Zoo verliep een half uur, een eeuwigheid in zijne schatting. Daar gingen

de vleugeldeuren plotseling onhoorbaar open, en werden even onhoorbaar

gesloten, zoo zacht dat hij er niets van merkte. Het geluid van

voetstappen trok allereerst zijne aandacht. Hij sprong op met een gevoel

van verlichting ... daar zal Iras eindelijk zijn!

Maar ... het was een zeer zware stap. De vergulde pilaren waren tusschen

hem en de deur. Hij hoorde stemmen, zware mannenstemmen, en de taal, die

gesproken werd, kende hij niet.

Na een algemeen overzicht van het vertrek genomen te hebben staken zij

schuin over, zoodat Ben-Hur de sprekers in 't gezicht kreeg. Het waren

twee mannen, forsch van gestalte en met korte tunica's. Zij behoorden

klaarblijkelijk niet tot het dienstpersoneel van het huis. Alles wat zij

zagen trok hunne aandacht. Zij stonden overal stil en betastten alles.

Het atrium was niet voor lieden van hun slag, toch was uit hunne geheele

manier van doen te bemerken, dat zij hier met een bepaalde bedoeling

kwamen.

Het zal niemand verwonderen dat Ben-Hur een weinig zenuwachtig was

geworden; en toen hij nu in de reuzengestalte van den een den Noor

herkende, dien hij te Rome gekend had, en die gisteren in den circus

gekroond was als prijswinnaar bij het boksen, begreep hij, dat hem een

groot gevaar dreigde en hij zich op het ergste moest voorbereiden.

Instinctmatig gevoelde hij, dat hier geen sprake was van een toevallig

samentreffen, deze twee zochten hem.

De metgezel van den Noor was nog jong, donker van haar en oogen, van de

Joodsche type. Beiden hadden het kostuum aan dat boksers van beroep in

de arena droegen. Ben-Hur behoefde niet langer te twijfelen: hij was

verraderlijk in dit paleis gelokt, om te midden van deze pracht door de

hand van den Noor te sterven.

Niet wetende wat te doen volgde hij hunne bewegingen, en in dat laatste

stille oogenblik, met den dood voor oogen, herkreeg zijn geest de

noodige kalmte. Gisteren had hij Messala naar recht en billijkheid mogen

straffen, de God van Israël, die hem had bijgestaan, zou hem ook nu

helpen. Stond hij daarenboven niet aan het begin van een nieuw leven?

Wachtte hem niet een heilige taak: alles in gereedheid te brengen voor

den verwachten Koning? Mocht hij niet alle vrees laten varen?

Hij maakte zijn gordel los, deed zijn hoofddoek af en wierp zijn wit

overkleed ter zijde. Gereed naar lichaam en ziel plaatste hij zich, de

armen over de borst gevouwen, tegen den pilaar en wachtte bedaard de

toekomst af.

Het tweetal had een beeld bewonderd. Toen zij daarmede gereed waren,

keerde de Noor zich om, zeide iets in een onbekende taal, en wees op

Ben-Hur. Beiden traden op hem toe.

--Wie zijt gij? vraagde hij in het Latijn.

De Noor glimlachte en antwoordde: Barbaren.

--Dit is het paleis Idernee. Wien zoekt gij? Blijft waar gij zijt en

antwoordt.

Zijn toon maakte indruk. De vreemdelingen bleven staan en de reus

vraagde op zijne beurt: Wie zijt gij?

--Een Romein.

De reus wierp het hoofd achterover en lachte luid. Ik heb veel

wonderbaarlijks hooren vertellen, zeide hij, maar nooit dat een Jood een

Romein werd.

Toen zijn vroolijkheid wat bedaard was, zeide hij weer iets tot zijn

makker en stapte vooruit.

--Halt! riep Ben-Hur. Nog iets!

--Spreek; maar gauw, zeide de reus.

--Gij zijt Thor, de Noorman.

De man zette groote oogen op.

--Gij waart schermmeester te Rome.

--Ja, zeide Thor.

--Ik was uw leerling.

--Neen, zeide Thor hoofdschuddend. Bij Thors hamer, nog nooit is een

Jood bij mij gekomen, om zich tot een vechtersbaas te laten maken.

