een rechtvaardige Spruit zal verwekken, die zal koning zijnde regeeren,
en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In
zijne dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen ... hoort gij
wel, meester, als een koning zal hij heerschen! Gelooft gij de
profeten ... Esther, geef mij nu het boek van den profeet Daniël.
Hij deed de rol open en las: Ziet, er kwam één met de wolken des hemels,
als eens menschen zoon, en hem werd gegeven heerschappij, en eere, en
het koninkrijk, dat hem alle volken, natiën en tongen eeren zouden.
Zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal,
en zijn koninkrijk zal niet verdorven worden. Gelooft gij de profeten,
meester?
--'t Is genoeg, riep Ben-Hur. Ik geloof!
--Welnu, als de koning komt, arm en aan alles behoefte hebbende, zal dan
mijn meester hem niet uit zijn overvloed helpen?
--Ja, zeker, tot mijn laatsten penning en tot mijn laatsten ademtocht.
Maar waarom zegt gij, dat hij in armoede zal komen?
--Esther, geef mij de profetie van Zacharia. Luister, meester: Verheug u
zeer, gij dochter Zions, zie, uw Koning komt, rechtvaardig, en hij is
een Heiland; arm en rijdende op eenen ezel, en op een veulen, een jong
der ezelinnen.
Ben-Hur wendde de blik af.
--Wat ziet gij? vraagde Simonides.
--Rome, antwoordde hij somber. Ik zie Rome met hare legioenen. Ik heb
met hen in hunne legerplaatsen verkeerd, ik ken hen!
--O zoo, zeide Simonides. Welnu, gij zult de aanvoerder zijn van de
legioenen des Konings, en uit millioenen kunnen kiezen.
--Millioenen?
--Bekommer u niet over zijne macht, zeide de grijsaard nadenkend. Gij
steldet u zooeven den koning voor, komende tot het zijne in nederigheid.
Gij zaagt hem, om het zoo uit te drukken, aan den éénen kant, en gij
vraagdet: Wat kan hij doen?
--Ja, dat waren mijne gedachten.
--O, meester, ging Simonides voort, gij weet niet hoe sterk ons Israël
is. Gij stelt u ons volk voor als een oud man, weenende bij de rivieren
van Babylon. Maar ga met het volgende Paaschfeest naar Jeruzalem, naar
den tempel, en zie rondom u. De belofte van God aan onzen vader Jakob,
komende van Paddan Aram, was een wet, waaronder ons volk niet heeft
opgehouden zich te vermenigvuldigen, zelfs niet in de ballingschap. Wij
vermeerderden onder den druk der Egyptenaren. Rome's overheersching is
weldadig voor ons geweest. Wij zijn in waarheid tot een volk, tot eene
groote menigte geworden. En dat niet alleen, meester. Om waarlijk de
kracht van Israël te leeren kennen, hetgeen hetzelfde is als te
berekenen wat de koning doen kan, moet gij niet alleen stilstaan bij de
natuurlijke vermenigvuldiging, maar ook de verspreiding van het geloof
in het oog houden, dat zich nu tot over de geheele wereld heeft
verspreid. Voorts, men is gewoon van Jeruzalem te spreken alsof dat
Israël was, en Jeruzalem is toch slechts als een steen van den tempel,
of als het hart in een lichaam. Zie af van de legioenen, hoe sterk zij
ook zijn mogen, en tel de menigte der getrouwen, die op den ouden
alarmkreet wachten: naar uwe tenten, o Israël!... Tel de overgeblevenen
in Perzië, kinderen van hen, die niet mede wilden terugkeeren; tel de
broederen, die de markten van Egypte en Afrika vullen; tel de
Hebreeuwsche kolonisten, die in het Westen handel drijven, in Lodinum en
in de koopsteden van Spanje; tel hen en hunne proselieten in Griekenland
en op de eilanden, in Pontus, en ook hier in Antiochië, en mijnentwege
ook hen, die daar nederliggen in de schaduw der onheilige muren van Rome
zelf. Tel de aanbidders van den Heer onzen God, die hunne tenten hebben
opgeslagen in de woestijnen, hier in onze nabijheid, zoowel als in de
woestijnen van Egypte, en in de streken langs de Kaspische zee, en in de
oude landen van Gog en Magog; voeg er hen bij, die jaarlijks giften
zenden aan den tempel. En als gij ophoudt met tellen, meester, beschouw
dan het heirleger van strijdbare mannen, dat u wacht ... een koninkrijk,
gereedgemaakt voor hem, die recht en gerechtigheid zal uitoefenen op
aarde, zoowel in Rome als in Zion. Dan hebt gij het antwoord op uwe
vraag. Wat Israël doen kan, dat kan de koning doen.
