Op den morgen van hare gevangenneming had men haar naar de burcht

gebracht, waar Gratus haar dacht op te sluiten. Hij had den burcht

gekozen, omdat die meer onmiddellijk onder zijn beheer stond, en cel VI,

omdat deze door melaatschheid besmet was. Hij wilde de vrouwen niet

alleen opsluiten--hij verlangde dat zij een zekeren, zij het dan ook een

langzamen, dood zouden sterven. Dientengevolge werden zij bij nacht naar

beneden gebracht, zoodat niemand er iets van bemerkte. Diezelfde slaven

metselden daarna de deur dicht, en werden vervolgens naar een afgelegen

oord verplaatst, zoodat het geheim een geheim blijven kon. Om voor alle

mogelijke gevallen toch den schijn te bewaren, wilde hij de vrouwen niet

laten verhongeren, maar plaatste hij bovenvermelde armen gevangene in de

cel daarnaast, om haar van brood en water te voorzien.

Zoo wist Gratus, onder voorwendsel van een troep moordenaars te straffen,

zich het vermogen der familie Hur toe te eigenen, waarvan geen penning de

keizerlijke schatkist bereikte. Ten besluite werd de toenmalige gevangen-

bewaarder verplaatst, een nieuwe platte grond ontworpen, en aan den nieuwen

bewaarder gegeven. Gratus bereikte volkomen zijn doel: de cel en hare

bewoonsters waren der vergetelheid prijs gegeven.

Welk een leven voor moeder en dochter, acht jaren lang; voor haar,

opgevoed in weelde, weggerukt uit een werkzaam, liefdevol leven,

veroordeeld tot nietsdoen in een onderaardschen kerker, waar slechts een

smalle gleuf in den buitenmuur licht en lucht aanbracht!

Treden wij de cel binnen.

De twee vrouwen bevinden zich vlak bij het smalle luchtgat. De eene zit

op den grond, de andere leunt half liggende tegen haar aan. Bij het

schemerachtig licht zien wij, dat zij zonder eenige bedekking zijn. Van

kleeding geen spoor meer. Maar wat haar ook ontnomen werd, de liefde

bleef, daarvan spreekt haar geheele houding. Rijkdom vergaat, schoonheid

verdwijnt, hoop vervliegt, maar de liefde blijft, want de liefde is uit

God.

Waar moeder en dochter neergezeten zijn, is de oneffen bodem geheel glad

geworden. Vermoedelijk hebben zij het grootste gedeelte van die lange

jaren op deze zelfde plaats gezeten, hare hoop op bevrijding koesterende

bij dat zwakke, maar toch vriendelijke licht. Als de lichtstraal naar

binnen viel, wisten zij dat het dag was. Als hij verdween, wisten zij

dat daarbuiten de nacht aanbrak, die toch nergens zoo lang en zoo

stikdonker kon zijn als bij haar. Daarbuiten! O, door die gleuf vlogen

hare gedachten de wereld in, om den zoon, den broeder te zoeken. Zij

zochten hem op de woelige zee, of op hare eilanden, nu in deze stad, dan

in gene, en overal vertoefde hij slechts vluchtig; want hij zocht haar

immers met rusteloos verlangen. Telkens en telkens hadden zij elkander

moed ingesproken door te zeggen: Hij vergeet ons niet. Zoolang hij leeft

is er hoop voor ons!

Bij het flauwe licht dat in de cel heerscht zien wij, dat zij uiterlijk

droevig veranderd zijn, een verandering, niet alleen toe te schrijven

aan de langdurige gevangenschap. Waren moeder en dochter voorheen schoon

van aangezicht, zelfs de liefde zou dat niet meer van haar kunnen

getuigen. Het lange, ongekamde haar heeft een zonderlinge witte kleur.

De vrouwen zelf zien er vreemd en terugstootend uit ... is het misschien

een gevolg van gebrek aan lucht en licht, of van honger en dorst, daar

zij sedert het vertrek van haar armen buurman niets te eten of te

drinken hebben gehad?

Tirza leunt tegen hare moeder en kreunt smartelijk.