--Ik zal het u bewijzen.

--Hoe dan?

--Gij komt hier om mij te dooden.

--Ja.

--Laat uw makker tegen mij vechten, dan zal ik het u bewijzen aan zijn

lichaam.

De reus lachte weer. Hij besprak het met zijn makker, die toestemmend

knikte, waarop de Noor zeide: Het zij zoo; maar wacht totdat ik het

teeken geef.

Hij schoof een divan aan, strekte er zich gemakkelijk op uit en zeide:

Ziezoo, begin.

Zonder aarzelen stapte Ben-Hur op zijn tegenpartij toe, die zich

terstond strijdvaardig tegenover hem plaatste.

De vreemdeling, die in statuur en voorkomen sterk op hem geleek, lachte

vergenoegd, weinig vermoedende met wien hij te doen had. Beiden wisten

dat de afloop van den strijd doodelijk zou zijn.

Ben-Hur deed een schijnaanval met zijn rechterhand. De ander pareerde en

stak den linkerarm een weinig vooruit. Voordat hij er op bedacht was

greep Ben-Hur hem met een ijzeren greep bij den pols. De overrompeling

was volkomen. Zich op zijn tegenstander te werpen, zijn arm om 's mans

hals te slaan, diens hoofd tegen zijn rechterschouder te drukken en hem

met de linkerhand vlak onder het oor een slag toe te brengen--dat alles

was het werk van een oogenblik. Geen tweede slag was noodig. De

ongelukkige viel neder, zonder een kreet te slaken. Hij was dood.

Ben-Hur wendde zich tot Thor en zag hem vragend aan.

--Bij alle leugens van Loke! riep deze, dat zou ik u niet kunnen

verbeteren.

Opstaande beschouwde hij den jongen man van het hoofd tot de voeten met

ongeveinsde bewondering, en vervolgde toen: Dat was mijn handgreep. Gij

zijt geen Jood. Wie zijt gij?

--Gij hebt Arrius, den duumvir gekend?

--Quintus Arrius? Ja, hij was mijn schutspatroon.

--Hij had een zoon.

--Ja, ik heb dien knaap gekend, een aardige jongen. Hij had een vorst

onder de gladiatoren kunnen worden. De keizer had veel met hem op.

Ikzelf heb hem dien handgreep geleerd, en niemand doet het mij na, of

hij moet een hand en arm hebben als de mijne. Ik heb er menigen

lauwerkrans mee behaald.

--Ik ben die zoon van Arrius.

Thor kwam nader en bekeek hem oplettend. Zijne oogen straalden van

voldoening, en de hand uitstekend zeide hij: 't Is wat moois! Hij zei

dat ik hier een Jood zou vinden, en dat ik den goden een dienst zou

bewijzen, als ik dien Jood doodde.

--Wie zei dat, Thor? vraagde Ben-Hur, de aangeboden hand schuddende.

--Hij, Messala.

--Wanneer?

--Gisteravond.

--En ik dacht dat hij zwaar gewond was?

--Hij zal altijd kreupel zijn, maar ik moest bij zijn bed komen, waar

hij lag te kermen van pijn.

Ben-Hur dacht even na. Hij begreep heel goed dat de Romein, zoo hij in

leven bleef, hem onverbiddelijk zou blijven vervolgen. Alleen de wraak

bleef hem over om het gebroken leven te verzoeten. Vandaar zijn

tegenspartelen om zijne schulden met Sanballat te vereffenen. Ben-Hur

berekende dit alles vluchtig, ook hoe zijn vijand hem zou kunnen

bemoeilijken in het werk, dat hij wilde ondernemen voor de nieuwen

koning. Deed hij niet wijs met het voorbeeld van den Romein te volgen?

De moordenaar toch, die gehuurd was om hem te dooden, zou zich ook laten

huren om den moordenaar onschadelijk te maken. Geld was geen bezwaar. De

verzoeking was groot. Reeds half meegesleept zag hij nog eenmaal naar

het arme slachtoffer, dat daar bleek en roerloos nederlag. Daar viel hem

iets in.

--Thor, wat heeft Messala u gegeven om mij te dooden?

--Duizend sestertiën.