Simonides had met vuur gesproken. Op Ilderim werkte die taal als
bazuingeklank. O, dat ik weder jong was! riep hij en sprong op van zijn
stoel.
Ben-Hur bleef een oogenblik in gedachten verzonken, toen zeide hij:
Toegegeven dat de koning komen zal en dat zijne heerschappij zijn zal
als die van Salomo; onderstelt ook, dat ik bereid ben om mijzelf en al
het mijne aan hem en zijne zaak te wijden; toegegeven zelfs, dat Gods
leidingen met mij, en uw zeldzaam welslagen daarmede in verband
staan--hoe dan verder? Zullen wij bouwen als blinden? Zullen wij wachten
totdat de koning komt? of totdat hij om mij zendt? Gij, die zooveel
ouder zijt en zooveel meer ondervinding hebt, licht mij voor!
Simonides antwoordde: Wij hebben geen keus. Deze brief (hij hief
Messala's brief omhoog) dwingt ons tot handelen. Wij zijn niet sterk
genoeg, om aan de voorgestelde verbintenis tusschen Messala en Gratus
het hoofd te bieden. Daartoe missen wij den noodigen invloed te Rome, en
de vereischte kracht hier. Zij zullen u dooden, als wij afwachten. Zie
mij aan en oordeel over hunne barmhartigheid.
Hij huiverde bij de vreeselijke herinnering. Na zich bedwongen te
hebben, vervolgde hij: Goede meester, hoe sterk zijt gij--in het willen?
Ben-Hur begreep hem niet.
--Ik weet nog zoo goed hoe mij de wereld toelachte, toen ik jong was,
zeide Simonides.
--En toch waart gij in staat om een groot offer te brengen, zeide
Ben-Hur.
--Ja, uit liefde.
--Zijn er niet nog andere, even sterke drijfveeren?
Simonides schudde ontkennend het hoofd.
--Wraak dan?
Dat was de lont in 't kruit. De oogen van den grijsaard flikkerden.
Zijne handen beefden. Hij antwoordde snel: Op wraaknemen heeft de Jood
recht. De wet gebiedt het.
--Zelfs een kameel onthoudt het onrecht, dat hem aangedaan werd, riep
Ilderim opgewonden.
--Er is een werk, zeide Simonides, een werk voor den koning, dat gedaan
moet worden vóór zijne komst. Wij mogen niet in twijfel trekken, dat
Israël zijne rechterhand zal zijn; maar helaas, die rechterhand is een
hand des vredes, ongeoefend in den krijg. Onder al die millioenen is
niet één geoefende kohorte, niet één aanvoerder. De huurlingen der
Herodianen tel ik niet mee, want zij moeten slechts dienen om ons te
onderdrukken. De toestand is juist zooals de Romeinen dien verlangen.
Hunne staatkunde heeft goede vruchten gedragen voor hunne tirannie. Een
ommekeer is echter ophanden. De herder zal zich aangorden tot den
strijd, en zal naar speer en zwaard grijpen. Het weiden der schapen moet
plaats maken voor den kamp tegen leeuwen. De koning, mijn zoon, moet
iemand aan zijne rechterhand hebben. Wie zal dat zijn? wie anders dan
hij die het werk goed verstaat?
Ben-Hurs gelaat gloeide bij dat vooruitzicht. Toen zeide hij: Jawel,
maar verklaar u nader. Een werk te moeten verrichten, en de wijze
waarop, zijn twee verschillende zaken.