--Stil, kind, zegt de moeder. Zij zullen komen. God is goed. Wij hebben

nooit verzuimd tot Hem te bidden, wanneer daarginds in den Tempel de

bazuinen geblazen worden. Het moet de zevende ure zijn, want de zon

staat nog in 't zuiden. Laat ons op God vertrouwen. Hij is goed.

--Ja, moeder, ik zal mijn best doen, antwoordt Tirza. Uw lijden is even

zwaar als het mijne; maar mijn tong brandt en mijn lippen zijn verdroogd.

Ach, waar zou Juda toch zijn? Zou hij ons nog ooit kunnen vinden?

Beider stem klinkt ongelooflijk scherp, droog en onnatuurlijk.

--Gisteren zag ik hem in mijn droom, kind, zoo duidelijk als ik u nu

zie. Wij moeten gelooven in droomen, dat weet gij wel, omdat onze

vaderen het ook deden. Onze God sprak dikwijls tot hen op die wijze. In

mijn droom stonden wij in den vrouwenvoorhof bij de Schoone Poort. Vele

vrouwen waren daar met ons, en hij kwam en stond achter de poort en

zocht ons. Mijn hart klopte hevig. Ik strekte de armen uit, en riep hem

luide bij zijn naam. Hij zag mij en hoorde mij, maar herkende mij niet.

Een oogenblik later was hij verdwenen.

--Hij zal ons zeker niet herkennen, moeder, als hij ons vindt. Wij zijn

zoo veranderd.

--'t Is mogelijk, maar ... de moeder zweeg, die gedachte was al te

pijnlijk.

--Ach moeder, riep Tirza, water! al is het maar één droppel.

De moeder werpt een wanhopigen blik in het rond. Het is haar alsof een

schaduw over het licht trekt. Zou dat de naderende dood zijn? Bijna

werktuigelijk zegt zij: Geduld, Tirza. Zij komen. Zij zullen weldra hier

zijn.

Eensklaps meent zij een geluid te hooren bij de opening in de cel van

den blinde, door welk gat het verkeer met de menschenwereld daarbuiten

gedurende al die jaren had plaats gehad.

Zij had zich niet vergist. Een oogenblik later weerklonk de bekende

kreet van haar ongelukkigen landgenoot door de ruimte. Beiden sprongen

op en kwamen naderbij. Daar hoorden zij iemand roepen: Hola! Wie daar?

Dat waren de eerste woorden, die na jaren van doodelijke stilte tot haar

gesproken werden. Welk een ommekeer! Uit den dood tot het leven

teruggekeerd, en dat zoo op eenmaal!

Zij antwoordde luide: Een Israëlitische vrouw, die hier levend begraven

is met hare dochter. Help ons spoedig, of wij sterven.

--Houd moed. Ik kom dadelijk terug.

Moeder en dochter barstten in tranen uit. Zij waren gevonden. De hulp

was nabij! Vergeten waren, voor het oogenblik althans, pijn, honger,

dorst. Opnieuw lachte de hoop haar toe.

Na een korte poos, de tijd dien Gesius noodig had gehad om zijn verslag

aan den commandant te doen, drong het geluid van hamerslagen tot de

gevangenen door. Ademloos luisterden zij, begrijpende wat dat beteekende.

De deur, die zoolang gesloten was geweest, werd opengebroken. De dag der

vrijheid brak eindelijk aan.

De handen, die het werk verrichtten, waren sterk en bedreven, en wil was

goed. De slagen, eerst dof, werden steeds duidelijker verneembaar; nu en

dan viel een steen op den grond. Nu konden zij zelfs de stemmen der

werklieden hooren, en, o hoe heerlijk! daar zagen zij door een spleet

het schijnsel der toortsen.

--O, moeder, riep Tirza, daar is Juda! Eindelijk heeft hij ons dan toch

gevonden!

Weder viel een steen, en nog een, toen verscheidene te gelijk ... en de

deur was eindelijk open. Een met stof en kalk bedekte arbeider stapte de

cel binnen, een toorts ophoog houdende. Twee of drie volgden, eveneens

met fakkels, en stelden zich bij den ingang om den commandant door te

laten.

