Maar ter zake. Tot straf van den aanslag op uw leven--mogen ter

wille van onze gewetensrust alle goden verhoeden, dat het ooit

blijkt een ongeluk geweest te zijn!--tot straf dan werd het geheele

gezin in hechtenis genomen, werden korte metten met hen gemaakt, en

hunne bezittingen verbeurd verklaard. En daar deze strafdoening

onder goedkeuring van onzen keizer geschiedde, die even rechtvaardig

was als wijs,--mogen zijne altaren altijd met bloemen versierd zijn!

--behoeven wij ons niet te schamen over de sommen, die ons uit die

bron toevloeiden, iets, waarvoor ik u nooit dankbaar genoeg zijn kan,

gewis niet zoolang ik in het vrije bezit blijf van het aandeel, dat

mij werd toegewezen.

Voorts herinner ik u de wijze maatregelen, die gij genomen hebt om

ons doel te bereiken: het stilzwijgen, en een zekeren maar

natuurlijken dood van de betrokken personen.

Gij zult u herinneren welke straf gij de moeder en de zuster van

den booswicht hebt opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek

van u te mogen vernemen, of zij nog leven, dan wel of zij gestorven

zijn, ben ik te zeer van uwe welwilligheid overtuigd, mijn Gratus,

om aan de toezending van een antwoord uwerzijds te twijfelen.

Als meer onmiddellijk in verband staande met de zaak, die mij

bezighoudt, neem ik intusschen de vrijheid u te herinneren, dat de

misdadiger zelf levenslang tot de galeien werd veroordeeld; zoo

luidde het bevel. Met eigen oogen las ik het ontvangbewijs van zijn

lichaam, geteekend door den bevelhebber van de galei, die hem

opnam.

Schenk mij nu uw onverdeelde aandacht, voortreffelijke Gratus!

Den gewonnen levensduur van een tot de galeien veroordeelde in

aanmerking genomen, moest de rechtvaardig gestrafte op zijn minst

reeds vijf jaren dood zijn, of beter gezegd, moest een van de

drieduizend Oceaniden hem tot echtgenoot genomen hebben. En als gij

een oogenblik zwakheid door de vingers wilt zien, o deugdzaamste

der menschen, daar ik hem in zijne jeugd beminde en daar hij schoon

van aangezicht was (ik had de gewoonte hem mijn Ganymedes te

noemen), had hij eigenlijk de allerschoonste dochter van die

uitgebreide familie in de armen moeten vallen.

In de meening verkeerende dat hij dood was, heb ik volle acht jaren

ongestoord genoten van het fortuin, dat ik hem in zeker opzicht te

danken heb. Ik erken dat, zonder daarmee evenwel mijne verplichting

jegens u te willen verkleinen.

Maar hoor nu verder. Toen ik gisteravond een feest leidde van

eenige jongelieden, pas van Rome gekomen, vernam ik een zonderlinge

geschiedenis. Maxentius, de consul, wordt, zooals gij weet, vandaag

hier verwacht, om een veldtocht tegen de Parthen te openen. Onder

de eerzuchtigen, die hem wenschen te vergezellen, bevindt zich een

zoon van den overleden duumvir Quintus Arrius. Ik had aanleiding om

nauwkeurig onderzoek naar hem te doen. Toen Arrius uittoog om de

zeerovers te tuchtigen, wier vernietiging hem in hoog aanzien

bracht, had hij geen familie. Toen hij van dien tocht terugkeerde,

bracht hij een erfgenaam met zich mede. Blijf nu bedaard, gelijk

den eigenaar betaamt van zoovele talenten zilvers in gangbare

munt ... de zoon en erfgenaam van wien ik spreek is hij, dien gij

naar de galeien zondt. Dezelfde Ben-Hur, die reeds lang geleden op

de roeiersbank had moeten bezwijken, keerde terug als een man van

fortuin, aanzien, misschien zelfs als Romeinsch burger, om zich

te ... ziet ge, gij zit te vast om bezorgd te moeten zijn; maar ik,

mijn Gratus, ik ben in gevaar ... onnoodig u te zeggen van wat. Wie

zou het weten, als gij het niet weet?