--Gij zult ze hebben, en als gij nu doen wilt wat ik u vraag, zal ik er

nog drieduizend bij doen.

De reus dacht overluid: Gisteren heb ik vijfduizend gewonnen, van den

Romein duizend, dat is zesduizend.--Geef mij vierduizend, goede Arrius,

vierduizend en dan zal ik alles voor u doen, wat gij verlangt. Geef mij

vier en ik zal dien bedriegelijken Messala dooden. Ik heb mijn hand maar

op zijn mond te houden ... zoo.

Hij verduidelijkte zijn voorstel door zijne hand op zijn eigen mond te

drukken.

--Ik begrijp u, zeide Ben-Hur, tienduizend sestertiën is een mooie som.

Zij stelt u in staat om naar Rome terug te gaan en een taveerne te

openen bij den grooten circus, en daar te leven zooals den beroemsten

schermmeester betaamt! 't Zij zoo. Ik zal u vierduizend geven en dat

geld kunt gij verdienen zonder uwe handen met bloed te bezoedelen.

Luister. Uw vriend leek sprekend op mij, niet waar?

--Ja, men zou zeggen twee appelen van één boom.

--Welnu, ik zal zijn tunica aandoen, en hem mijne kleeren aantrekken.

Dan gaan we samen heen, en gij hebt uwe sestertiën.

Thor lachte dat hij schudde. Nog nooit werden tienduizend sestertiën zoo

gemakkelijk gewonnen! Een taveerne bij den grooten circus, en dat door

een leugen te vertellen zonder een enkelen droppel bloed te vergieten!

Geef mij uwe hand, zoon van Arrius, en als gij weer terugkomt in Rome,

vergeet dan niet naar de taveerne van Thor den Noorman te vragen, want,

bij de bliksems van Wodan! ik zal u het beste voorzetten wat mijn kelder

bevat.

Nu werden de kleederen verwisseld, en toen Ben-Hur den jonkman daar zag

liggen in zijn eigen Joodsch gewaad, was hij voldaan. De gelijkenis was

treffend. Als Thor zijn woord hield zou dit bedrog nooit uitkomen.

Toen alles afgeloopen was tikte de Noor tegen de vleugeldeuren, die

opnieuw onhoorbaar geopend werden, en gezamelijk gingen zij naar buiten.

Bij het scheiden zeide Thor nogmaals: Mogen de goden u geleiden en

behoeden, zoon van Arrius! en verzuim niet bij uw terugkeer in Rome de

taveerne van Thor te bezoeken!

* * * * *

Dien avond deelde Ben-Hur zijnen vriend Simonides alles mede wat hem

overkomen was in het paleis van Idernee. Zij kwamen overeen, dat na een

paar dagen een onderzoek zou worden ingesteld naar den vermisten zoon

van Arrius. Tevens zou van het geval afgifte worden gedaan bij

Maxentius. Als het geheim niet uitlekte zouden Messala en Gratus gerust

en voldaan zijn, en kon Ben-Hur onbevreesd naar Jeruzalem terugkeeren om

zijne moeder en zuster te zoeken.

Bij het afscheidnemen zat Simonides in zijn stoel op het terras, en gaf

den jongen meester zijn vaderlijken zegen. Esther deed hem uitgeleide

tot aan de trap.

--Als ik moeder vind zult gij tot haar gaan en eene zuster voor Tirza

wezen, niet waar? vraagde hij en kuste haar tot afscheid. Vervolgens

begaf hij zich naar den overkant der rivier, waar Ilderim den vorigen

avond zijne tent had opgeslagen, en waar hij den gids zou vinden met de

paarden.

--Dit is het uwe, zeide de Arabier.

Ben-Hur keek, en zie het was Aldebaran: de vlugste en verstandigste van

Mira's zonen, na Sirius de lieveling van den Sheik. Hij wist dat het

hart van den ouden man het geschenk vergezelde.

Dienzelfden avond werd het lijk uit het atrium weggedragen en in stilte

begraven, en vertrok een bode van Messala naar Gratus, om dezen de

blijde tijding te brengen dat Ben-Hur dood was, ditmaal ontwijfelbaar.

Eene maand later werd bij den circus Maximus eene taveerne geopend met

het opschrift:

THOR DE NOORMAN.

