aan zijne rechterhand en wilde zijn vierspan daarheen sturen, maar het
ongeluk vervolgde hem. Het wiel van den Byzantijner, die ter linkerzijde
reed, trof het achterste rad van zijn wagen, zoodat hij kantelde. Een
luid gekraak, een kreet van woede en smart, en daar lag de arme
Cleanthes onder de hoeven zijner eigene paarden! 't Was een
ijzingwekkend schouwspel. Esther bedekte zich het gelaat met de handen.
Voort vlogen de Corinthiër, de Byzantijner, de Sidoniër. Sanballat zag
naar Ben-Hur en wendde zich toen tot Drusus en zijne vrienden.
--Honderd sestertiën op den Jood! riep hij.
--Aangenomen! antwoordde Drusus.
--Nog eens honderd sestertiën op den Jood! riep Sanballat weder.
Niemand scheen hem te hooren. Zij hadden al hunne aandacht noodig voor
hetgeen in de renbaan gebeurde en riepen tot heesch wordens toe:
Messala! Messala! Jupiter met ons!
Toen Esther zich vermande om weer op te zien, waren eenige mannen bezig
met het wegvoeren van de paarden en het gebroken wagentje. Andere
droegen den gewonde uit de arena, terwijl de aanwezige Grieken zich luid
beklaagden en om wraak riepen. Daar zag Esther op eenmaal Ben-Hur met
den Romein samen op één lijn. Hen volgden op den voet de drie overigen:
de Sidoniër, de Corinthiër, en de Byzantijner. De wedren was in vollen
gang. De duizenden hingen in gespannen verwachting over de balustrades.
* * * * *
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
DE WEDREN.
Zooals wij gezien hebben was Ben-Hur, bij het begin van den strijd om de
plaatsen, aan de buitenzijde. Was hij voor een oogenblik als de anderen
half verblind door het schelle licht, het gelukte hem toch zijn
tegenstander te herkennen. Beiden waren met dezelfde gevoelens bezield,
beiden waren vastbesloten om den prijs te winnen. Beiden zouden zij zich
tot het uiterste inspannen om elkander te vernederen. Toch was het geen
blinde hartstocht, die het bloed van den Jood in beweging bracht. Hij
had een vast plan, en vertrouwend op zijn goed recht en vaste hand zette
hij zich tot taak, nooit beter daartoe gestemd dan nu. Met groote
behendigheid wist hij bij Cleanthes' val het dreigend gevaar te ontkomen,
en door een prachtige zwenking naast Messala te komen, zij het ook aan de
buitenzijde.
Dat kunststuk was de scherpe blikken der toeschouwers niet ontgaan, en
de circus daverde van het herhaalde applaus. Toen vouwde Esther de
handen in dankbare verrukking. Sanballat bood, maar tevergeefs, trotsch
glimlachend opnieuw honderd sestertiën aan, en de Romeinen vreesden
reeds dat Messala zijn gelijke, misschien wel zijn meester gevonden had!
Zoo naast elkander voortrennend naderden die beiden den tweeden paal.
Hier was een kromming in de baan, en dien draai naar de eischen der
kunst te maken was een punt van eer voor de menners. De belangstelling
van het publiek was zoo groot, dat overal in den circus de diepste
stilte heerschte, en men voor het eerst een geratel der wagentjes
duidelijk hoorde. Nu scheen Messala op eens Ben-Hur te herkennen, en
terstond openbaarde zich de onbeschaamdheid van den Romein op ongehoorde
wijze.
--Weg met Eros! Leve Mars! riep hij luide, zijn lange zweep zwaaiend.
Eros! Mars! herhaalde hij, en bracht Ben-Hurs fiere paarden een slag
toe, zooals zij nog nooit gevoeld hadden.
Allen hadden het gezien. De verbazing was algemeen. De stilte werd
hoorbaar. Op de tribune van den consul hield zelfs de overmoedigste den
adem in, wachtend op hetgeen volgen zou. Slechts één oogenblik ... toen
barstte een storm van verwijten los.