Zegt gij tot dit alles: o-ho?

Toen Arrius, de vader, met de zeerovers slaags raakte, zonk zijn

schip. Van de geheele bemanning ontkwamen slechts twee: Arrius

zelf, en de bovengenoemde, zijn erfgenaam. Hunne redders

verklaarden, dat de jeugdige metgezel van den tribuun het kostuum

van een galeislaaf droeg.

Mij dunkt dit is overtuigend; maar opdat gij niet weder o-ho! zoudt

zeggen, deel ik u mede, dat ik gisteren toevallig den geheimzinnigen

zoon van Arrius van aangezicht tot aangezicht gezien heb, en ik

verklaar u bij dezen, dat, hoewel ik hem eerst niet herkende, hij

dezelfde Ben-Hur is, die jaren geleden mijn speelmakker was,

dezelfden Ben-Hur, die, als hij een mannenhart in de borst heeft,

in ditzelfde uur op wraak zint, (dat zou ik in zijne plaats ook

doen) wraak, die met niets minder dan het leven genoegen neemt;

wraak voor zijn vaderland, moeder, zuster, zichzelf en--ik noem 't

het laatst, ofschoon gij wellicht zoudt meenen, dat het 't eerst

moest genoemd worden--voor zijn verloren fortuin.

En nu, mijn weldoener en vriend! mijn Gratus, in aanmerking

nemende, dat uwe sestertiën in gevaar verkeeren, wier verlies het

ergste is wat iemand van uwen hoogen staat kan overkomen, geloof

ik, dat gij niet langer o-ho! zult zeggen, maar ernstig zult gaan

overleggen hoe wij hierin hebben te handelen. Ik stel mij, dat

spreekt vanzelf, onder uwe bescherming en wacht uwe aanwijzingen.

Ik verlustig mij, als ik mij voorstel, hoe gij dezen brief zult

ontvangen. Ik zie hoe gij hem eerst met een zeer ernstig gelaat,

dan glimlachende, doorloopt, om ten slotte zonder aarzelen kort en

bondig uw oordeel uit te spreken.

Het is nog vroeg in den morgen. Over een uur zend ik twee boden

uit, ieder met een verzegeld afschrift van dezen brief. Een zal

over land gaan, de ander over zee. Zoo belangerijk acht ik het, dat

gij zoo spoedig mogelijk onderricht zoudt zijn aangaande de

verschijning van onzen vijand in dit gedeelte der Romeinsche

wereld.

Ik zal uw antwoord afwachten.

Ben-Hurs gaan en komen zal natuurlijk afhangen van zijn meester,

den consul, die, al spant hij zich nog zoo in, niet binnen de maand

gereed zal komen. Gij weet wat het zeggen wil een leger te

verzamelen en uit te rusten, dat werkdadig op moet treden in een

onherbergzaam, woest oord.

Gisteren zag ik den Jood in het Park van Daphne, en als hij daar op

het oogenblik niet is, dan is hij toch zeker in de buurt, om mij

gemakkelijk te maken hem in 't oog te houden. Ja, indien gij mij

vraagdet: Waar denkt gij dat hij is? dan zou ik met volle

overtuiging zeggen: hij is in het Palmbosch, in de tent van Sheik

Ilderim, den verrader, die ons niet veel langer moet mogen

trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien Maxentius als

eerste krijgsoperatie den Arabier inscheept naar Rome.

Ik treed zoo in bijzonderheden omtrent de verblijfplaats van den

Jood, omdat het u, verheven man, van nut kan zijn bij het nemen van

een besluit ten zijnen opzichte. Zooveel weet ik toch wel, dat bij

ieder plan drie gewichtige zaken in het oog moeten gehouden worden:

tijd, plaats en middelen.

Indien gij oordeelt, dat hier de plaats is, aarzel dan niet de zaak

toe te vertrouwen aan uwen hartelijk liefhebbenden vriend, die uw

bekwaamste leerling zou wenschen te zijn. Vaarwel!

XII. Kal. Jul. Antiochië.

* * * * *

TWEEDE HOOFDSTUK.

VOORBEREIDING.

