkomen, dat bij het ongeluk aan Gratus overkomen geen

sprake kon zijn van boosaardig opzet. Het doel van zijne nasporingen

was, zeide hij, ingeval de ongelukkigen nog leefden, den keizer een

smeekschrift aan te bieden, met verzoek om herstel van eer, rechten en

goederen. Zulk een smeekschrift zou, daar twijfelde hij niet aan, een

nauwkeurig onderzoek ten gevolge hebben, een onderzoek, waarvoor de

vrienden der familie volstrekt niet vreesden.

Tot antwoord deelde de commandant hem mede, dat de vrouwen in cel VI

gevonden waren, en gaf hem de memorie ter inzage, die hijzelf opgesteld

had, ja, stond zelfs toe dat Malluch er een afschrift van nam.

Daarop haastte deze zich terug naar Ben-Hur.

De jonkman was verplet hij het hooren van de vreeselijke tijding. Zijne

smart was te groot om in tranen of hartstochtelijke uitbarstingen van

woede verluchting te kunnen vinden. Doodsbleek bleef hij langen tijd

voor zich uit staren, nu en dan bij zichzelven herhalende: Melaatsch!

Zij--, moeder en Tirza--zij melaatsch! Hoe lang, o God, hoe lang?

Het eene oogenblik was hij vol van deernis, het volgende smachtte hij er

naar wraak te nemen. Eindelijk stond hij op.

--Ik moet ze gaan zoeken, Malluch! Misschien zijn zij stervend!

--Waar wilt gij zoeken? vraagde deze.

--Er is maar ééne plaats, waarheen zij hebben kunnen gaan.

Malluch trachtte het hem te ontraden, en slaagde er eindelijk in hem te

overtuigen van de noodzakelijkheid er zich persoonlijk buiten te houden

en alles aan hem, Malluch, over te laten. Te zamen gingen zij naar de

poort tegenover den Berg van den Slechten Raad, sinds onheugelijke

tijden de plaats, waar de melaatschen aan den weg zaten te bedelen. Daar

bleven zij den ganschen dag, deelden aalmoezen uit, vraagden overal of

men de twee vrouwen ook gezien had, en beloofden een rijke belooning aan

ieder, die hare verblijfplaats kon aanwijzen. Dat hielden zij anderhalve

maand lang dagelijks vol. De melaatschen, voor wie de uitgeloofde

belooning een machtige drijfveer was, doorzochten ijverig den omtrek,

maar tevergeefs. Ook de bewoonsters van de groote spelonk bij de bron

werden meer dan eens ondervraagd, maar zij wisten haar geheim te

bewaren.

--Waar kunnen zij toch gebleven zijn? vraagde Ben-Hur eindelijk

ontmoedigd, om er dan in bitterheid des gemoeds op te laten volgen: Ach,

zij zijn zeker dood; weggegaan--de wildernis in, en daar omgekomen.

Moeder dood--Tirza dood--ik alleen overgebleven. En waarvoor? Hoe lang,

o Heer, God mijner vaderen, hoe lang zal Rome mogen blijven bestaan?

Toornig, hopeloos, wraakzuchtig trad hij den voorhof van de herberg in,

en vond dien vol met menschen, welke gedurende den nacht waren

aangekomen. Terwijl hij zijn ontbijt gebruikte luisterde hij naar hunne

gesprekken. Eén gezelschap trok hem vooral aan. Het bestond uit sterk

gebouwde, geharde jonge mannen, wier manieren en spraak verrieden, dat

zij uit de provincie kwamen. Uit hun oogopslag, uit de houding van hun

hoofd sprak een geest, dien men niet bij de mindere klasse van Jeruzalem

opmerkte, de geest, die een gevolg is van het vrije gezonde leven in een

bergachtige streek. Weldra vernam hij, dat zij uit Galilea kwamen, en

hoofdzakelijk naar Jeruzalem gekomen waren om deel te nemen aan het

feest der Trompetten, dat op dien dag zou gevierd worden. Nu werd zijne

belangstelling nog grooter, want in Galilea hoopte hij allereerst hulp

te vinden voor het werk, dat hij weldra moest aanvaarden.

Terwijl hij hen gadesloeg en naging wat hij met een legioen van zulke

mannen, gedrild naar de strenge Romeinsche wetten, al niet zou kunnen

uitrichten, kwam een man de herberg binnenloopen met gloeiend gelaat en

schitterende oogen.

--Wat doet gij hier? vraagde hij de Galileërs. De rabbijnen en Oudsten

gaan juist uit den Tempel naar Pilatus. Haast u en komt mee, dan sluiten

wij ons bij hen aan.

In een oogwenk had hij de Galileërs rondom zich.

Naar Pilatus? Waarvoor?

--Zij hebben eene samenzwering ontdekt. Pilatus wil zijne nieuwe

waterleiding betalen met geld uit den Tempelschat.

--Wat? Met het heilige geld? riepen verscheidene mannen met vlammende

blikken. Het is geld van God. Laat hij probeeren er een penning van te

nemen, als hij durft!

--Komt dan! riep de boodschapper. De stoet is al over de brug; geheel

Jeruzalem is uitgeloopen en volgt hen. Wij zijn misschien noodig. Maak

voort!

Snel wierpen de mannen hun overtollige bovenkleeren af, en stonden daar

blootshoofds en in de korte tunica zonder mouwen, die zij gewoon waren

te dragen bij den veldarbeid, of bij de visscherij, de kleedij, waarin

zij de kudden weidden op de bergen en de rijpe druiven plukten in den

wijngaard.

--Wij zijn gereed, zeiden zij, hun gordels vaster aantrekkende.

Toen sprak Ben-Hur hen aan. Mannen van Galilea, zeide hij, ik ben een

zoon van Juda. Mag ik met u gaan?

--Het zal misschien tot een gevecht moeten komen.

--Welnu, in dat geval zal ik niet de eerste zijn, die op de vlucht gaat.

Zij zagen hem lachend aan en de bode zeide: Gij ziet er sterk genoeg

uit. Kom mee!

Ben-Hur wierp zijn opperkleed af. Gij denkt dus dat er gevochten zal

worden? vraagde bij koeltjes.

--Ja.

--Met wie?

--Met de wacht.

--Legioenen?

--Op wie anders kunnen de Romeinen zich verlaten?

--Welke wapenen hebt gij?

Niemand antwoordde.

--Nu, zeide hij, wij zullen ons zoo goed mogelijk moeten verweren. Maar

zou het niet verstandig zijn, als wij een aanvoerder kozen? De legioenen

hebben er ook altijd een, en handelen daardoor eenparig.

De Galileërs staarden hem verbaasd aan, alsof zij van zoo iets nooit

gehoord hadden.

--Laat ons ten minste afspreken bij elkander te blijven, zeide hij. Ik

ben gereed. Gijlieden ook?

--Ja, laat ons gaan.

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 25 / 32 段