zooveel was als ons hedendaagsch programma, en uitvoerig de
verschillende vermakelijkheden beschreef. Eerst zou een luisterrijke
optocht gehouden worden, gevolgd door de gewone eerbewijzen aan den god
Consus, daarna wedloopen, springen, worstelen, boksen. De namen der
deelnemers met opgave van nationaliteit en leerschool waren alle
aangegeven, benevens hunne vroegere overwinningen. Dit gedeelte van het
programma zag Ben-Hur vluchtig door; maar toen hij aan de beschrijving
van den wedren kwam las hij die bedaard en rustig. Zij begon met de
mededeeling, dat de liefhebbers een zeldzaam genot wachtte, vermeldde
daarna, dat de prijs zou bestaan uit 100,000 sestertiën en een
lauwerkrans, en ging toen tot bijzonderheden over. Zes vierspannen waren
ingeschreven, die, om den strijd te belangwekkender te maken, alle te
gelijk zouden afrijden. Daarop volgde eene beschrijving van de
vierspannen.
I. Een vierspan van Lysippus den Corinthiër--twee schimmels, een vos en
een bles. Verleden jaar te Alexandrië en te Corinthe den prijs behaald.
Menner: Lysippus. Kleur: geel.
II. Een vierspan van Messala den Romein--twee witte, twee zwarte.
Verleden jaar prijswinners bij de Circensische spelen in den Circus
Maximus. Menner: Messala. Kleur: rood en goud.
III. Een vierspan van Cleanthes den Athener--drie schimmels, een vos.
Verleden jaar prijswinners bij de Istmische spelen. Menner: Cleanthes.
Kleur: groen.
IV. Een vierspan van Dicaeus den Byzantijner--twee zwarte, een schimmel,
een vos. Prijswinners te Byzantium. Menner: Dicaeus. Kleur: zwart.
V. Een vierspan van Admetus den Sidoniër--alle schimmels. Driemaal
prijswinners te Cesarea. Menner: Admetus. Kleur: blauw.
IV. Een vierspan van Ilderim, Sheik der woestijn--alle vier vossen,
eerste renners. Menner: Ben-Hur, een Jood. Kleur: wit.
Menner: Ben-Hur, een Jood!
Waarom dien naam opgegeven in plaats van Arrius?
Ben-Hur zag den Sheik vragend aan. Nu begreep hij de reden van Ilderims
uitroep. Beiden kwamen tot dezelfde slotsom: dat had Messala gedaan!
* * * * *
ELFDE HOOFDSTUK.
DE WEDDENSCHAPPEN.
Den avond voor de feesten heerschte in Antiochië groote drukte. Een
dichte menschenmassa bewoog zich door de straten, voornamelijk langs de
Kolonnade van Herodes. Men kon zich dan ook moeilijk iets denken, dat
meer geschikt was om wandelaars te lokken, dan die breede overdekte
paden, met hunne sierlijke marmeren bogen. Overal brandde licht, overal
heerschte vroolijkheid: gezang, gelach, gedruisch van stemmen.
Schier alle nationaliteiten waren vertegenwoordigd in hunne verschillende
kleederdrachten, hetgeen niet weinig bijbracht tot verlevendiging van het
tooneel.
Eéne bijzonderheid zou onze aandacht zeker getrokken hebben, en wel dat
bijna iedereen de kleur van een der zes menners droeg, hetzij in de vorm
van een sjerp of rozet, of een veer op de muts. Men behoefde niet lang
rond te zien om te bemerken, dat drie kleuren den boventoon voerden:
groen, wit, en rood met goud.
Wij willen ons thans niet buiten ophouden, maar een kijkje nemen in het
paleis op het eiland.
De vijf groote kroonlichten branden. Het gezelschap, dat wij in de zaal
vinden, in nagenoeg hetzelfde als dat, waarmede wij den vorige keer
kennis maakten. Op den divan liggen ook nu slapers en mantels, en op de
tafels rollen weder de dobbelsteenen. Het meerendeel der aanwezigen doet
echter niets. Men wandelt op en neer, men gaapt, men zegt nietsbeteekende
aardigheden. Eigenlijk vervelen zij zich. Hun voornaamste werk is gedaan,
zij hebben hun tafeltjes volgeschreven met weddenschappen op het
hardloopen, het worstelen, het boksen, op alles, behalve op den wedren,
en wel om de eenvoudige reden, dat niemand een enkelen denarie met hen
verwedden wil tegen Messala.