Ongeveer op hetzelfde oogenblik, dat de koeriers met de brieven

Messala's woning verlieten, trad Ben-Hur Ilderims tent binnen. Hij had

een bad genomen in het meer, vervolgens ontbeten, en verscheen nu in een

korte Romeinsche tunica zonder mouwen.

De Sheik groette hem van den divan.

--Vrede zij u, zoon van Arrius, zeide hij, terwijl zijn oog met

bewondering op den jongeling rustte, die in het volle bewustzijn van

kracht en macht voor hem stond. De paarden zijn gereed. Ik ben gereed.

En gij?

--Den vrede, dien gij mij toewenscht, bid ik u wederkeerig toe, goede

Sheik. Ik dank u voor zooveel welwillendheid. Ik ben gereed.

Ilderim klapte in zijn handen.

--Ik zal de paarden hier laten komen. Zet u neder.

--Zijn zij reeds opgetuigd?

--Neen.

--Vergun mij dan, Sheik, dat ik het zelf doe. Het is noodig, dat ik

kennis maak met uwe Arabieren. Ik moet ze bij name kennen, zoodat ik

tegen ieder in 't bijzonder spreken kan. Ook moet ik hun aard leeren

kennen, daar het met hen is als met de menschen: zijn zij overmoedig,

niets beter dan een bestraffing; zijn zij schuchter, niets beter dan lof

en aanmoediging. Laat de dienaren mij het tuig brengen.

--En den wagen? vraagde de Sheik.

--Vandaag niet. Geef mij liever een vijfde paard. Het moet even vlug

zijn als de andere.

Ilderim keek hem verwonderd aan; maar zonder opheldering te vragen riep

hij een der slaven.

--Laat hen het tuig voor de vier brengen, en den teugel voor Sirius,

beval hij.

Toen stond de Sheik op en zeide tot Ben-Hur: Sirius is mijn lieveling en

ik ben de zijne, zoon van Arrius. Sedert twintig jaren zijn wij kameraden

--in de tent, in den strijd, op alle pleisterplaatsen der woestijn. Ik zal

hem u laten zien.

Hij ging naar het gordijn, schoof het weg, en liet Ben-Hur binnentreden.

De paarden kwamen gezamelijk tot hem. Een van hen, met een kleinen kop,

levendige oogen, sierlijk gewelfden nek, breede borst, manen als

vrouwenlokken zoo zacht en golvend, hinnikte vroolijk, zoodra hij

Ilderim zag.

--Goed dier, zeide de Sheik, den donkerbruinen kop streelend. Goed dier,

goeden morgen!--en zich daarop tot Ben-Hur keerende, voegde hij er bij:

Dat is Sirius, de vader van de vier anderen. Mira, de moeder, wacht op

onze terugkomst, daar zij te kostbaar is om aan de gevaren der reis te

worden blootgesteld. Daarenboven betwijfel ik zeer, zoon van Arrius, of

de stam hare afwezigheid zou kunnen verdragen. Zij is hun trots. Zij

vereeren haar. Indien zij over hunne lichamen wilde galoppeeren zouden

zij lachen. Tienduizend ruiters, zonen der woestijn, zullen vandaag

vragen: Hebt gij ook iets van Mira gehoord? en op het antwoord: Zij is

welvarend, zullen zij zeggen: God is goed! God zij geloofd!

--Mira, Sirius, namen van sterren, is het zoo niet, Sheik? vraagde

Ben-Hur, terwijl hij eerst de vier en toen den vader liefkoosde.

--En waarom niet? antwoordde Ilderim. Hebt gij wel eens een nacht in de

woestijn onder den blooten hemel doorgebracht?

--Neen.

--Dan kunt gij ook niet beseffen hoe wij, Arabieren, van de sterren

afhankelijk zijn. Uit dankbaarheid geven wij hare namen aan onze

lievelingspaarden. Al mijne voorvaderen hadden hunne Mira's, zooals ik

de mijne heb. Deze kinderen doen eveneens aan sterren denken. Die daar

is Rigel, en deze is Antares; ginds is Atair, en die, waar gij juist

naar toe gaat, is Aldebaran, de jongste van de kroost; maar wie ooit het

onderspit mocht delven, niet hij! Tegen den wind in zou hij u dragen,

totdat gij duizelt. Hij zal gaan waar gij dat verlangt, zoon van Arrius,

ja, bij de heerlijkheid van Salomo! indien gij het zoudt durven bestaan,

hij zou u brengen tot in de kaken van den leeuw.