Simonides nam een teug wijn en hervatte: De Sheik en gij, meester, zult
de hoofdleiders zijn, ieder met een bepaalde opdracht. Ik blijf hier, om
te zorgen, dat de bron niet opdroogt. Gij gaat naar Jeruzalem, van daar
naar de woestijn, en telt de strijdbare mannen, verdeelt hen in
afdeelingen en kiest hoofdlieden over tien en hoofdmannen over honderd,
oefent de manschappen in den wapenhandel, brengt in geheime bergplaatsen
wapens bijeen. Voor dit doel, ja voor alles, zend ik u telkens het
noodige geld. Gij begint te Perea, gaat vervolgens naar Galilea, vanwaar
gij Jeruzalem gemakkelijk bereiken kunt. In Perea hebt gij de woestijn
achter u liggen, en Ilderim vlak bij u. Hij bewaakt de heirwegen, zoodat
niets geschiedt zonder uwe voorkennis. Hij zal u op velerlei wijze van
dienst zijn. Tot op het oogenblik van handelen zal niemand weten wat
hier besproken is. Ik werk achter de schermen. Met Ilderim heb ik de
zaak reeds besproken. Wat is uw antwoord?
Ben-Hur zag den Sheik aan.
--'t Is zooals hij zegt, zoon van Hur, antwoordde de Arabier. Ik heb
mijn woord gegeven en daarmede is hij tevreden; maar ik zal mijzelven
met al de strijdbare mannen van mijnen stam onder eede aan u verbinden.
Simonides, Ilderim en Esther zagen Ben-Hur in gespannen verwachting aan.
Op droevigen toon begon hij: Voor iedereen staat een vreugdebeker
geschonken, dien hij vroeger of later aan de lippen zet--voor iedereen,
behalve voor mij. Ik zie, Simonides, en edelmoedigen Sheik, ik zie
waarheen dat voorstel leidt. Neem ik het aan en volg ik dien weg, dan
zeg ik den vrede vaarwel met alle hoopvolle verwachtingen, die zich
daaraan vastknoopen. Ga ik die geopende deur binnen, dan sluiten de
poorten van het rustige leven zich voor altijd achter mij, want Rome
bewaakt ze. Ik ben vogelvrij verklaard. Men zal mij overal vervolgen.
In de graven nabij de steden, in de eenzame spelonken zal ik moeten
wonen, zal ik mijn brood eten en mijn hoofd nederleggen.
Een gesmoord snikken onderbrak zijn woorden. Allen zagen Esther aan, die
haar gelaat in de handen verborg.
--Arm kind, zeide haar vader deelnemend; maar hij kon niet meer zeggen,
want ook zijne stem beefde.
--Dat doet mij goed, Simonides, zeide de jonkman. Men draagt een hard
lot beter, als men weet, dat iemand mede lijdt. Laat mij voortgaan.... Ik
wilde zeggen, dat ik geen andere keus heb, dan het werk te aanvaarden,
dat gij mij aanwijst; en daar een roemlooze dood mij wacht als ik hier
blijf, zoo zal ik terstond aan het werk gaan.
--Zullen wij onze overeenkomst op schrift brengen? vraagde Simonides als
man van zaken.
--Uw woord is mij voldoende, antwoordde Ben-Hur.
--En mij ook, zeide Ilderim.
Op deze eenvoudige wijze werd het verbond gesloten, dat een volslagen
ommekeer zou brengen in Ben-Hurs leven. Hij voegde er dus onmiddellijk
bij: Zoo zij het dan!
--Moge de God van Abraham onze hulp zijn! riep Simonides vurig.
--En nu nog iets, mijne vrienden, zeide Ben-Hur op vroolijker toon,
met uw goedvinden zal ik mij vrij houden tot na de feesten.
Hoogstwaarschijnlijk zal Messala geen plannen tegen mij smeden, voordat
hij antwoord heeft ontvangen van den procurator. Dat kan hij op zijn
vroegst hebben zeven dagen na de verzending van den brief: Hem in den
circus te ontmoeten is een genoegen, dat ik voor niets ter wereld zou
willen missen.