Allen dragen zijne kleuren. Dat hij de nederlaag zou kunnen lijden wordt
niet mogelijk geacht. Hij heeft immers de beste school doorgemaakt!
Zijne paarden hebben den prijs behaald in den Circus Maximus! En,
bovenal, hij is immers een Romein!
Messala zelf zit gemakkelijk in een hoek van den divan, het middelpunt
van een groep bewonderende vrienden. Zij hebben het natuurlijk druk over
den dag van morgen.
Daar komen Drusus en Cecilius binnen. De eerste valt naast Messala op
den divan, met den uitroep: Bij Bacchus, ik ben moe!
--Waar zijt gij geweest? vraagde Messala.
--Overal. Wat een menigte menschen is er op de been! Het zal morgen in
den circus ongenaakbaar zijn.
--Hebt gij ook iets bijzonders gezien?
--Neen.
--Zoo? zeide Cecilius. Gij vergeet dien optocht van Witten.
't Is waar ook. Wij kwamen een langen stoet Witten tegen met een banier.
Maar ... hahaha!
--Ga voort, zeide Messala. Wat verder?
--Och, 't was een partijtje Arabieren, en wat Joden uit Jeruzalem. Dat
was alles.
--Neen, Messala, zeide Cecilius. Drusus is bang om uitgelachen te
worden, maar ik niet alzoo.
--Welnu, spreek gij dan.
--Wel, wij hielden den troep staande, en--
--En vraagden of zij een weddenschap met ons wilden aangaan, viel Drusus
zijn vriend lachend in de rede. Een jongen stapte naar voren, en zei ja.
Ik nam mijn tafeltje en zeide: Op wien woudt gij wedden? Op Ben-Hur, den
Jood, antwoordde hij. Toen zeide ik: Om hoeveel zullen wij wedden? Hij
antwoordde ... hahaha! O, Messala, ik moest zóó lachen, 't was zoo gek,
hahaha!
Messala keek Cecilius vragend aan, en deze zeide: een sikkel;--welke
mededeeling een luid en algemeen gelach veroorzaakte.
--En wat deed Drusus? vraagde Messala.
--Natuurlijk bedankte hij voor de eer.
Bij de deur ontstond eenig rumoer, dat al sterker en sterker werd en
zelfs Cecilius deed opstaan, om te gaan zien wat de reden kon zijn.
Luide kreten van: Een witte! een witte! klonken hem tegen.
Hierheen, hierheen! riepen sommigen.
De spelers verlieten hun spel, de slapers ontwaakten, wreven zich de
oogen uit, haalden hunne tafeltjes voor den dag en naderden den kring,
die zich om den vreemdeling gevormd had.
--Ik bied u....
En ik....
--Ik ... schreeuwden zij door elkander.
De persoon, die zoo stormachtig begroet werd, was niemand anders, dan de
Jood van Cyprus, door wien Ben-Hur allereerst van Simonides gehoord had.
Hij was in het wit gekleed, en trad beleefd groetend vooruit. Langzaam
en statig ging hij naar de middeltafel, zette zich neder en wuifde met
de hand. Een kostbaar juweel aan zijnen vinger bracht niet weinig bij
tot het verkrijgen van de gewenschte stilte.
--Romeinen, edele Romeinen, ik groet u, zeide hij.
--Die is leuk! zeide Drusus. Wie is hij?
--Een Jood--Sanballat heet hij, leverancier aan het leger, woont in
Rome, geducht rijk geworden door leveranciers, die hij nooit levert. Hij
zint altijd op kwaad, maar ditmaal zullen wij hem in zijn eigen strikken
vangen.
Messala stond op, terwijl hij dit zeide, en voegde zich bij de anderen.