Het tuig werd gebracht. Met eigen hand legde Ben-Hur den paarden het

gebit in den mond. Met eigen hand leidde hij hen buiten de tent, en

ordende de teugels.

--Breng mij Sirius, zeide hij.

Met één sprong zat hij op den rug van het paard. Een Arabier zou hem dat

niet hebben kunnen verbeteren.

--En de teugels!

Men gaf ze hem.

--Goede Sheik, zeide hij, ik ben gereed. Laat een gids voor mij uit

gaan, om mij het veld te wijzen, en zend eenige mannen met water.

Het afrijden geschiedde zonder eenige moeite. De paarden waren niet

schrikachtig. Het scheen alsof een stilzwijgende overeenkomst bestond

tusschen hen en den nieuwen menner, die met de grootste kalmte en

zekerheid optrad.

Hij hield zich geheel aan de gewone orde bij het rijden, behalve dat hij

Sirius bereed, in plaats van in een wagen te staan. Ilderim glimlachte

met voldoening en zeide zacht: Dat is geen Romein, neen, waarlijk niet!

Hij volgde te voet. Al de tentbewoners sloten zich bij hem aan, mannen,

vrouwen, kinderen, allen met de grootste belangstelling vervuld voor de

dingen, die komen zouden.

Het veld bleek ten volle voor de dressuur geschikt te zijn. Ben-Hur liet

het vierspan eerst langzaam en in rechte lijnen rijden, daarna in steeds

wijder wordende cirkels. Vervolgens liet hij hen in draf loopen, daarna

in galop. Eindelijk maakte hij de cirkels kleiner en kleiner, en tot

besluit liet hij zijn gespan op de meest willekeurige wijze draven, nu

hier, dan daar, rechts, links, voorwaarts, zonder een oogenblik

oponthoud. Zoo ging een uur voorbij. Toen reed hij stapvoets naar

Ilderim.

--Het is afgeloopen; nu niets dan geregelde oefening, zeide hij. Ik

wensch u geluk, Sheik Ilderim, dat gij zulke dienaren hebt. Zie,

vervolgde hij, terwijl hij afsteeg en op de paarden wees, zie, hun huid

is nog even glanzig, hun adem even licht, als toen ik begon. Ik wensch u

van harte geluk! Er zou heel wat moeten gebeuren, indien wij niet de

overwinning behalen en onze....

Hij hield op, bloosde, boog. Zijn oog had Balthasar ontdekt, die met

twee dicht gesluierde vrouwen in de nabijheid stond. Eene van die meende

hij te herkennen ... ja, dacht hij, zij is het, de Egyptische!

Ilderim vervolgde den afgebroken volzin. De overwinning en onze wraak!

Zoon van Arrius, ik ben niet langer bevreesd. Ik ben blijde. Gij zijt de

man. Zij het einde gelijk het begin, en gij zult ervaren wat in de hand

eens Arabiers verborgen is, die de middelen bezit om te beloonen.

--Ik dank u, goede Sheik, hernam Ben-Hur op bescheiden toon. Laat nu de

bedienden water brengen voor de paarden.

Met eigen hand liet hij ze drinken. Toen gesteeg hij Sirius weder en

zette de oefening voort; evenals te voren van stappen tot draven, van

draven tot galoppeeren overgaande, om hen eindelijk met lossen teugel in

vollen ren over het veld te laten vliegen.

Het was voor de toeschouwers een waar genot. Luide toejuichingen vielen

den kundigen menner ten deel, die zijn vierspan tot zoo volmaakte

eenheid wist te brengen, zonder dat het de dieren eenige inspanning

scheen te kosten.

Midden onder de oefeningen verscheen Malluch op het tooneel. Hij zocht

den Sheik. Ik heb een boodschap voor u, Sheik, zeide hij, gebruik

makende van een rustig oogenblik, een boodschap van Simonides, den

koopman.