Het vierspan was verschrikt vooruitgesprongen. Niemand had ooit anders
dan in liefde de hand op hen gelegd,... wat konden de fijngevoelige
dieren onder zulk een onwaardige behandeling anders doen dan vluchten,
alsof de dood hen op de hielen zat?
Ondervinding is de beste leermeesteres. Dat bleek ook nu. Vanwaar had
Ben-Hur zijn gespierde hand, zijn machtigen greep, die hem nu zoo goed
te stade kwamen? Had hij die niet te danken aan de roeispaan, waarmede
hij drie lange jaren de golven had doorsneden? En wat beteekende het
geweldige schokken van den wagen voor hem, die op de schuimende baren
gezwalkt had, nu eens hemelhoog opgeheven, dan weder neergesmakt in de
diepte?
Onbeweeglijk bleef hij stand houden, gaf het vierspan den teugel, sprak
hen bemoedigend toe, en trachtte hen voorzichtig den gevaarlijken draai
te doen nemen. Voordat het volk van zijne verontwaardiging bekomen was,
was hij zijne paarden weer volkomen meester. Dat niet alleen. Bij den
eersten paal was hij Messala opnieuw ter zijde gekomen en had zich de
bewondering en genegenheid van alle niet-Romeinen veroverd. Zoo
duidelijk gaven zij lucht aan deze gevoelens, zoo heftig hadden zij
hunne afkeuring getoond, dat Messala, hoe onbeschaamd ook, zich wel
wachtte zijn euveldaad te herhalen.
Toen de wagens om den paal zwenkten zag Esther, dat Ben-Hur wat bleeker
was dan voorheen, maar overigens kalm en bedaard.
Zoodra de eerste rondtoer volbracht was klom een man op het uitstek aan
het westeinde en nam een van de houten ballen af. Datzelfde geschiedde
aan den overkant met de dolfijnen.
Voort renden de twee, en op gelijke wijze verdwenen de tweede bal en de
tweede dolfijn. Toen de derde. Driemaal waren zij dus rond geweest.
Messala had zijn plaats aan den binnenkant nog steeds kunnen behouden,
nog vloog de Jood naast hem voort, nog volgden de drie anderen als te
voren. Het scheen een van die dubbelwedrennen te zijn, die later in Rome
zoo geliefd waren--Messala en Ben-Hur in den eersten, de Corinthiër,
Sidoniër en Byzantijner in den tweeden.
Bij den vijfden rondgang gelukte het den Sidoniër Ben-Hur op zijde te
komen, doch slechts voor een oogenblik. De zesde rondgang begon in de
gewone orde. Langzamerhand was de snelheid toegenomen. Menners en
paarden gevoelden dat de eindbeslissing naderde.
Hadden van den aanvang de Romein en de Jood het meest de belangstelling
gaande gemaakt, thans begon men voor den laatste te vreezen.
--Honderd sestertiën op den Jood! riep Sanballat tegen de jonge
Romeinen, maar hij kreeg geen antwoord.
--Een talent, vijf talenten, tien talenten, zooveel gij wilt! riep
Sanballat uittartend.
--Kom maar hier, zeide een Romeinsche jonkman.
--Doe het niet, waarschuwde een vriend.
--Waarom niet?
--Omdat Messala zijn grootste snelheid heeft bereikt. Zie hoe hij over
den rand van zijn wagen buigt en de teugels viert. En let dan eens op
den Jood. Ik vertrouw het niet.
--Bij Herkules! antwoordde de ander droevig, als de goden onzen Messala
niet bijstaan zal de Jood winnen. Maar neen, nog niet! Jupiter met ons!
Die kreet werd door de andere Romeinen overgenomen, totdat de lucht er
van daverde.
Als het waar was dat Messala zijn uiterste snelheid bereikt had, één
voordeel had hij behaald, dat was zeker. Hij was Ben-Hur vooruit
gekomen. Zijne paarden hielden de koppen gebogen, van de tribune gezien
schenen zij met den buik den grond te raken, hunne neusgaten waren
bloedrood, hunne oogen sprongen bijna uit de kassen. Ja, de dieren deden
hun best. Hoelang zouden zij het kunnen volhouden? Zij waren eerst aan
het begin van den zesden rondgang.