--Ik hoorde op straat, zeide Sanballat, zijn tafeltje ter hand nemend,
dat men in het paleis ontevreden is, omdat niemand tegen Messala wil
wedden. Gij ziet mijne kleur. Ter zake dus. Wat biedt gij mij? Eerst
kansen, daarna de som.
Zijne stoutmoedigheid overblufte de jonge Romeinen.
--Kom, hernam hij, ik heb niet veel tijd. De consul wacht mij bij zich.
Dat werkte.
--Twee tegen een, riep een half dozijn stemmen.
--Hoe nu? vraagde Sanballat verbaasd. Twee tegen een? En gij wedt op een
Romein?
--Drie dan!
--Niet meer dan drie? Een Romein tegen een Jood! Zeg vier!
--'t Is goed, vier! riep een knaap, door dien spot getergd.
--Vijf. Zeg vijf, liet Sanballat er onmiddellijk op volgen.
Diepe stilte heerschte in de zaal.
--De consul wacht op mij. Ik heb niet veel tijd meer.
De stilte werd benauwend.
--Zeg vijf. Voor de eer van Rome vijf.
--'t Is goed, laat het vijf zijn, zeide Messala.
Sanballat glimlachte en deed alsof hij wilde gaan schrijven. Als de
keizer morgen sterft, zeide hij, behoeft Rome niet verlegen te staan.
Hier is ten minste nog een, die moed bezit. Zeg zes!
--Goed. Zes, antwoordde Messala, en werd met een stormachtig applaus
beloond.
--Zes tegen een dus, herhaalde Messala. Zes tegen een. Het onderscheid
tusschen een Romein en een Jood. Schrijf het bedrag op. Maar vlug. De
consul mocht u laten roepen en dan was ik mijn winst kwijt.
Sanballat liet hem lachen, schreef, en bood zijn tafeltje aan Messala.
--Lees, lees! riepen zijne vrienden.
Messala las met luide stem:
Mem. Wedren met wagens. Messala van Rome wedt met Sanballat,
eveneens van Rome, dat hij Ben-Hur den Jood zal verslaan. Bedrag
der weddenschap: twintig talenten. Kansen: Zes tegen een.
Getuigen: ............
Sanballat.
Doodelijke stilte alom. Als aan den grond genageld stonden de
jongelieden. Messala staarde op het memorandum, de oogen van de anderen
rustten op hem. Hij voelde die blikken en overlegde wat te doen. Zoo
kort geleden nog had hij op deze zelfde plek den meester gespeeld over
zijne makkers. Weigerde hij te teekenen, dan was hij van zijn voetstuk
gevallen. Toch kon hij niet teekenen, want hij bezat geen honderd
talenten, nauwelijks een vijfde van die som. Alles schemerde hem voor de
oogen. Hij stond sprakeloos en werd doodsbleek. Daar viel hem iets in.
--Gij Jood, zeide hij, zoudt gij twintig talenten bezitten? Bewijs!
Een fijne glimlach speelde om Sanballats lippen.
--Ziedaar! zeide hij en overhandigde Messala een blad papier.
Weder las Messala met luide stem:
Antiochië, den 16den Tammuz.
Toonder dezes, Sanballat van Rome, heeft bij mij gedeponeerd vijftig
talenten, Romeinsch geld.
Simonides.
--Vijftig talenten! Vijftig talenten! riepen de jongelieden verbaasd.
Nu kwam Drusus zijn vriend te hulp. Bij Herkules! riep hij, dat blad
liegt, en de Jood liegt. Wie, behalve de keizer, heeft zoo op eens
vijftig talenten ter beschikking? Weg met den onbeschaamden Witte!
Hij was driftig en stak ook de anderen aan. Sanballat bleef echter
bedaard, en glimlachte weder. Eindelijk zeide Messala: Stil! Een tegen
een, vrienden! Een tegen een, ter liefde van onzen ouden Romeinschen
naam.
Met dat woord beheerschte hij weder den toestand.
--Welaan, Jood, zeide hij tegen Sanballat, ik wedde zes tegen een, niet
waar?
--Ja, antwoordde de ander bedaard.
--Welnu, laat dan aan mij over het bedrag vast te stellen.
--Goed; maar onder beding, dat de som niet te gering zij, antwoordde
Sanballat.