Ilderim stemde dadelijk toe en Simonides zeide: Heel goed, want dat
oponthoud zal mij tijd geven om u een dienst te bewijzen. Ik hoorde u
spreken over uwe erfenis van den edelen Arrius. Bestaat die in roerende
of onroerende goederen?
--Een villa bij Misenum en huizen in Rome.
--Dan stel ik u voor die bezittingen te verkoopen en de gelden veilig
te beleggen. Geef mij opgave en volmacht, dan zal ik terstond een
zaakgelastigde afzenden. Wij zullen ditmaal ten minste de keizerlijke
roovers vóór zijn.
--Morgen zult gij opgaaf en volmacht hebben.
--Dan is ons werk voor hedenavond afgeloopen, zeide Simonides, en
Ilderim voegde er bij: En goed ook!
--Geef ons nu wat te eten, Esther, zeide haar vader. Sheik Ilderim zal
ons het genoegen doen van tot morgen bij ons te blijven. En gij, meester?
--Laat de paarden voorkomen, zeide Ben-Hur. Ik keer naar het Palmbosch
terug. Als ik nu ga zal mijn vijand er niets van merken, en uwe Arabieren,
Sheik, zullen blij zijn als zij mij terugzien.
Bij het aanbreken van den dageraad stapten Ben-Hur en Malluch voor de
deur der tent af.
* * * * *
NEGENDE HOOFDSTUK.
BEN-HURS BESLUIT.
Den volgenden avond stond Ben-Hur met Esther op het terras van het
groote pakhuis. Op de aanlegplaats beneden hen heerschte groote drukte
met opladen van balen en kisten. Tal van sjouwers liepen af en aan, die
bij het licht der flikkerende toortsen aan de dienende geesten uit
phantastische sprookjes deden denken. Een galei werd geladen om binnen
weinige oogenblikken te vertrekken. Simonides was nog op zijn kantoor,
waar hij den bevelhebber de laatste bevelen gaf, om zonder oponthoud
naar Ostia, de zeehaven van Rome, te zeilen, daar een passagier af te
zetten, en dan bedaarder op de Spaansche stad Valencia aan te houden.
Die passagier is de agent, die het landgoed en de huizen van Arrius zal
verkoopen. Als de ankers gelicht zijn en de galei zee heeft gekozen, zal
Ben-Hur onherroepelijk gebonden zijn aan het werk, dat hij den vorigen
avond aanvaardde. Nog kan terugtreden, indien hij spijt gevoelt over de
afspraak. Hij is de meester, en heeft slechts te spreken.
Misschien doorkruiste een dergelijke gedachte zijn hoofd, toen hij daar
met de armen over elkander het drukke tooneel gadesloeg. Jong, schoon,
rijk, nog kort geleden verkeerende in de beste kringen van Rome, zou het
niet te verwonderen geweest zijn, zoo hij weinig lust gevoelde om zich
te begeven op de doornige paden, waar plicht of eerzucht hem mochten
roepen, en waar zoovele gevaren dreigden. Wij kunnen ons zelfs
voorstellen welke beweegredenen zich aan hem opdrongen: het onvruchtbare
van tegen den Keizer te strijden, de onzekerheid die alles wat den
Koning en zijne komst betrof omgaf, het gemak, de eer, de hooge staat,
die hem toelachten, en het sterkst van alles het heerlijke gevoel van
een tehuis gevonden te hebben, met vrienden om het leven aangenaam te
maken.
Slechts zij, die langen tijd eenzaam rondgedoold hebben, kunnen de
kracht van dit laatste begrijpen. Zonder het te bedoelen kwam Esther
deze aanvechtingen versterken.
--Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde hij haar.
--Neen, luidde het antwoord.
--Zoudt gij er niet eens heen willen?
--Neen, liever niet.
--Waarom niet?
--Ik ben bang voor Rome.