--Simonides, riep de Arabier. Ah! 't is wel. Moge Abaddon al zijne

vijanden vernietigen!

--Hij droeg mij op u dezen brief te geven, met het verzoek hem dadelijk

te lezen.

Ilderim verbrak het zegel van het pakje, dat Malluch hem overhandigde,

en nam twee brieven uit een omslag van fijn linnen.

No. 1.

SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL!

Mijn vriend! Wees vóór alle dingen verzekerd, dat gij eene plaats

in het binnenste mijns harten inneemt.

Vervolgens: In uw dowar bevindt zich een jongmensch met een zeer

gunstig voorkomen, die zich de zoon van Arrius noemt. Dat is hij

door aanneming. Hij is mij zeer lief. Hij heeft een veelbewogen

leven achter zich, waaruit ik u enkele bijzonderheden zal

meedeelen. Kom morgen of overmorgen, opdat ik u die geschiedenis

vertelle, en uwen raad inwinne.

Willig intusschen al zijne verzoeken in voor zoover zij niet

strijden tegen de eer. Moeten er onkosten gemaakt worden, ik sta

voor alles in. Verzwijg, dat ik in den jongeling belang stel.

Breng mij in herinnering bij uwen anderen gast. Hij, zijne dochter,

gijzelf en allen, die gij in uw gevolg wenscht mede te brengen,

zullen mijne gasten zijn op den dag der wedrennen. Ik heb reeds

plaatsen besproken.

U en al den uwen vrede!

Hoe zou ik mij anders kunnen noemen, mijn vriend, dan uw vriend?

No. 2.

SIMONIDES AAN SHEIK ILDERIM HEIL!

Mijn vriend! uit mijne rijke ervaring zend ik u een waarschuwend

woord.

Er is iets dat allen, die niet Romeinen zijn en die geld en goed

bezitten, als waarschuwing beschouwen, dat is: De komst met

volmacht van den eenen of anderen hooggeplaatsten Romein.

Heden komt de consul Maxentius. Wees gewaarschuwd.

Een woord van raad.

Zal een samenzwering tegen u gelukken, dan moeten de Herodianen van

de partij zijn. Gij hebt groote bezittingen op hun grondgebied.

Daarom, wees op uwe hoede.

Zend hedenmorgen een boodschap aan uw getrouwe wachters langs de

wegen, die van Antiochië naar het zuiden voeren, en beveel hun

iederen gaanden en komenden koerier te onderzoeken. Vinden zij

vertrouwelijke mededeelingen aangaande u of uwe zaken, dat zij ze u

dan ter inzage zenden.

Gij moest dit reeds gisteren ontvangen hebben, maar het is nog niet

te laat, indien gij onmiddellijk handelt. Al hebben heden morgen

koeriers Antiochië verlaten, uwe boodschappers kennen de bijwegen,

en kunnen hen vóór zijn. Aarzel niet. Verbrand dit na lezing.

Ilderim las en herlas de brieven, bergde ze weder in den linnen omslag

en stak het pak tusschen zijn gordel.

De oefeningen in het veld waren bijna beëindigd. Zij hadden in 't geheel

ongeveer twee uren geduurd. Na den afloop reed Ben-Hur stapvoets naar de

plek, waar Ilderim zich bevond.

--Als gij het goedvindt, Sheik, zeide hij, zal ik uwe Arabieren naar de

tent terugbrengen, en dezen middag weer met hen rijden.

--Gij moogt tot na de wedrennen naar welgevallen over hen beschikken,

zoon van Arrius. Gij hebt in twee uren meer van hen gedaan gekregen, dan

de Romein--mogen de jakhalzen zijne beenderen afknagen!--in even zoovele

weken. Wij zullen winnen!

Ben-Hur bleef bij de paarden, totdat zij naar behooren verzorgd waren.

Toen nam hij een bad in het meer, dronk een beker arak met den Sheik,

die bijzonder opgewekt was, kleedde zich weder naar Joodsch gebruik, en

wandelde met Malluch naar een schaduwrijke plek.

Veel werd tusschen die beiden besproken, maar daar niet alles voor ons

van belang is, zullen wij slechts bij één punt stilstaan.