--Schrijf dan vijf in plaats van twintig.
--Kunt gij daarover beschikken?
--Bij de moeder der Goden, ik zal u het bewijs geven.
--Niet noodig. Het woord van zulk een dapper Romein is mij genoeg. Maar
maak het liever tot een even getal. Zeg zes, en ik zal schrijven.
--Het zij zoo.
Daarop verwisselden zij van tafeltjes.
Sanballat stond op en zag rond. Uitdagende spot was op zijn gelaat te
lezen. Beter dan iemand wist hij wien hij voor zich had.
--Romeinen, durft gij nog een weddenschap aan te gaan? Vijf talenten
tegen vijf, dat wit winnen zal. Ik daag u allen te zamen uit.
Algemeene verbazing.
--Wat? riep Sanballat luide. Moet morgen in den circus verteld worden,
dat een Jood in het paleis geweest is, waar de bloem der Romeinsche
edellieden verzameld was, en dat hij vijf talenten inzette, maar dat
niemand hem aandurfde? Dat is te erg.
--Genoeg, onbeschaamde! riep Drusus. Schrijf de uitdaging op en leg ze
hier op tafel neer. Als morgen blijkt, dat gij werkelijk zooveel geld op
een verloren zaak kunt zetten, dan beloof ik, Drusus, u, dat ik de
weddenschap aanneem.
Weder schreef Sanballat het vereischte stuk en zeide doodbedaard:
Ziehier, Drusus, ik laat het stuk in uwe handen. Als het geteekend is,
zend het mij dan, voordat de wedrennen beginnen. Ik heb een plaats vlak
bij den consul tegenover de Porta Pompae. Vrede zij u allen!
Hij boog en vertrok, onverschillig voor de spotternijen, die zij hem ten
besluite deden hooren.
Dienzelfden avond nog vloog het verhaal van de onzinnige weddenschap als
een loopende vuurtje door de stad. Ook Ben-Hur hoorde er van, met
bijvoeging, dat Messala's geheele fortuin op het spel stond. Hij had
zich met zijn vierspan ter rust begeven en nooit sliep hij beter dan
dien nacht.
* * * * *
TWAALFDE HOOFDSTUK.
DE CIRCUS.
De circus te Antiochië stond op den zuidelijken oever der rivier,
tegenover het eiland, en was wat den vorm betreft als andere gebouwen
van die soort. De spelen waren in vollen zin des woords een geschenk aan
het volk, dat wil zeggen: iedereen had vrijen toegang.
Lang voordat de deuren opengingen verzamelde zich in de naburige straten
een dichte menigte, want hoe groot en ruim het gebouw ook zijn mocht,
ieder wilde de eerste zijn, uit vrees dat hij geen plaats zou krijgen.
Nauwelijks was de morgenschemering aangebroken, of de toegang werd
geopend en het volk stroomde naar binnen, om bezit te nemen van de voor
hem bestemde plaatsen. Zij hadden hun ontbijt bij zich en brachten de
uren, die nog verloopen moesten, voordat de spelen begonnen, slapende en
etende door.
De meer aanzienlijken, die besproken plaatsen hadden, kwamen met de
eerste uren van den dag, en toen de zonnewijzer van de citadel de tweede
ure aangaf, daalde het garnizoen in volle wapenrusting en met vliegende
vanen van den berg Sulpius af. Toen de achterhoede over de brug verdween,
was Antiochië letterlijk leeggeloopen.
Die geen plaats hadden kunnen krijgen in den circus hadden zich naar de
rivier begeven, om den consul, die in het eiland-paleis logeerde, in
zijn fraaie bark te zien landen. Toen de groote man aan wal stapte werd
hem door het legioen de militaire eer bewezen, waarna de stoet den
circus binnentrok.
Met de derde ure kondigde trompetgeschal de opening van het feest aan.
Het rumoer verstomt. De oogen van meer dan honderdduizend menschen
vestigen zich in gespannen verwachting op een en hetzelfde punt, op de
Porta Pompae, waar de autoriteiten en kampspelers in feestelijken
optocht zullen binnenkomen.