Voort vlogen zij. Toen zij den tweeden paal naderden stuurde Ben-Hur
zijn wagen vlak achter dien van Messala. De vreugde der Romeinen kende
geen mate. Zij schreeuwden, zij schaterden, zij wuifden met hunne
roodgouden sjerpen. Sanballat had druk werk om hunne weddenschappen op
te schrijven.
Malluch, die op de galerij tegenover den Triomfboog zat, begon ongerust
te worden. De wenk, hem door Ben-Hur gegeven, om vooral te letten op de
zwenking bij de westelijke pilaren, was hem in het hoofd blijven hangen,
en daar had hij luchtkasteelen op gebouwd. Dit was de laatste rondgang
en nog was er niets gebeurd! Nog steeds volgde Ben-Hur den Romein op den
voet.
Het gezelschap van Simonides zat doodstil, alleen Iras scheen vroolijk
en opgewekt te zijn.
Zoo naderden de twee den eersten paal. Messala, bevreesd om zijn eigen
plaats te verliezen, ging bijna rakelings langs den muur, op gevaar af
van zijn wagen te pletter te slaan.
Toen zij de kromming omgereden hadden was slechts één wagenspoor te
zien, zoo juist had de Jood den Romein gevolgd.
Esther merkte op dat Ben-Hurs gelaat nog bleeker was dan straks, en
Simonides zeide tot Ilderim: Ik zou mij zeer moeten vergissen, goede
Sheik, als onze jonge vriend niet iets in het schild voert. Ik zie het
aan zijn gezicht;--en Ilderim antwoordde: Zaagt gij hoe frisch mijn
paarden er uitzien? Alsof zij pas van stal komen! Het echte rennen moet
nog beginnen! Maar nu opgelet!
Nog één dolfijn, nog één bal stonden op de uitstekken. Het begin van het
einde was daar.
De Sidoniër beproefde met een laatste krachtsinspanning vooruit te
komen. De poging mislukte. De Byzantijner en de Corinthiër probeerden
hetzelfde, maar slaagden evenmin; zoodat zij feitelijk afgedaan hadden.
Alle toeschouwers, met uitzondering van de Romeinen, hoopten op Ben-Hur
en schreeuwden hem toe: Vooruit, Jood, geef den Arabieren den vrijen
teugel! Haal den binnenkant! Nu of nooit! Den binnenkant! Den
binnenkant!
Zoo riepen zij hem van alle kanten toe en hingen over de balustrades en
staken smeekend de armen uit.
Verstond hij hen niet, of kon hij niet sneller rijden? Reeds naderden
zij den tweeden paal en nog was hij in de achterhoede.
Om den laatsten draai te maken begon Messala de teugels van de linkse
paarden aan te halen, hetgeen natuurlijk hun vaart een weinig
verminderde. Hij was vol moed. Aan meer dan één altaar had hij geloften
gedaan. Rome zou ook nu zegevieren. Slechts zeshonderd voet tusschen hem
en roem, rijkdom, bevordering, bevrediging van wraakgevoel!
Op dat oogenblik zag Malluch van de galerij hoe Ben-Hur zich voorover
boog en de teugels vierde. Hij klapte met zijn lange zweep, en klapte
nogmaals en nogmaals. Hoewel hij de verschrikte dieren niet raakte was
in dat geluid toch iets, dat hen vooruit deed springen en voortvliegen
als een pijl uit den boog. Met één sprong waren zij den Romein op zijde.
Messala, juist genaderd aan het gevaarlijke punt, hoorde iets verdachts,
maar durfde het hoofd niet omdraaien ten einde te zien wat Ben-Hur in
den zin had. Het roepen en schreeuwen van het volk maakte hem niet
wijzer. Boven alles uit hoorde hij ééne stem vlak naast zich, en dat was
de stem van Ben-Hur. In het Arameesch, de taal van den Sheik, riep hij
zijne Arabieren toe: Voorwaarts Rigel! Vooruit Atair! Hoe nu, Antares!