Hij zag haar oplettend aan. In het schemerlicht kon hij haar gelaat niet
goed onderscheiden; maar zij herinnerde hem Tirza. Plotseling beving hem
een gevoel van teederheid. Op dien vreeselijke morgen had zijne arme
zuster juist zoo naast hem gestaan. Ach, waar was zij? Ja, Esther deed
hem aan Tirza denken, en hoe zou hij haar dan als zijn lijfeigene kunnen
beschouwen?
--Ik kan niet aan Rome denken, vervolgde zij, als aan een stad van
paleizen en tempels, vol met vroolijke menschen. Zij is voor mij een
monster, dat zich meester heeft gemaakt van een schoon land en de
inwoners met dood en verderf bedreigt, een monster, dat niet te
overwinnen is, een verscheurend dier, dat zich met bloed voedt.
Waarom ... zij aarzelde en zweeg.
--Ga voort, zeide Ben-Hur vriendelijk.
--Waarom, vraagde zij, wilt gij Rome tot uwe vijandin maken? Waarom niet
liever vrede gesloten en rust hebben? Gij hebt veel verdriet gehad en
alles verdragen. Gij zijt aan de hinderlagen, u door uwe vijanden
gelegd, gelukkig ontkomen. Uw jeugd is door smart en leed verduisterd;
waarom zoudt gij er uw verdere levensdagen door laten vergiftigen?
Haar stem klonk overredend. Hij ontroerde en vraagde: Wat woudt gij dan,
dat ik deed?
Zij antwoordde met een wedervraag: Is uw villa bij Misenum heel mooi?
--O ja. Het is een paleis te midden van fraaie tuinen, met fonteinen en
beelden in schaduwrijke lanen; heuvels bedekt met wijngaarden, en zoo
hoog gelegen dat men een heerlijk uitzicht heeft op Napels en den
Vesuvius en de blauwe zee. De Keizer heeft niet ver vandaar ook een
villa; maar algemeen word gezegd, dat de villa van Arrius de mooiste is.
--En is het leven daar rustig?
--Als er geen bezoekers kwamen heerschten er rust en stilte. Nu mijn
weldoener gestorven is en ik hier ben wordt de stilte door niets
gebroken, dan door het gefluister der bedienden of het tjilpen der
vogels, of het ruischen der fonteinen. Bloemen verwelken en nieuwe
bloemen ontluiken, het zonlicht maakt plaats voor de schaduwen van den
nacht, dat is de eenige afwisseling. Dat leven, Esther, was voor mij te
stil. Het maakte mij rusteloos, door mij altijd levendig te doen
gevoelen, dat ik, die zooveel te doen heb, langzamerhand lui werd, en
mij liet binden door zijden koorden, en aan het einde van mijn leven
niets zou hebben om op terug te zien. Maar waarom vraagdet gij dat?
--Goede meester....
--Neen, Esther, dat niet. Noem mij vriend, of broeder, als ge wilt. Ik
ben uw meester niet, en wil het niet zijn. Noem mij broeder.
De duisternis belette hem den blos van vreugde op haar gelaat en de
glans in hare oogen te zien. Na een oogenblik vervolgde zij: Ik kan niet
begrijpen, dat gij de voorkeur geeft aan een leven van--van--
--Geweld, en misschien van bloedvergieten, zeide hij, den zin voltooiend.
--Ja, antwoordde zij, in plaats van het rustige leven op de schoone
villa.
--Esther, gij vergist u. Van voorkeur geven is geen sprake. De Romein
is niet zoo vriendelijk. Ik ga uit nooddwang. Hier blijven wil zeggen
sterven. En ga ik naar Misenum, dan is het einde hetzelfde: een
vergiftigde drank, de dolk van een sluipmoordenaar, of een door een
meineed verkregen vonnis. Messala en de procurator Gratus hebben zich
verrijkt met mijn vaders bezittingen. Het geroofde te behouden is voor
hen van het grootste belang. Een vreedzame schikking is ondenkbaar,
omdat zij een bekentenis zou insluiten. En dan--ach Esther, al was dat
ook mogelijk, ik geloof niet, dat ik er in zou bewilligen. Voor mij geen
vrede, neen, zelfs niet in de koele boschjes der lieve oude villa. Voor
mij geen vrede, zoolang mijne moeder en zuster niet gevonden zijn. En
als ik haar vind, moet ik dan het haar aangedane leed niet wreken? Zoo
zij door geweld zijn omgebracht, moeten dan de moordenaars niet gestraft
worden? Ja, want zij zouden mij in mijne droomen vervolgen. Zelfs de
heiligste liefde met al hare vindingrijkheid zou mijn geweten niet in
slaap kunnen wiegen.