Deze bleef echter staan, want de vrouwen vluchtten naar den uitersten

hoek, niet uit vrees, maar uit schaamte. Niet alleen uit schaamte

echter, want van uit den donkeren hoek, waar zij zich trachtten te

verbergen, werd den mannen een woord toegeroepen, het wanhopigste dat

over menschenlippen komen kan: Onrein! Onrein! Kom niet naderbij!

Ontzet zagen zij elkander aan.

--Onrein! Onrein! klonk het weer onbeschrijfelijk treurig uit den hoek.

Zoo volbracht de arme vrouw haren plicht en gevoelde zij tegelijkertijd,

dat de zoo vurig begeerde vrijheid, van verre gezien zoo heerlijk en

uitlokkend, een Sodomsappel bleek te zijn. Zij en Tirza waren melaatsch.

Weten onze lezers wat dat insloot? Een melaatsche werd als dood

beschouwd. Uit de stad verdreven mocht hij zijne betrekkingen slechts op

grooten afstand toespreken. Zijne woonplaats was bij andere melaatschen

in spelonken of wildernissen. Zag hij iemand naderen--uit de verte reeds

moest hij hem toeroepen: Onrein! Onrein!--Een wezen, dat zichzelf tot

afschuw was, en alleen van den dood uitkomst kon verwachten.

Nog herinnerde de moeder zich den dag, waarop zij binnen in hare hand

iets vreemds gevoeld had, dat zij, maar tevergeefs, beproefd had weg te

wasschen. Eerst hechtte zij er niet veel aan, maar toen ook Tirza

hetzelfde aan hare hand opmerkte, werd zij ongerust. Haar dagelijksch

rantsoen van water was niet groot, toch gebruikten zij er elken dag een

gedeelte van om de aangetaste plek te reinigen. Maar het breidde zich

uit, de geheele hand werd ontstoken, het vel barstte op verschillende

plaatsen, de nagels vielen af. Zij leden niet veel pijn, maar voelden

zich voortdurend onwel. Later verdroogden hare lippen en vielen er

kloven in, en toen de moeder op zekeren morgen met angst in het hart

Tirza nauwkeurig beschouwde, zag zij haar vreeselijk vermoeden

bewaarheid: de wenkbrauwen van haar kind waren geheel wit.

Wat zij toen doormaakte is niet te begrijpen. Sprakeloos en onbewegelijk

zat de arme vrouw een poos neder, slechts dat ééne woord bij zichzelve

herhalende: melaatsch, melaatsch.

Toen zij weer geregeld denken kon, was haar eerste gedachte het

vreeselijke geheim te verzwijgen en Tirza in gelukkige onwetendheid te

laten. Zelve hopeloos verdubbelde zij hare zorgen voor Tirza, en slaagde

er met de grootste zelfbeheersching in haar onkundig te laten, met

betrekking tot den aard harer ziekte, en wist zelfs de hoop bij haar

levendig te houden, dat zij van voorbijgaanden aard zou wezen. Zij

bedacht raadsels en spelletjes, vertelde geschiedenissen, oude en

nieuwe, luisterde met het grootste genot naar de liederen, die zij Tirza

herhaaldelijk deed zingen, en hief zelve de psalmen aan van den

koninklijken zanger, alles om voor een poos ten minste haar verdriet te

verzetten en hare ziel tot God op te heffen, die haar, evenals de

wereld, scheen vergeten te hebben.

Langzaam maar zeker nam de kwaal toe. Na eenigen tijd werd het hoofdhaar

wit, vielen lippen en oogleden met gaten, werd het geheele lichaam met

blaren bedekt. Toen werd de keel aangedaan, werd hare stem heesch,

werden de gewrichten stijf. Nog maar weinig tijds, dan zou de ziekte de

bloedvaten en de beenderen aantasten--en zoo kon het vele jaren al erger

en erger worden, totdat eindelijk de dood haar kwam verlossen.