Daar zijn zij. Eerst de koorzangers en muzikanten, dan de prefect en
het stedelijk bestuur, in prachtgewaad en met kransen op het hoofd,
vervolgens de beelden der goden, sommige gedragen, andere in prachtig
versierde wagentjes, daarna de kampvechters, ieder in zijn bijzonder
kostuum. Langzaam gaat de processie voort. Het is een schoon en
indrukwekkend gezicht, en lokt een eindeloos gejubel uit.
De ontvangst der athleten is bijzonder luidruchtig, want er is niemand
onder de toeschouwers, die niet op hen gewed heeft, al is het nog zoo
weinig. Men roept hen bij hunne namen, men werpt hun bloemen en kransen
toe. De vierspannen sluiten den optocht. De fiere rossen, de prachtige
wagens boeien aller oogen, de menners niet minder. Hunne fijne wollen
tunica's, kort en zonder mouwen, zijn van de hun toegewezen kleuren. Een
man te paard begeleidt iederen wagen, behalve dien van Ben-Hur. Deze had
om de eene of andere reden, misschien uit wantrouwen, voor die eer
bedankt. De andere menners dragen een helm, hij niet.
De toeschouwers staan op van hunne zitplaatsen, men juicht, men jubelt,
en een regen van bloemen daalt neer op de paarden, de wagens, de menners.
Alle aanwezigen, mannen, vrouwen en kinderen, dragen een strikje op de
borst, of in het haar, de kleur van een der menners, maar ofschoon alle
kleuren vertegenwoordigd zijn, voeren wit, en rood met goud, den
boventoon. De oorzaak hiervan is te zoeken in het nationaliteitsgevoel.
De buitenlieden: Syriërs, Joden en Arabieren, hopen den Jood te zien
zegepralen. De burgers van Antiochië en de Romeinen rekenen er op den
Romein als overwinnaar uit het strijdperk te zien treden. De Grieken
zijn verdeeld tusschen den Corinthiër en den Athener. De steden
Byzantium en Sidon zijn schaars vertegenwoordigd.
Naarmate de stoet voorttrekt neemt de geestdrift toe. Messala! Messala!
Ben-Hur! Ben-Hur! weerklinkt het luider en luider, en toen men eindelijk
de arena door de Porta Pompea verliet, wist Ben-Hur dat zijn gebed
verhoord was. Het Oosten wachtte in spanning den uitslag af van zijn
strijd met Messala.
* * * * *
DERTIENDE HOOFDSTUK.
DE AFRIT.
Te drie uur des namiddags volgens onze tijdrekening was het grootste
gedeelte van het programma afgeloopen. De wedren alleen moest nog
gehouden worden. Maar eerst zou er een pauze zijn, opdat de toeschouwers
zich wat zouden kunnen verfrisschen. De deuren werden geopend, de
meerderheid stroomde naar buiten, om zich in de nabijgelegen winkels van
het noodige te voorzien. Zij, die liever bleven zitten, praatten,
geeuwden, rekten zich uit, raadpleegden hunne tafeltjes, en bespraken
hun verlies of winst.
Diegenen van de burgerij, welke om verschillende redenen verkozen hadden
alleen den wedren bij te wonen, maakten van de pauze gebruik, om zich
naar de voor hen besproken plaatsen te begeven. Door dit uur te kiezen
trokken zij het minst de aandacht en gaven niemand aanstoot.
Tot deze klasse behoorden Simonides en zijn gezelschap, die hunne plaatsen
hadden bij den hoofdingang tegenover den consul.
Toen vier bedienden den koopman in zijn stoel naar binnen droegen, staken
allen de hoofden bij elkander. Iemande noemde zijn naam, en weldra ging
hij van mond tot mond. Allen bogen zich over de leuning om den man te
zien, van wiens rijkdom en treurig lot verschillende praatjes in omloop
waren. Ook Ilderim werd door velen herkend en met warmte begroet; maar
niemand wist te zeggen wie Balthasar en de twee dicht gesluierde vrouwen
waren, die hen vergezelden. Toen zij gezeten waren zag de eene, Esther,
verlegen voor zich en trok haar sluier dichter voor 't gelaat; maar de
andere, Iras, liet hem afglijden, en keek vrijmoedig om zich heen.