Blijft gij achter? Oho, Aldabaran! Vlugste van allen! Ik hoor het gezang
in de tenten! Ik hoor de kinderen zingen van Rigel, Atair, en Antares,
van Aldebaran en van de victorie! en het jubelen neemt geen einde.--Goed
zoo! Morgen huiswaarts ... naar de zwarte tent ... ons thuis! Voorts
Antares! de meester wacht u!... Het is geschied! Haha! Haha! De
trotschaard is gevallen. Hij, die ons griefde, ligt in 't stof! Ons de
glorie! Ons de roem! Gedaan het werk--soho! halt! ho!
Snel en eenvoudig was alles in zijn werk gegaan, Messala had bijna den
draai om den eindpaal volbracht, toen Ben-Hur met zeldzame vaardigheid
zijn kunststuk volbracht.
Om den Romein voorbij te komen moest hij de baan oversteken en wel in de
kortst mogelijke lijn. Het publiek begreep zijn voornemen. Zij zagen hem
het teeken geven, en waren getuigen van het gevolg: de vier vlak naast
Messala's buitenste wiel ... Ben-Hurs binnenwiel, die het pakte ... een
luid gekraak, zoo luid dat allen in den circus het hoorden en er van
ontstelden ... en de wagen van den Romein lag omver, geheel vernield.
Messala, in de teugels verward, lag er onder.
Het akelig tooneel werd nog ontzettender, doordat de Sidoniër zijne
paarden niet op eens kon inhouden. In volle vaart reden zij over de
rampzaligen Messala en zijn wagen heen, op het steigerende slaande
vierspan in. Alsof er niets gebeurd was zette Ben-Hur in razende vaart
zijn tocht voort, gevolgd door den Corinthiër en den Byzantijner.
Alles stond op, sprong op de banken, en schreeuwde en juichte.
Intusschen lag Messala nog steeds onder de hoeven der spartelende
paarden, onder den gebroken wagen. Hij lag zoo stil, dat men hem voor
dood hield. Slechts enkelen wijdden hem een blik. De meesten volgden
Ben-Hur op zijn zegetocht. Zij hadden niet gezien, hoe hij de paarden
een weinig naar links stuurde en Messala's wiel met de punt van zijn
ijzeren as pakte, zoodat het te gruizel sprong. Maar de plotselinge
verandering van zijne geheele persoonlijkheid was hun niet ontgaan, den
gloed en de bezieling, die van hem uitgingen, hadden zij gevoeld;
begrepen de alles beheerschende toovermacht, waarmede hij op eens door
woord en gebaar zijne edele rossen bezielde. Welk een rennen!
Toen de Byzantijner en Corinthiër halfweg waren, had Ben-Hur den
eindpaal bereikt en was de zege behaald.
De consul verrees van zijn zetel. Het volk schreeuwde zich heesch. De
prefect kwam naar voren en kroonde de overwinnaars.
De gelukkige prijswinner onder de boksers was een blonde reusachtige
Noor. Zijn gelaat trok Ben-Hurs aandacht en weldra herkende hij in hem
zijn leermeester in het schermen te Rome, wiens geliefde scholier hij
geweest was. Van hem hief hij de oogen op naar Simonides en zijn
gezelschap. Zij groetten hem met de hand. Esther bleef zitten, maar Iras
stond op, lachte hem toe en wuifde met haar waaier--vriendschapsbewijzen,
die, zooals wij weten, voor Messala bestemd waren geweest.
Nu vormde de stoet zich, zette zich onder het gejubel der menigte in
beweging, en verliet de arena door de Triomfpoort.
De lang verbeide dag was voorbij.
* * * * *
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
EENE NOODIGING.
Ben-Hur en Ilderim waren de rivier overgestoken en toefden daar nog,
totdat zij, zooals te voren bepaald was, te middernacht de karavaan
konden volgen, die dertig uren geleden reeds op reis was gegaan.
De Sheik was overgelukkig. Hij had zijn jongen vriend vorstelijke
aanbiedingen gedaan; maar deze had alles afgeslagen, zeggende dat hij
volkomen tevreden was met de vernedering van zijn vijand. De edelmoedige
tweestrijd bleef lang onbeslist.