Een dag van verschrikking was de dag, waarop de moeder het haar plicht

rekende aan Tirza den naam harer ziekte mede te deelen, en beiden in

wanhoop God smeekten, dat het einde spoedig daar mocht zijn.

Maar men went aan alles. De zwaarbeproefden leerden na verloop van tijd

kalm te spreken over hare kwaal. Zij zagen welke vreeselijke verwoestingen

de ziekte aanrichtte, en klemden zich niettegenstaande dat aan het leven

vast. Eén band bleef haar aan de aarde binden: Juda. Over hem spraken en

dachten zij. Zij twijfelden geen oogenblik aan zijne trouw en rekenden

er vast op, dat hij even sterk als zij naar eene wederontmoeting

verlangde. Zoo vertroostten zij elkander dag aan dag, ook, zooals wij

gezien hebben, toen Gesius haar, nadat zij twaalf uren honger en dorst

geleden hadden, weder moed kwam inspreken.

De toortsen verlichtten de cel, de bevrijding was daar. God is goed,

riep de weduwe dankbaar. Die werkelijk dankbaar is voor een ontvangen

gunstbewijs vergeet voor 't oogenblik zijne ellende.

Toen de commandant haar naderen wilde, vloden zij in een hoek, en

herinnerde de moeder zich wat haar plicht was. Daarom stootte zij dien

akeligen kreet uit: Onrein! Onrein!

Ach, hoeveel kostte haar die plichtsbetrachting! Zelfs in de vreugd over

hare bevrijding was zij niet blind voor de gevolgen daarvan. Het oude,

gelukkige leven was voor altijd voorbij. Wilde zij de haar zoo dierbare

woning gaan opzoeken, dan zou zij reeds bij de poort moeten roepen:

Onrein!--De knaap van wien zij voortdurend gedroomd had zou, als hij

haar zag, op een afstand moeten blijven staan. Stak hij de handen naar

haar uit, dan zou juist hare liefde haar dwingen om hem toe te roepen:

Onrein!

De commandant hoorde de waarschuwing. Hij ontstelde, maar bleef staan.

--Wie zijt gij? vraagde hij.

--Twee vrouwen, die van honger en dorst sterven. Maar kom niet bij ons

en raak de muren niet aan. De geheele cel is besmet!

--Vertel mij uwe geschiedenis, vrouw. Zeg mij uw naam, en wanneer en

door wien en waarom gij hier gevangen zijt gezet.

--In Jeruzalem woonde jaren geleden een vorst, Ben-Hur geheeten,

bevriend met vele edele Romeinen, zeer gehecht aan den keizer. Ik ben

zijn weduwe, en dit meisje is zijne dochter. Ik kan u niet zeggen waarom

wij hier begraven zijn, want ik weet het zelf niet, of het moest wezen

omdat wij rijk waren. Valerius Gratus kan u zeggen wie onze vijand was

en wanneer onze gevangenschap begonnen is. Ik weet het niet. Zie waartoe

men ons gebracht heeft. O, heb medelijden met ons!

De atmosfeer was zwaar verpest, maar in weerwil daarvan riep de

commandant een der fakkeldragers tot zich om hem bij te lichten, en

schreef haar antwoord woordelijk op. Kort en bondig behelsde het een

geschiedenis, een aanklacht, en een bede. Een onbeschaafde vrouw zou

zich niet zoo beknopt hebben kunnen uitdrukken. De Romein moest haar

zijns ondanks gelooven en beklagen.

--Gij zult terstond geholpen worden, zeide hij. Ik zal u eten en drinken

zenden.

--En kleeren, en waschwater, bid ik u.

--Het zal geschieden.

--God is goed, zeide de weduwe schreiend. Moge zijn vrede met u zijn!

--Ik mag u niet wederzien, antwoordde de commandant. Maar tegen den

avond zal ik u in vrijheid doen stellen. Gij kent de wet. Vaarwel!

Weinige oogenblikken later brachten een paar slaven een badkuip, de

noodige hoeveelheid water, handdoeken, vrouwenkleeren, brood met

vleesch, en wijn, zetten het alles bij de opengebroken deur neer en

verwijderden zich toen zoo snel mogelijk.