--Is het zoo erg? vraagde zij bevend. Kan niets daartegen gedaan worden?
Ben-Hur nam hare hand in de zijne: Houdt gij zooveel van mij?
--Ja, antwoordde zij eenvoudig.
Op eenmaal dacht hij aan de Egyptische, zoo geheel anders dan Esther,
zoo uitdagend, zoo geestig, zoo schoon, zoo betooverend. Hij bracht het
handje naar zijne lippen en liet het toen weder los.
--Gij zult eene tweede Tirza voor mij zijn, Esther.
--Wie is Tirza?
--Het zusje, dat de Romein mij ontstal, en dat ik zoeken en vinden moet,
vóórdat ik aan rust of geluk kan denken.
Op dat oogenblik viel een lichtstraal schuin over het terras. Zich
omkeerende zagen zij, dat een bediende Simonides in zijn rolstoel naar
buiten bracht. Zij voegden zich bij hem, en lieten het spreken
grootendeels aan hem over.
Intusschen lichtte de galei het anker en zette onder het gejubel van
vroolijke matrozen koers naar de zee. De teerling was geworpen. Ben-Hur
had zich verbonden aan de zaak van den koning, die te komen stond.
* * * * *
TIENDE HOOFDSTUK.
HET PROGRAMMA.
Daags voor de spelen werden Ilderims paarden en wagens naar de stad
gebracht en dicht bij den circus gestald. Maar daar bleef het niet bij.
De tenten werden afgebroken, paarden en kameelen gezadeld en bepakt, en
toen verliet de gansche karavaan, het vee voor zich uitdrijvende, het
schaduwrijke plekje in het Palmbosch. Werd Ilderim, zooals hij vermoedde,
bespied, wat nood? Weldra zou alles, wat hij aan waarde met zich had
genomen, op weg naar de woestijn zijn, buiten bereik van wien ook.
Noch hij noch Ben-Hur overschatten den invloed van Messala. Zij waren
van oordeel, dat hij eerst na afloop van den wedren tegen hen zou
optreden. Delfde hij het onderspit, en wel door toedoen van Ben-Hur, dan
konden zij zich op het ergste voorbereiden. Waarschijnlijk zou hij dan
niet eens den raad van Gratus afwachten.
Met het oog hierop hadden zij hunne plannen gemaakt, en alles voorbereid
tot een overhaast vertrek.
Welgemoed reden zij naast elkander voort, vol vertrouwen op den dag van
morgen. Onderweg kwamen zij Malluch tegen. De brave man verraadde door
woord noch blik, dat hij de verhouding van den jongen man tot Simonides
kende of van hun verbond kennis droeg. Hij groette als naar gewoonte, en
reikte den Sheik een papier over, zeggende: Hier heb ik het programma
van de spelen. Het is zooeven uitgekomen. Gij zult uwe paarden
aangekondigd zien voor den wedren, ook de volgorde van de
vermakelijkheden.
Terwijl de Sheik het papier inzag, zeide Malluch tot Ben-Hur: Ik wensch
u geluk, zoon van Arrius. Morgen zult ge met Messala in het strijdperk
treden. Aan alle verplichtingen is voldaan. De ondernemer heeft het mij
zelf gezegd.
--Heb dank, Malluch, zeide Ben-Hur.
--Uwe kleur is wit, vervolgde de ander. Die van Messala rood en goud.