--Bedenk toch, zeide de Sheik, wat gij voor mij gedaan hebt. In elke
tent tusschen de Akaba en den oceaan, van den Euphraat tot aan de
Scytische zee zal de roem van Mira en hare zonen bezongen worden; en
tegelijkertijd zullen zij mijn machtigen arm bezingen. Al de strijdbare
mannen, die zonder leidsman omzwerven, zullen tot mij komen en zich
onder mij scharen. Gij weet niet wat het zegt heerschappij te voeren
over de gansche woestijn, zooals nu voor mij weggelegd is. Ik zeg u het
zal mij zware schatting van handeldrijvenden opbrengen en groote
voorrechten van koningen bezorgen. Ja, bij Salomo's heerlijkheid! Als ik
den keizer om een gunst laat verzoeken, hij zal mijn bede niet afslaan.
En gij wilt niets, niets van mij aannemen?
Ben-Hur antwoordde: Neen, Sheik. Ik heb immers een plaats in uw hart!
Dat de vermeerdering van uw macht en aanzien den Koning, die wij
verwachten, ten goede kome! Wie zal zeggen, of zij u niet tot dat doel
gegeven zijn? Waarschijnlijk heb ik uwe hulp noodig bij het werk, dat ik
ga ondernemen. Als ik nu voor uwe aanbiedingen bedank, kan ik later te
vrijmoediger bij u aankloppen.
Hun gesprek werd afgebroken door de komst van twee boden: Malluch en een
onbekende. Malluch werd eerst toegelaten.
De goede man was opgetogen over de behaalde zegepraal. Na eerst zijne
blijdschap lucht te hebben gegeven, zeide hij: Mijn goede meester heeft
mij opgedragen u mede te deelen, dat sommige der Romeinsche edellieden
weigeren aan hunne verplichting te voldoen.
Ilderim sprong op en riep heftig: Wat! Het geheele Oosten moge beslissen,
of de zege eerlijk behaald is of niet!
--Bedaar, edele Sheik, zeide Malluch. De prefect heeft den prijs doen
uitbetalen.
--Dan is het goed.
--Toen zij aanvoerden, dat Ben-Hur Messala's wiel verbrijzeld heeft,
lachte de prefect en herinnerde hun den zweepslag, dien Messala den
Arabieren in het begin gaf.
--Weet gij ook iets van den Athener?
--Die is dood.
--Dood? En Messala? Is die ontkomen? Wat loopt dien Romeinschen
windbuilen toch altijd alles mee! riep Ilderim.
--Hij is wel ontkomen, antwoordde Malluch, maar het leven zal hem tot
een last zijn. De geneesheeren zeggen, dat hij nooit meer zal kunnen
loopen.
Ben-Hur zag zwijgend op naar den hemel. In den geest zag hij Messala,
evenals Simonides, hulpbehoevend, gedragen in een stoel, afhankelijk van
dienstboden. De oude man had een rein geweten, maar hoe zou deze
trotsche en eerzuchtige er zich in schikken?
--Sanballat, vertelde Malluch verder, heeft veel last met Drusus en de
andere jongelieden, want zij weigerden de groote sommen te betalen, die
zij verloren hebben, en brachten de zaak voor den consul. Deze verwees
hen naar den Keizer. Messala weigerde eveneens te betalen, maar
Sanballat ging, in navolging van Drusus, naar den consul, waar de zaak
nog hangende is. De goedgezinden onder de Romeinen zeggen, dat het
eereschulden zijn, die betaald moeten worden, en alle andere partijen
scharen zich aan hunne zijde.
--Wat zegt Simonides? vraagde Ben-Hur.
--Die lacht en is recht voldaan. Als de Romein betaalt is hij geruïneerd.
Weigert hij, dan is hij geschandvlekt. De Keizer zal moeten beslissen.