Halverwege de eerste nachtwake bracht men de beide gevangenen naar

buiten, en ademden zij vrijelijk de frissche lucht in.

De sterren fonkelden boven haar hoofd, evenals van ouds. Zij

verlustigden zich een oogenblik in dien aanblik, maar toen vraagden ze

elkander droef te moede: Wat nu? Waarheen?

* * * * *

DERDE HOOFDSTUK.

TERUGKEER.

Ongeveer terzelfder tijd dat Gesius voor den commandant verscheen,

beklom een voetreiziger den Olijfberg van de oostzijde. De weg was

oneffen en stoffig, alle planten waren bruin verschroeid, want het was

in het droge jaargetijde. Gelukkig was hij jong en sterk, en droeg hij

een luchtig, ruim gewaad.

Hij vorderde slechts langzaam, en keek dikwijls rechts en links, alsof

hij na lange afwezigheid een welbekend landschap wederzag en zich

verzekeren wilde, dat alles onveranderd hetzelfde gebleven was.

Toen hij eindelijk nabij den top kwam versnelde hij zijnen stap en liet

zich door niets meer ophouden, totdat hij de hoogte bereikt had en

verrukt over het schouwspel aan zijne voeten staan bleef.

Die reiziger was Ben-Hur, en wat hem zoo bekoorde was Jeruzalem, de stad

Gods.

Hij ging op een steen zitten, maakte den doek los, die zijn hoofd tegen

de zonnestralen beschutte, en verdiepte zich in zijne overpeinzingen,

den blik op de stad zijner vaderen gevestigd.

De zon neigde ten ondergang. Een oogenblik rustte de vuurbol op de

toppen der westelijke bergen, den hemel, de muren eb de torens der stad

in gouden glans hullende. Daarop verdween hij. De stilte rondom hem

voerde Ben-Hurs gedachten naar de ouderlijke woning. Zijn oog dwaalde af

naar een punt ten noorden van den Tempel, daar moest het erfdeel zijner

vaderen liggen, als het huis ten minste nog bestond.

De liefelijke rust, de zachte atmosfeer, bleven niet zonder invloed op

zijne gevoelens. Alle bittere gedachten, alle eerzuchtige plannen ter

zijde stellend, overdacht hij den plicht, die hem naar Jeruzalem

gebracht had. Terwijl hij met Ilderim in de woestijn was en als een

krijgsoverste het terrein verkende, kwam op zekeren avond een bode tot

hem met het bericht, dat Gratus afgezet en Pontius Pilatus in zijne

plaats aangesteld was.

Messala was lichamelijk gebroken en hield hem voor dood; Gratus was van

zijne macht beroofd, en vertrokken--waarom zou hij dan het zoeken naar

moeder en zuster nog langer uitstellen? hij behoefde voor niets meer te

vreezen. Werd hem niet toegestaan zelf de gevangenissen van Judea te

onderzoeken, dan konden anderen dat toch voor hem doen. Werden de

verloornen gevonden, dan zou Pilatus haar zeker in vrijheid doen

stellen, want die ten minste had er geen belang bij haar nog langer

gevangen te houden. Met geld was in ieder geval veel te doen. Dan zou

hij zijne geliefden in veiligheid brengen, om zich daarna met een

volkomen hart geheel te wijden aan den Koning, die te komen stond. Zijn

besluit was dadelijk genomen. Ilderim keurde het plan goed en gaf hem

drie zijner stamgenooten mede, die Ben-Hur te Jericho achtergelaten had

met de paarden, terwijl hijzelf te voet de reis voortzette. Te Jeruzalem

zou Malluch zich bij hem voegen, en verder zou hij zich door de

omstandigheden laten leiden.

Met het oog op zijne plannen zou het geraden zijn zich voor alle

mogelijke ambtenaren, inzonderheid de Romeinsche, verborgen te houden,

en het voornaamste werk aan Malluch over te laten, die zeer schrander en

behoedzaam was.