Het is reeds overal bekend, want de jongens op straat bieden al lintjes
en strikjes te koop aan. Morgen zal iedere Arabier en iedere Jood met
wit versierd zijn. In den circus zult gij zien dat wit en rood met goud,
gelijkelijk op de galerijen gedragen worden.
--Op de galerijen, ja--maar niet op de tribune tegenover de Porta
Pompae.
--Neen, daar zal rood met goud overheerschend zijn. Maar als wij
winnen,--Malluch lachte smakelijk bij die gedachte,--hoe zullen die
heertjes dan sidderen. Zij gaan natuurlijk aan 't wedden. In hunne
minachting voor alles wat niet Romeinsch is zullen zij twee, drie, vijf
zetten tegen een op Messala. Het past eigenlijk niet voor een Jood van
goeden naam zijn geld er aan te wagen; maar ik wil u in vertrouwen
zeggen, dat ik een vriend achter den zetel van den consul plaatsen zal,
om weddenschappen aan te nemen van drie, vijf, of tien tegen een, hoe
hoog zij ook in hunne verdwaasdheid mochten willen gaan. Ik heb hem tot
dat doel een wissel van 6000 sikkel gegeven.
--Neen, Malluch, een Romein wedt alleen met Romeinsch geld. Zoek uw
vriend nog van avond op en stel zooveel sestertiën tot zijne
beschikking, als gij noodig oordeelt. En, Malluch, zeg hem vooral dat
hij weddenschappen moet zien aan te gaan met Messala en diens vrienden,
Ilderims vierspan tegen dat van Messala.
Malluch dacht even na.
--Dat zal de aandacht van allen op u vestigen.
--Dat is juist wat ik verlang.
--Ik begrijp het, jawel!
--Als gij mij een genoegen wilt doen, Malluch, tracht dan het publiek
opmerkzaam te maken op den wedstrijd tusschen Messala en mij.
--Daar zie ik wel kans toe, antwoordde Malluch. Ik zal buitengewoon
hooge sommen inzetten. Worden zij aangenomen, zooveel te beter.
Malluch zag Ben-Hur onderzoekend aan, terwijl deze half tot zichzelven
zeide: Zou ik mij niet schadeloos stellen voor den aan mij gepleegden
roof? Zulk een gelegenheid komt misschien nooit meer terug. En als ik
niet alleen zijn trots fnuikte, maar hem daarenboven geheel te gronde
kon richten, dan ...! Onze vader Jakob zou daar niets tegen kunnen
hebben. Ja, het moet. Luister, Malluch. Bepaal u niet tot sestertiën.
Jaag hen op tot talenten. Als zij durven vijf, tien, twintig talenten,
desnoods vijftig, als gij met Messala zelf kunt laten wedden.
--Dat zijn verbazende sommen. Dan zou ik borg moeten kunnen stellen.
--Goed. Ga naar Simonides en vraag hem die zaak voor mij in orde te
brengen. Zeg hem, dat ik er mijn hart op gezet heb mijn vijand te
vernietigen, en dat zich nooit betere gelegenheid kan voordoen. De God
onzer vaderen zij met ons! Ga, beste Malluch. Laat de gelegenheid u niet
ontsnappen.
Vol vuur wilde Malluch zich verwijderen, maar bedacht zich intijds en
zeide: Nog iets, heer. Ik kon niet dicht genoeg bij Messala's wagen
komen, daarom heeft iemand anders de maat voor mij genomen. Hij zeide,
dat de as een handbreed hooger van den grond was dan de uwe.
--Een handbreed! Zooveel? riep de jonkman vroolijk en fluisterde toen
Malluch in het oor: Daar gij een zoon van Juda zijt en trouw voor uwen
stamgenoot, moet gij zorgen, dat gij een plaats krijgt vooraan op de
galerij tegenover den triomfboog. Let dan maar goed op telkens als wij
daar den draai maken. Let goed op, want als het geluk mij dient zal
ik ... maar neen, ik zeg verder niets. Zorg maar dat gij daar komt te
zitten.
Op dat oogenblik uitte Ilderim een kreet van verbazing.
--Ha! Wat is dat! Lees! riep hij tot Ben-Hur.