--Ik zal u een brief meegeven aan den herbergier bij de Seleusische

brug, zeide Ben-Hur. Daar is mijn goed. Bezorg het mij vandaag nog, als

gij kunt. En, goede Malluch, indien het niet te veel van u gevergd is....

Malluch verklaarde zich volkomen bereid, om hem in alles van dienst te

zijn.

--Dank, Malluch, dank. Ik houd u aan dat woord, mij herinnerende dat wij

broeders zijn van één stam, en dat de vijand een Romein is. Daarenboven

zijt gij een man van zaken, hetgeen naar ik vrees Sheik Ilderim niet is.

--Arabieren zijn dat zelden.

--Neen, en hoe slim zij ook zijn mogen, het is toch goed zelf de dingen

na te zien. Om dus te zorgen, dat bij de wedrennen alles volkomen naar

recht gaat, zoudt gij mij veel genoegen doen door naar het bureau van

den circus te gaan en te zien, of de Sheik aan alle verplichtingen

voldaan heeft. Indien gij een afschrift van de bepalingen kunt krijgen,

zou mij dat zeer aangenaam zijn. Ik zou gaarne willen weten welke kleur

ik dragen moet, en wat het nummer is van mijn stal. Is hij naast dien

van Messala, dan is het goed. Zoo niet, tracht dan een ruiling te

bewerkstelligen, zoodat ik naast den Romein kom. Hebt gij een goed

geheugen, Malluch?

--Het heeft mij wel eens in de steek gelaten, zoon van Arrius, maar

nooit wanneer het hart mij te hulp kwam, zooals nu.

--Dan wil ik het er op wagen u nog met iets anders te belasten. Ik zag

gisteren, dat Messala trotsch was op zijn wagen, en met recht, want die

van den keizer zijn nauwelijks mooier. Kunt gij dat niet tot een

voorwendsel nemen om hem van nabij te bekijken, en te onderzoeken of hij

licht of zwaar is? Ik zou gaarne nauwkeurig zijn gewicht en afmetingen

hebben, en, Malluch, al moest al het andere er bij inschieten, zorg dat

gij mij precies kunt opgeven, hoe hoog de as boven de grond is. Hebt gij

het goed begrepen, Malluch? Ik wil niet dat de Romein iets boven mij

voor heeft. Om zijn pracht geef ik niets. Als ik win zal die zijn val te

zwaarder en mijn zegepraal te grooter maken. Heeft hij echter iets, dat

van een gewonen wagen verschilt, dan moet ik het weten.

--Ik begrijp u, zeide Malluch. Ik moet met een touw de hoogte van het

middelpunt der as tot aan den grond meten.

--Juist. Dat is alles. Laat ons nu naar den dowar terugkeeren.

Vóór de tent vonden zij een bediende, die hun een verfrisschenden drank

aanbood, waar zij zich heerlijk aan te goed deden. Kort daarop keerde

Malluch naar de stad terug.

Gedurende hunne afwezigheid had de Sheik een zijner Arabieren, als

koerier, naar zijne wachters afgezonden met de orders, die Simonides hem

aan de hand gedaan had. Zekerheidshalve had hij alleen een mondelinge

boodschap meegegeven.

* * * * *

DERDE HOOFDSTUK.

OP HET MEER.

--Iras, de dochter van Balthasar, zendt mij met een groet en een

boodschap, zeide een bediende tot Ben-Hur, die het zich in de tent

gemakkelijk had gemaakt.

--Geef mij de boodschap.

--Zij vraagt of gij haar bij een roeitochtje op het meer zoudt willen

vergezellen?

--Ik zal zelf het antwoord brengen. Zeg haar dat.

Hij kleedde zich haastig en was binnen weinige oogenblikken gereed, om

zich naar de schoone Egyptische te begeven.

De avond begon reeds te vallen. De bergen wierpen hunne schaduw over het

Palmbosch. In de verte hoorde men het getjingel van de belletjes der

schapen, het loeien van het vee, en de stemmen der herders, die de

kudden huiswaarts dreven. Sheik Ilderim had ook de middagoefeningen

bijgewoond, daarna was hij naar de stad gegaan, ingevolge de

uitnoodiging van Simonides. Het was mogelijk dat hij vóór den nacht

terugkwam, maar niet waarschijnlijk. Ben-Hur was dus alleen en vrij om

te gaan spelevaren op het meer.