Vóór alle dingen moest uitgemaakt worden hoe zij de zaak zouden

aanpakken. Dat was hem nog niet recht helder. Het liefst zou hij met den

burcht Antonia willen beginnen, want hij wist, dat zich onder dit

sombere gebouw een doolhof van gevangenissen uitstrekte, juist geschikt

om lieden, die men uit den weg wilde ruimen, in zich op te nemen.

Daarenboven had hij met eigen oogen gezien hoe de soldaten zijne moeder

en Tirza de straat indreven, die rechtuit naar den burcht leidde. Waren

zij daar niet meer, dan kon hij er toch inlichtingen krijgen betreffende

haar lot.

In het diepst zijner ziel leefde een stille hoop, die hem daarentegen

allereerst naar de ouderlijke woning trok. Door Simonides wist hij dat

Amrah nog leefde. Haar opzoeken en van haar hooren wat zij wist, moest

zoo spoedig mogelijk geschieden. De trouwe slavin had zich, zooals men

zich zal herinneren, op dien vreeselijken morgen losgerukt uit de handen

der soldaten en was het ledige huis binnen gevlogen, waar zij, met al

wat er verder in was, opgesloten werd. Simonides had haar sedert dien

tijd van het noodige voorzien, en zij was de eenige bewoonster gebleven

van het groote huis, dat Gratus, hoeveel moeite hij er zich ook voor

gaf, niet had kunnen verkoopen. De geschiedenis die er aan vast was

hield de koopers of huurders terug. Daarenboven had het den naam dat het

er spookte, misschien een gevolg van Amrah's ronddwalen door de

verschillende kamers, of op het platte dak. Kon hij haar te spreken

krijgen, wie weet of zij hem niet eenig licht zou kunnen verschaffen, en

daarom had hij besloten nog hedenavond tot haar te gaan.

De avond was gevallen, toen Ben-Hur opstond en van den berg afdaalde.

Vlak bij de bedding van de beek Kedron ontmoette hij een herder, die

zijne schapen naar de markt bracht. Hij sloot zich bij dien man aan, en

trad aan zijne zijde door de Vischpoort de stad binnen.

* * * * *

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN ZWARE STRIJD.

Het was reeds geheel donker, toen Ben-Hur van den herder afscheid nam en

eene nauwe straat insloeg, die naar het zuidelijk gedeelte der stad

voerde. Enkele menschen, die hem tegenkwamen, groetten hem, en nog nooit

hadden de welbekende woorden hem zoo liefelijk in de ooren geklonken.

De huizen aan beide zijden der straat waren laag en somber. Alle deuren

waren gesloten. Het gevoel zijner eenzaamheid, de duisternis, de

onzekerheid, waarin hij verkeerde, dat alles stemde hem droevig.

Zoo kwam hij bij het diepe waterbekken, thans bekend als de vijver van

Bethesda. Voor hem verhief zich de burcht Antonia als een zwarte

dreigende steenklomp. Hij bleef staan. Zoo sterk, zoo hecht en

onaantastbaar verhief zich het gevaarte, dat hij het wanhopige van zijn

streven gevoelde. Als zijne moeder achter die muren zuchtte, wat

vermocht hij dan om haar te redden?... Door geweld niets. Werpspietsen

en stormrammen zouden tevergeefs hunne kracht op de rots beproeven;

list ... ach, die wordt zoo gemakkelijk verijdeld. En God, de laatste

toevlucht van hulpbehoevenden, toeft dikwijls zoo lang met zijne hulp!

Met sombere voorgevoelens in 't hart ging hij verder, de volgende straat

in. Een nachtverblijf zou hij zich later wel zoeken in de nieuwe wijk

Bezetha, waar een herberg was; nu eerst naar Amrah.

Juist ging de maan op en verspreidde naar zilveren glans over de tot nog

toe onzichtbare voorwerpen in het westen, zoodat de hooge torens op den

berg Sion helder en klaar tegen den donkeren achtergrond afstaken.

Eindelijk bereikte hij het ouderlijke huis. Voor de noordpoort bleef hij

staan en las het aanplakbiljet: Dit is het eigendom des keizers.