Een weinig later kwamen eenige werklieden en spanden een met wit krijt
bestreken touw dwars over de arena, vóór den eersten eindpaal. Terwijl
zij daar nog mee bezig waren, traden zes mannen door de Porta Pompae
binnen en stelden zich voor de zes stallen. Nu ontstond een algemeen
fluisteren en wijzen.
--Kijk, de groene gaat naar nummer vier, daar is dus de Athener.
--En Messala is in nummer twee.
--De Corinthiër ...!
--O, zie eens naar de witte! Kijk, hij gaat naar nummer een.
--Neen, daar blijft de zwarte staan, de witte moet naar nummer twee.
--O ja, gij hebt gelijk.
Deze deurwachters droegen tunica's van de kleuren der mededingende
menners; zoodat, toen zij hunne plaatsen innamen, iedereen wist in
welken stal zijn uitverkoren held het sein tot den afrit verbeidde.
--Hebt gij Messala wel eens gezien? vraagde Iras aan Esther.
--Neen, antwoordde zij, en huiverde op het hooren van dien gevreesden
naam.
--Hij is schoon als Apollo, hernam Iras.
--Zou hij dan zóóveel schooner zijn dan Ben-Hur, dacht Esther.
Een oogenblik later hoorde zij Ilderim tot haren vader zeggen: Ja, zijn
stal is nummer twee, links van de Porta Pompae,--en begrijpende, dat zij
over den jongen meester spraken, keek zij naar dien kant. Ook slechts
even, toen hulde zij zich nog dichter in haar sluier, en zond een innig
smeekgebed tot God omhoog.
Nu voegde Sanballat zich bij hen.
--Sheik, zeide hij, ik ben even in den stal geweest. De paardjes bevinden
zich in den besten welstand.
Ilderims oogen glinsterden van voldoening, maar hij antwoordde bedaard:
Mochten zij het onderspit delven, dan hoop ik dat dit voor een ander dan
Messala zal zijn.
--Zie, zeide Sanballat, zich tot Simonides wendende, hier is iets dat u
belang zal inboezemen. Ik deelde u reeds mede, dat ik gisteren een
weddenschap met Messala heb aangegaan, en het aanbod tot een tweede
achterliet, die mij, zoo het aangenomen werd, hedenmorgen moest bezorgd
worden. Hier is zij,... en dit zeggende overhandigde hij Simonides een
tafeltje.
Simonides nam het en las het memorandum met aandacht.
--In orde, zeide hij. Van morgen lieten zij mij vragen, of het waar was,
dat gij over zooveel geld te beschikken hadt. Bewaar het tafeltje goed.
Verliest gij, welnu, gij weet waar gij u vervoegen kunt. Wint gij--O
mijn vriend! als gij wint, pas dan op. Laat niet toe, dat zij u
ontsnappen. Dwing hen u tot den laatsten penning te betalen. Zij zouden
het ons ook doen.
--Verlaat u op mij, antwoordde Sanballat.
--Wilt gij niet bij ons komen zitten? vraagde Simonides.
--'t Is heel vriendelijk van u, maar als ik niet bij den consul blijf
wordt jong Rome te overmoedig.
De pauze was afgeloopen. Trompetgeschal riep de afwezigen naar hunne
plaatsen terug. Tegelijkertijd verschenen eenige bedienden in de arena,
klommen op den scheidsmuur, gingen naar een uitstekje bij den tweeden
paal aan het westeinde en legden er zes houten ballen op. Vervolgens
keerden zij terug naar den eersten paal en legden op een dergelijk
uitstekje zes houten dolfijnen.
--Wat beteekenen die ballen en die visschen, Sheik? vraagde Balthasar.
--Hebt gij nog nooit een wedren bijgewoond?
--Neen, dit is de eerste maal.
--Wel, daar telt men mede. Na iederen rondgang wordt een bal en een
visch weggenomen.
De voorbereidingen waren afgeloopen. Een trompetter stond gereed om op
het bevel van den prefect het signaal te blazen. Het gejoel en gepraat
verstomde. In gespannen verwachting keerden alle hoofden zich naar de
nog gesloten stallen, waar de zes mededingers wachtten.