Aan de kleine trap van de aanlegplaats gekomen bleef hij op de bovenste

trede staan, getroffen door hetgeen hij zag. Daar lag op het

spiegelgladde water een sierlijke, ranke boot. Een Ethiopiër, de

kameeldrijver, dien wij reeds bij de Castaliabron gezien hebben, zat op

de roeiersbank. Zijn gitzwarte huid stak sterk af tegen het sneeuwwit

zijner kleeding. De achtersteven van het bootje was met kussens en

tapijten van Tyrische roode stof belegd. De Egyptische zat aan het roer,

als weggezonken in doorzichtige sluiers en Indische sjaals. Hare

onberispelijk schoon gevormde armen waren onbedekt, schouders en hals

door een dunnen zijden doek tegen de avondlucht beveiligd. Als Ben-Hur

den indruk, dien de schoone Iras op hem maakte, onder woorden had moeten

brengen, zou hij waarschijnlijk geantwoord hebben met de woorden van den

koninklijken zanger: Uwe lippen zijn gelijk een scharlaken rooden draad;

uwe slapen zijn gelijk een stuk granaatappel in uwe lokken. Sta op,

mijne liefste, mijne schoone, kom hierheen; want zie! de winter is

voorbij gegaan, de regentijd is over; de bloemen ontluiken op de aarde;

de tijd der zangvogels is gekomen, en de stem der tortelduiven wordt in

het land gehoord....

--Kom, zeide zij, ziende dat hij staan bleef. Kom, of ik zou denken dat

gij een slecht zeeman zijt.

Hij werd verlegen. Wist zij iets van zijn leven op zee? Hij daalde snel

naar beneden en zette zich op de ledige plaats tegenover haar.

--Ik was bang voor....

--Waarvoor?

--Dat ik de boot zou doen zinken, antwoordde hij glimlachend.

--Wacht daarmee totdat wij in dieper vaarwater zijn, zeide zij, en gaf

den Ethiopiër een wenk om van wal te steken.

Indien Ben-Hur wars van alle zachtere gevoelens geweest was, dan zou hij

het nu toch hard te verantwoorden hebben gehad. De Egyptische was zoo

gezeten, dat hij haar altijd zien moest, haar, die hij reeds in zijne

gedachten met Sulamith vergeleken had. Met die stralende oogen op hem

gericht zou hij de sterren, indien zij wegbleven, niet eens missen. De

nacht mocht zijn donkeren sluier over het aardrijk uitspreiden, haar

blik zou hem tot eene verlichting zijn. En voorts, dat de verbeelding

nooit vrijer haar spel kan spelen, dan wanneer men jong van hart in

aangenaam gezelschap zachtkens voortglijdt over het water op een zoelen

zomeravond en onder liefelijk stargeflonker--wie zal het ontkennen? Het

is zoo gemakkelijk alsdan onmerkbaar uit het alledaagsche in het ideale

over te gaan.

--Geef mij het roer, zeide hij.

--Neen, antwoordde zij, dat ware de verhouding omkeeren. Verzocht ik u

niet met mij te gaan varen? Ik sta bij u in de schuld en wensch met de

betaling te beginnen. Gij moogt spreken en ik zal luisteren, of ik zal

spreken en gij zult luisteren. De keuze is aan u; maar ik zal bepalen

waarheen wij gaan.

--En waarheen dan?

--Alweer bang?

--O schoone Egyptische, ik deed u slechts de eerste vraag van iederen

gevangene.

--Noem mij Egypte.

--ik zou u liever Iras noemen.

--Onder dien naam moogt gij aan mij denken, maar noem mij liever Egypte.

--Egypte is een land.

--Ja, ja, en welk een land!

--Ha! wij varen dus naar Egypte!

--Was dàt waar! Wat zou ik blijde zijn, zeide zij met een zucht.

--Gij geeft dus niets om mij?

--O, nu zie ik, dat gij er nooit geweest zijt.

--Neen, nooit.

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 17 / 32 段