Sedert dien vreeselijken dag was niemand door die poort in- of

uitgegaan. Zou hij als naar gewoonte kloppen? Hij wist, dat het

vergeefsche moeite zou zijn, toch kon hij de verzoeking niet wederstaan.

Amrah zou het wellicht hooren en uit een der vensters kijken. Hij raapte

een steen van den grond, ging de brede trappen op en klopte driemaal.

Slechts de echo antwoordde. Hij klopte nogmaals, en nogmaals, doch

bemerkte geen teeken van leven. Hij ging naar den overkant der straat en

bespiedde de vensters, doch er was niets te zien. Hij liep het huis

om--ook daar was de deur verzegeld en van een opschrift voorzien.

Ben-Hur las het en ontstak in woede. Hij rukte het opschrift af, wierp

het op den grond en vertrapte het. Toen zette hij zich neder op de stoep

en bad dat de nieuwen koning toch spoedig komen mocht. Langzamerhand

werd hij kalmer, de vermoeienis na de langen dagreis deed zich gevoelen,

hij strekte zich uit en viel weldra in slaap.

Een weinig later kwamen twee vrouwen de straat af van de andere zijde.

Angstvallig vervolgden zij haren weg en bleven dikwijls staan om te

luisteren. Bij den hoek van het huis gekomen hielden zij stil, en zeide

eene van haar met gedempte stem: Dit is het, Tirza!

Tirza zag het huis aan, greep haar moeders hand, boog het hoofd, en

begon te weenen.

--Laat ons verder gaan, mijn kind, want zoodra het dag wordt jagen zij

ons de stad uit.

--Ach, ik had het bijna vergeten, snikte Tirza. Ik verbeelde mij dat wij

naar huis gingen. Maar wij zijn melaatsch en hebben geen tehuis. Wij

behooren tot de dooden!

--Kom, Tirza, wij hebben nu niets te vreezen. Kom mee, zeide de moeder

troostend.

't Was waar, reeds alleen door het opsteken harer handen zouden zij een

geheel leger op de vlucht hebben kunnen drijven.

Met onhoorbaren tred slopen zij, twee spookgestalten gelijk, den hoek

om, totdat zij voor de poort kwamen en het opschrift lazen: Dit is het

eigendom des keizers.

Toen wrong de moeder in stomme smart hare handen, hief de oogen ten

hemel en kermde overluid.

--Moeder, wat scheelt er aan? U doet mij schrikken!

--Ach, kind, hij is dood!

--Wie, moeder?

--Uw broeder! Zij hebben hem alles afgenomen, zelfs dit huis! Nu zal hij

ons nooit kunnen helpen!

--Wat moeten wij doen, moeder?

--Morgen, mijn kind, moeten wij aan den weg gaan zitten en bedelen,

zooals de melaatschen dat gewoon zijn. Wij moeten bedelen, of--!

--Laat ons sterven, moeder, liever sterven!

--Neen, zeide de moeder op vasten toon. God heeft onzen tijd bepaald, en

wij gelooven in Hem. Wij zullen op Hem blijven vertrouwen, ook hierin.

Kom!

Al sprekende had zij Tirza's hand gevat en spoedde zich naar de

westzijde van het huis, steeds dicht langs den muur loopende. Daar zij

nergens iemand zagen, gingen zij door, maar schrikten terug voor het

heldere maanlicht, dat de straat bescheen. De moeder hervatte zich

echter spoedig, wierp een smartelijken blik op de vensters aan deze

zijde van het huis, en stapte moedig vooruit in het licht, Tirza met

zich voerend.

Nu kon men eerst recht zien hoe vreeselijk de verwoesting was, die de

ziekte had teweeggebracht. Lippen, wangen, oogen, handen droegen er de

sporen van, maar het afzichtelijkst was wel het hoofdhaar, dat in lange,

stijve, klamme lokken neerhing, en evenals de wenkbrauwen een akelig

witte kleur had. Moeder en dochter waren niet van elkander te

onderscheiden, beiden waren even onnatuurlijk verouderd.

--Stil, zeide de moeder op eenmaal, daar ligt iemand op de stoep te

slapen, een man.

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 24 / 32 段