* * * * *

BOEK VI.

* * * * *

EERSTE HOOFDSTUK.

DE GEVANGENEN.

Sedert den avond, waarop Ben-Hur Antiochië verliet om den Sheik in de

woestijn te volgen, zijn dertig dagen verloopen. Een groote verandering

heeft intusschen plaats gevonden--groot, voor zoover het de geschiedenis

geldt van onzen held. Valerius Gratus is vervangen door Pontius Pilatus.

Deze verplaatsing kostte Simonides vijf talenten Romeinsch geld, in

klinkende munt uitbetaald aan Sejanus, die toen het hoogste toppunt van

zijn macht als gunsteling des Keizers bereikt had.

Het doel van de onderhandeling met Sejanus was, dat Ben-Hur zonder groot

gevaar voor zichzelven in en bij Jeruzalem naar zijne moeder en zuster

zou kunnen zoeken. Op die wijze besteedde de trouwe dienstknecht de

gelden van Drusus en zijne makkers. Na het betalen van de weddenschappen

was de vriendschap dier jongelieden voor Messala veranderd in vijandschap,

omdat zij hem hun ongeluk weten. Wat Messala zelf betreft, het antwoord

op de vraag, of hij voor de gewedde sommen mocht aangesproken worden, ja

of neen, moest nog uit Rome komen.

Hoe kort Pontius Pilatus aan het bestuur was, de Joden hadden reeds

ondervonden, dat de verandering niet in hun voordeel was. De kohorten,

die afgezonden waren om het garnizoen van den burcht Antonia te

vervangen, trokken des avonds laat de stad binnen, en het eerste wat men

den volgenden morgen te zien kreeg was, dat de muren van den ouden

burcht rondom versierd waren met borstbeelden van den ouden Keizer en

met Romeinsche adelaren.

Een opgewonden menigte trok door de straten, afgezanten werden naar

Cesarea gezonden, waar Pilatus nog eenige dagen vertoefde, om hem

dringend te verzoeken de gehate voorwerpen weg te nemen. Vijf dagen en

nachten hielden zij stand voor de poorten van zijn paleis, waarna hij

deed weten dat hij hen in den circus zou te woord staan. Daar liet hij

hen door zijne soldaten omsingelen, maar zij boden blijmoedig hun leven

aan, indien zij slechts hun doel mochten bereiken. Dat werkte. Pilatus

gaf bevel de borstbeelden en adelaren naar Cesarea terug te zenden, waar

Gratus ze gedurende de elf jaren zijner regeering had bewaard.

De slechtste mensch kan wel een goede daad verrichten. Zoo ook Pilatus.

Hij beval dat alle gevangenissen in Judea zouden nagezien worden, en

verlangde een lijst van de namen der gevangenen, met opgaaf van de

misdaden, waarvoor zij veroordeeld werden. Waarschijnlijk deed hij dit,

om later niet aansprakelijk te zijn voor hem onbekende dingen. Het volk

evenwel prees hem en was een tijdlang tevreden.

Wat het onderzoek aan het licht bracht, was ongeloofelijk. Honderde

menschen, tegen wie geen beschuldiging was ingebracht, kregen hunne

vrijheid weder. Vele anderen, die men lang geleden gestorven waande,

kwamen te voorschijn. Nog erger was het, dat men gevangenissen vond,

wier bestaan niet alleen aan het volk onbekend was, maar die de

tegenwoordige gevangenbewaarders zelfs niet kenden. Eén geval van dien

aard moeten wij hier vermelden: een vergeten gevangenis te Jeruzalem.

De burcht Antonia, die zooals men zich zal herinneren twee derden

besloeg van de heilige area op den berg Moria, was oorspronkelijk een

door de Macedoniërs gebouwd kasteel. Later maakte Johannes Hyrkanus het

tot een citadel ter verdediging van den Tempel, die toen ten tijde reeds

als onneembaar werd beschouwd. Herodes breidde haar nog verder uit,

verbreedde de muren, liet waterputten graven, bouwde tuighuizen,

barakken, magazijnen en gevangenissen van allerlei soort. Hij effende

het rotsachtige gedeelte van den berg, en liet er diepe kloven in

bouwen. Daar bouwde hij overheen. Het geheel verbond hij door een

prachtige zuilengang met den Tempel. Zoo verbouwd en versterkt viel de

burcht ten laatste in de handen der Romeinen, die hem volkomen wisten te

waardeeren en te gebruiken.