Het Oosten te beleedigen zou niet wijs zijn, met het oog op den veldtocht
tegen de Parthen. Sheik Ilderim te beleedigen zou gelijk staan met de
woestijn tegen zich in het harnas te jagen, en die heeft Maxentius juist
noodig voor zijne krijgsoperatiën. Daarom zeide Simonides, dat gij u niet
ongerust behoeft te maken, want Messala zal betalen.
--Dan kunnen wij vertrekken, zeide Ilderim, en wreef zich de handen. Wij
kunnen alles gerust aan u overlaten. Ik zal de paarden doen voorkomen.
--Buiten staat nog een bode, zeide Malluch, wilt gij dien zien?
--'t Is waar ook. Ik dacht niet meer aan hem.
Malluch ging heen, en in zijn plaats trad een knaap binnen. Hij boog
voor den Sheik en zeide: Iras, de dochter van Balthasar, heeft mij
opgedragen den vriend haars vaders, Sheik Ilderim, geluk te wenschen met
de behaalde overwinning met zijn vierspan.
--De dochter van mijn vriend is zeer vriendelijk, zeide Ilderim
vroolijk. Geef haar met mijn dank dezen ring tot een aandenken.
Hij trok een kostbaren diamant van den vinger en reikte dien den
jongeling over.
--Mijne meesteres, vervolgde de knaap, droeg mij ook op u te verzoeken
den jongeling Ben-Hur mede te deelen, dat zij met haar vader verblijf
houdt in het paleis van Idernee, waar zij den jongeling morgen na de
vierde ure verwacht om hem persoonlijk te kunnen geluk wenschen.
De Sheik keek Ben-Hur aan, die met stralende oogen antwoordde: Met uw
goedvinden zal ik de schoone Egyptische bezoeken.
Ilderim lachte en zeide: Zou niet een man zijne jeugd genieten?
Toen keerde Ben-Hur zich tot den bode en zeide: Zeg tot haar, die u
zendt, dat ik, Ben-Hur, haar morgen bezoeken zal in het paleis Idernee,
op het door haar aangegeven uur.
De knaap groette beleefd en ging heen.
Te middernacht reisde Ilderim af, na zijn jongen vriend beloofd te
hebben een paard en een gids voor hem te zullen achterlaten.
* * * * *
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
IN DE VAL.
Den volgenden dag begaf Ben-Hur zich op den bepaalden tijd naar het
paleis Idernee, dat uitwendig geheel in Griekschen stijl was gebouwd.
Langzaam trad hij binnen en ging de vestibule door. Hij was kalm
gestemd. Hij zou in de tegenwoordigheid van Iras komen. Zij wachtte hem
met scherts en zang, geestig, afwisselend, grillig, met grimlachjes, die
haar zoo lief stonden, met vriendelijke blikken en fluisterende stem.
Reeds eenmaal had zij hem doen roepen, dien avond van het roeitochtje op
het meer, en nu had zij weder om hem gezonden in dit schoone paleis. Hij
voelde zich gelukkig en droomerig gestemd.
Toen hij de lange gang doorgegaan was kwam hij voor een gesloten
vleugeldeur, die bij zijne nadering vanzelf openging. Deze bijzonderheid
ging echter voor hem verloren, door de verbazing, die hem beving, over
hetgeen zich nu aan zijne oogen vertoonde.
Vóór zich zag hij het atrium van een Romeinsch huis, met zeldzame pracht
en weelde ingericht. Het vertrek was groot, hoe groot was niet met
juistheid te bepalen, want de blik verloor zich in de ruimte. Hij bleef
verbaasd staan. De fraai gepolijste mozaïekvloer stelde mythologische
onderwerpen voor. Langs de wanden stonden zetels en stoelen, alle
verschillend van vorm, en kunstig bewerkt, gebeeldhouwde tafels,
gemakkelijke divans, uitnoodigend tot rusten. De zoldering was
koepelvormig. In het midden bevond zich een opening, waardoor het licht
ongehinderd naar binnen stroomde. Het impluvium was omgeven door een
bronzen balustrade. De vergulde pilaren, die de zoldering droegen,
schitterden in den zonnegloed, en de weerspiegeling er van in den
gepolijsten vloer scheen uit een onpeilbare diepte op te komen. Verder
waren er kandelaars van phantastischen vorm, beelden en vazen, alles zoo
schoon, dat het uitstekend gepast zou hebben in het huis op den Palatijn,
dat Cicero van Crassus kocht, of in die andere villa, nog meer bekend om
haar buitensporige pracht: de villa van Scaurus te Tusculum.