De ongewone kleur op het gelaat van Simonides toonde duidelijk, dat hij
alles behalve kalm was, terwijl Ilderim onrustig in zijn baard woelde.
--Let nu op den Romein, zeide Iras tot Esther, die met een kloppend hart
naar Ben-Hur uitzag.
Een kort schril trompetgeschal, en de zes opzichters traden naar voren
om, zoo de paarden wild mochten zijn, hulp te kunnen verleenen. Weer
werd de trompet geblazen, en tegelijkertijd werden de deuren der stallen
opengeworpen.
Eerst verschenen de bereden begeleiders der mededingers, vijf in getal,
want Ben-Hur had zooals wij weten voor die eer bedankt. Het witte touw
werd neergelaten om hen te laten voorbijgaan, daarna weer omhoog
gehaald. De vijf ruiters waren prachtig uitgedost, maar bijna niemand
lette op hen. De open stallen hielden aller aandacht geboeid.
Het touw werd nogmaals neergelaten, en als een stormwind vlogen de zes
vierspannen naar buiten. De onafzienbare menschenmassa verrees van hare
zitplaatsen en deed de lucht weergalmen van haar gejuich. Dit was het
oogenblik, waar zij zoo geduldig op gewacht hadden, waar zij dagen lang
over gesproken hadden.
--Daar is hij! riep Iras en wees op Messala.
--Ik zie hem, antwoordde Esther, maar haar blik volgde Ben-Hur. Zij had
haar sluier weggeslagen en begreep op dat oogenblik hoe men, onder het
bewonderend oog der menigte, zelfs den dood onvervaard leert trotseeren.
De deelnemers waren thans voor alle toeschouwers goed te zien, maar toch
was de wedren nog niet begonnen. Eerst moesten zij het witte touw veilig
achter zich hebben.
De lijn was gespannen om den afrit volkomen gelijktijdig te doen plaats
vinden. Om er niet door tegengehouden te worden, en zoodoende reeds bij
het begin tot de achterblijvers te behooren, moesten zij er zijn, juist
op het oogenblik, dat de lijn viel. Maar dan nog was de groote vraag,
wie op de baan aan de binnenzijde naast den scheidsmuur kwam. Dat was
het doelwit van aller streven. De gelukkige, die zich deze plaats wist
te veroveren, had van den beginne iets voor boven de anderen.
Dat streven, de daaraan verbonden gevaren en gevolgen waren bij de
toeschouwers zeer goed bekend, en daarom wachtten allen dan ook ademloos
op den uitslag.
De arena baadde in licht, maar de menners lieten zich niet verblinden.
Strak was hun oog gevestigd op het touw en op den begeerden binnenkant.
Zoo renden dan alle zes in pijlsnelle vaart naar een en hetzelfde punt
en scheen een botsing onvermijdelijk.
De tot aan het touw af te leggen baan was ongeveer tweehonderdvijftig
voet lang. Hier werden een scherp oog, een vaste hand, een kalme geest
vereischt. Eén blik ter zijde en het was gedaan.
De mededingers naderden het touw gelijktijdig. Daar werd het signaal
geblazen, het touw viel neer en geen minuut te vroeg, want reeds sloeg,
toen het viel, de hoef van een van Messala's paarden er tegen. Volstrekt
niet verschrikt vierde de Romein de teugels en met een luiden jubelkreet
nam hij de veelbegeerde baan naast den muur in bezit.
--Jupiter met ons! Jupiter met ons! schreeuwden de Romeinen, buiten
zichzelven van vreugde.
Toen Messala inreed greep de bronzen leeuwenkop aan het einde van zijne
as den voorpoot van het bijdehandsche paard des Atheners, zoodat het
tegen zijnen buurman viel. Beide wankelden, steigerden en versperden
daardoor den weg. De duizenden hielden ontzet den adem in, alleen van de
tribune, waar de consul zat, herhaalde zich het vreugdegejuich.
--Jupiter met ons! riep Drusus zoo hard hij kon.
--Hij wint, hij wint! Jupiter met ons! schreeuwden zijne makkers, toen
zij Messala vooruit zagen schieten.