Gedurende de regeering van Gratus had de Antonia dienst gedaan als

citadel en onderaardsche gevangenis, de schrik voor alle oproerigen. Wee

hen, wanneer de kohorten uit de poorten stroomden, om een oproer te

dempen! Wee den Jood, die dezelfde poorten als gevangene binnenging!

Na deze korte uitweiding kunnen wij den draad van ons verhaal weer

opvatten.

* * * * *

Het bevel van den nieuwen procurator betreffende de gevangenen was op

den burcht Antonia ontvangen en stipt uitgevoerd. Twee dagen zijn

verloopen sedert de laatste van die ongelukkigen ter ondervraging was

voorgebracht. De lijst is zoo goed als gereed en ligt voor den

commandant op tafel. Binnen vijf minuten zal zij op weg gaan naar

Pilatus, die in het paleis op den berg Sion woont.

Het bureau van den commandant is ruim en koel, en gemeubeld

overeenkomstig de waardigheid van den bevelhebber.

Het is de zevende ure van den dag. De commandant is vermoeid. Zoodra de

lijst verzonden is, zal hij naar het platte dak van de zuilengang gaan,

daar in de open lucht wat beweging nemen, en zich vermaken met naar het

gewoel der Joden in de voorhoven des Tempels te kijken. Zijne klerken en

onderhoorigen verlangen eveneens heen te gaan.

Daar verschijnt een man in de deur. Hij rammelt met een bos zware

sleutels, waardoor hij terstond de aandacht van den overste trekt.

--Zoo, Gesius, kom binnen, zegt deze. Wat is er?

--Commandant, luidt het antwoord, ik durf u bijna niet zeggen wat ik

gevonden heb.

--Alweder een vergissing, Gesius?

--Wist ik zeker dat het slechts een vergissing was, dan zou ik niet bang

zijn.

--Een misdaad dus? Of nog erger ... een plichtverzuim. Men kan Cesar

uitlachen, de goden vloeken, en leven. Een beleediging echter, den

adelaren aangedaan, is ... nu, Gesius, gij weet wat er dan volgt. Ga

voort.

--'t Is nu ongeveer acht jaren geleden, dat Valerius Gratus mij benoemde

tot bewaarder der gevangenissen in den burcht, antwoordde de man

ernstig. Ik herinner mij nog zeer goed den morgen, waarop ik mijn ambt

aanvaardde. Den vorigen dag was er een klein oproer geweest. De onzen

hadden vele Joden neergeslagen, maar wij hadden ook enkele verliezen te

betreuren. De aanleidende oorzaak was, zeide men, een moordaanslag op

Gratus. Hij werd door een steen aan het hoofd getroffen, zoodat hij van

zijn paard viel. Ik vond hem hier op dezelfde plaats zitten, waar gij nu

zit, commandant, met een verbonden hoofd. Hij gaf mij deze sleutels,

genommerd met de nommers der cellen. Dat waren de teekenen van mijn

ambt, ik mocht er mij nooit van scheiden, zeide hij. Op de tafel lag een

perkamentrol. Hij maakte ze open en zeide: Hier zijn de kaarten met den

platten grond der cellen, die in drie afdeelingen verdeeld, boven

elkander gebouwd zijn. Ik vertrouw ze u toe.--Ik nam ze aan, en Gratus

vervolgde: Nu hebt gij de sleutels en de platte gronden, ga en

doorwandel de geheele inrichting, bezoek elke cel en zie of alles in

orde is. Bemerkt gij iets waardoor de veiligheid in gevaar zou komen,

stel daar dan naar uw beste weten orde op, want gij zijt hier heer en

meester en hebt niemand boven u, dan mij alleen.

Ik wilde heengaan, maar hij riep mij terug en zeide: Daar bedenk ik nog

iets. Geef mij den platten grond van de onderaardsche cellen.--Ik gaf

hem het verlangde. Hij spreidde de kaart voor zich uit op de tafel, wees

met den vinger op cel nommer vijf, en zeide: Hier, Gesius, deze cel.