Nog altijd in droomerige stemming ging Ben-Hur van het een naar het
ander, bekoord door alles wat hij zag. Het hinderde hem niet dat hij een
poos moest wachten. Als Iras gereed was zou zij wel komen, of hem tot
zich laten roepen. In ieder deftig Romeinsch huis was het atrium de
plaats, waar men bezoekers ontving. Twee-, driemaal wandelde hij het
vertrek rond, stond stil onder de opening in de zoldering, en keek
peinzend naar de blauwe lucht boven zijn hoofd. Leunende tegen een
pilaar bestudeerde hij de afwisseling van licht en schaduw, maar nog
kwam er niemand. De tijd begon hem eindelijk lang te vallen ... waarom
kwam Iras niet? Weer beschouwde hij de mozaïeken op den grond, maar zij
boeiden hem niet zooals straks. Gedurig hief hij het hoofd op om te
luisteren, langzamerhand begon hij ongeduldig te worden, en ten laatste
trof hem de doodelijke stilte, die in het huis heerschte. Deze maakte
hem onrustig en achterdochtig. Hij wilde er niet aan toegeven, lachte om
zijne dwaasheid, en zette zich nogmaals neer om een kandelaar te
bewonderen, zoo sierlijk en kunstig als hij nimmer gezien had. Maar de
stilte werd voel- en hoorbaar. Hij luisterde terwijl hij den kandelaar
bekeek, hij luisterde of hij niet een stap hoorde ... maar alles bleef
stil, het paleis scheen uitgestorven te zijn.
Kon het misschien een vergissing wezen? Neen, de bode had gezegd, dat de
Egyptische hem zond, en dit was het paleis Idernee. Nu herinnerde hij
zich op eens, hoe geheimzinnig de deur was opengegaan, zoo geruischloos,
zoo vanzelf. Dat zou hij eens onderzoeken.
Hij ging er heen. Hoe zacht hij ook liep, toch weerklonken zijne
voetstappen. Hij werd er zenuwachtig van. Het slot gehoorzaamde niet bij
zijn eerste voorzichtige poging om de deur te openen. Bij de tweede
beproefde hij het met alle macht; maar tevergeefs, de deur bleef
gesloten. Een voorgevoel van naderend onheil maakte zich van hem
meester, en hij bleef besluiteloos staan.
Wie in Antiochië kon hem kwaad willen doen?
Messala!
En dit paleis? De vestibule was Egyptisch, de portiek Grieksch, maar
hier, in dit atrium, zag hij Rome. Alles rondom hem verried, dat een
Romein de eigenaar was. Plotseling veranderde het schoone atrium voor
hem van gedaante. Het was een val.
Links en rechts waren verscheidene deuren, die waarschijnlijk tot
slaapkamers leidden. Hij trachtte ze te openen, maar zij waren alle
afgesloten. Zou hij kloppen? Neen, hij schaamde zich alarm te maken, en
wierp zich op een divan om na te denken.
't Was maar al te duidelijk, hij was een gevangene. Maar met welk doel?
En van wien? Had Messala hem dit aangedaan? Hij richtte zich op en
lachte smakelijk. Ieder meubel kon hem tot wapen dienen, de rustbanken
bij voorbeeld tot stormrammen. Hij was sterk, en woede en wanhoop konden
wonderen doen verrichten.
Messala zelf kon niet bij hem komen. Hij zou nimmermeer kunnen loopen;
maar hij kon door anderen werken. Die gedachte deed Ben-Hur opspringen.
Hij verhief zijne stem en riep om hulp, maar de echo was zoo sterk dat
hij er van verschrikte. Weer dwong hij zich tot kalmte en besloot nog
een poos te wachten, voordat hij zich met geweld een doortocht maakte.