Daar zitten drie mannen gevangen, gevaarlijke lieden, die achter een

staatsgeheim hebben weten te komen en hier voor hunne nieuwgierigheid

boeten. Tot straf zijn zij van oogen en tong beroofd, en levenslang

opgesloten. Zij mogen niets hebben dan water en brood, dat gij hun

toereikt door een gat in den muur, dat van buiten gesloten wordt met een

schuif. Hebt gij mij goed begrepen, Gesius? Ik antwoordde toestemmend.

Het is goed, zeide hij, en keek mij dreigend aan; maar pas op, Gesius,

dat gij het niet vergeet. De deur van hunne cel, nommer vijf,--en hij

legde er zijn vinger op, om meer nadruk te geven aan zijne woorden,--mag

nooit, onder geen enkel voorwendsel, geopend worden. Niemand mag er in

of uit, zelfs gij moogt er niet binnengaan. Maar als zij sterven?

vraagde ik. Als zij sterven, zei hij, zal die cel hun graf zijn. Zij

werden daar opgesloten om te sterven. De cel is met melaatschheid

besmet, begrijpt gij?--En daarmee liet hij mij gaan.

Gesius zweeg en bracht uit de plooien van zijn overkleed drie rollen te

voorschijn, die hij op tafel uitspreidde, zeggende: Dit is de bedoelde

platte grond.

De oogen van alle aanwezigen rustten op den platten grond.

--Precies zoo, commandant, heb ik hem van Gratus ontvangen. Dit is cel

nommer V.

--Ik zie het, zeide de commandant. Ga voort. De cel was met

melaatschheid besmet, zeidet gij.

--Mag ik u een vraag doen, commandant?

--Ja.

--Moest ik niet gelooven dat de kaart betrouwbaar was?

--Zeker.

--Nu, zij is niet betrouwbaar, want er zijn niet vijf, maar zes cellen.

Ik zal u laten zien hoe de platte grond werkelijk is, of liever, hoe ik

mij voorstel dat hij is.

Gesius nam een tafeltje en teekende er een losse schets op van zes

cellen, die hij den commandant ter hand stelde.

--'t Is goed, zeide de commandant. Ik zal een nieuwen platten grond voor

u laten maken. Kom hem morgen bij mij halen.

Meenende dat de zaak hiermede afgeloopen was stond hij op; maar Gesius

vervolgde: Hoor mij verder, heer.

--Morgen, Gesius, ik heb nu geen tijd meer.

--Maar, commandant, wat ik u mee te deelen heb kan geen uitstel lijden.

De commandant ging weer zitten.

--Ik zal kort zijn, zeide de gevangenbewaarder. Mag ik nog eene vraag

doen? Moest ik niet gelooven wat Gratus mij vertelde van de gevangenen

in cel vijf?

--Natuurlijk. In die cel zaten drie gevangenen, staatgevangenen, blind

en stom.

--Welnu, commandant, dat was niet waar.

--Niet?

--Hoor, en oordeel zelf, commandant. Zooals mij bevolen was bezocht ik

al de cellen, beginnende bij de bovenste en eindigende bij de onderste.

Het verbod om de deur van cel V te openen heb ik nimmer overtreden. De

drie mannen hebben die acht jaren hun water en brood altijd door het gat

in den muur gekregen. Gisteren mocht ik de deur openen op uw bevel, en

was zeer nieuwsgierig om de gevangenen te zien, die tegen alle

verwachting zoolang geleefd hebben. Het slot van de deur weigerde. Wij

trokken wat harder en toen viel de deur op zij. De scharnieren waren

door roest verteerd. In de cel vond ik slechts één man, oud, blind,

zonder tong, geheel naakt, deerniswaardig om te zien. Ik vraagde hem

naar zijne medegevangenen. Hij schudde van neen. Ik doorzocht de geheele

cel, maar kon geen spoor van hen ontdekken. De muren en de grond waren

geheel droog. Hadden hier drie gevangenen gezeten, en waren twee van hen

gestorven, dan zou ik toch hunne beenderen hebben moeten vinden. Van

melaatschheid was niet bij den armen afgeleefden grijsaard te bespeuren.

--Gij denkt dus....

--Ik denk, commandant, dat er in die acht jaren slechts één man gevangen

heeft gezeten.

De commandant zag Gesius scherp aan en zeide: Wees voorzichtig! Weet gij

wel waar gij Gratus van beschuldigt?

Gesius boog het hoofd en zeide: Hij kon zich vergist hebben.

--Neen, riep de commandant heftig, dat kon hij niet. Hebt gij niet zelf

gezegd dat gij acht jaren lang water en brood gegeven hebt voor drie

personen?

--Gij hebt nog slechts de helft van het verhaal gehoord, commandant. Als

gij alles gehoord zult hebben, zult gij mij gelijk geven. Gij weet wat

ik met den man deed: ik liet hem een bad geven, haar en baard scheren en

aankleeden. Toen bracht ik hem naar buiten en liet hem in vrijheid

heengaan. Ik had met hem afgedaan. Een uur geleden kwam hij terug en

werd vóór mij gebracht. Door allerlei gebaren, zelfs door tranen, gaf

hij zijn verlangen te kennen, om weer naar de cel teruggebracht te

worden. Ik gaf het bevel daartoe. Toen zij hem wegleidden keerde hij op

eens terug, viel op de knieën voor mij neder en beduidde mij, dat ikzelf

hem moest vergezellen. Ik voldeed aan zijn verzoek. De twee geheimzinnige

andere gevangenen speelden mij door het hoofd. Ik was er niet gerust op.

Nu ben ik blij, dat ik gehoor gaf aan zijn verlangen.

Alle aanwezigen luisterden met gespannen aandacht, doodelijke stilte

heerschte in het vertrek.

--Zoodra de gevangene bemerkte dat hij weer in zijn oude cel was,

vervolgde Gesius, greep hij mijne hand en geleidde mij naar een gat in

den muur, even groot als dat, waardoor wij gewoon waren hem zijn

rantsoen te geven. Gisteren was het aan mijne aandacht ontsnapt. Steeds

mijne hand vasthoudende legde hij zijn mond voor de opening en gaf een

schreeuw. Een zwakke stem antwoordde. Ik was verbaasd, trok hem op

zijde, en riep: Hola, wie daar? In het begin kreeg ik geen antwoord.

Ik riep nogmaals en hoorde toen deze woorden: O, God, ik dank U!

Commandant, het was de stem van een vrouw. Ik vraagde: Wie zijt gij? en

het antwoord luidde: Een Israëlitische vrouw. Ik ben hier levend

begraven met mijne dochter. Help ons gauw, of wij sterven.

Ik riep haar toe nog even geduld te hebben en spoedde mij tot u, om uwen

wil te vernemen.

De commandant stond haastig op. Gij had gelijk, Gesius, zeide hij. Ik

begrijp er alles van. De kaart was valsch en het verhaal van de drie

gevangenen was een leugen. Er zijn betere Romeinen dan Valerius Gratus.

--Ja, antwoordde de gevangenbewaarder. De oude man gaf twee porties

water en brood aan de vrouwen.

--Welaan, zeide de commandant, zich tot zijne klerken wendende, daar hij

het niet kwaad vond eenigen tot getuigen te hebben, gaat allen mee. Wij

zullen die vrouwen in vrijheid stellen.

Gesius was voldaan. Wij zullen den muur moeten doorbreken, zeide hij. Ik

heb de plaats ontdekt waar de deur geweest is. Zij was dichtgemetseld.

--Roep terstond een paar werklieden met de noodige gereedschappen, zeide

de commandant tot een der klerken. Haast u, en laat het rapport liggen,

want dat zal morgen gewijzigd worden.

* * * * *

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE MELAATSCHEN.

Een Israëlitische vrouw. Ik ben hier levend begraven met mijne dochter.

Help ons gauw, of wij sterven.

Dat antwoord had Gesius ontvangen uit de cel, die op den verbeterden

platten grond als cel VI aangegeven staat.

De lezer heeft zeker terstond begrepen wie die ongelukkigen waren, en

zich verheugd dat eindelijk Ben-Hurs moeder en zuster gevonden zijn.

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 23 / 32 段