De zon was ondergegaan. De bergen wierpen een donkere schaduw over het

Palmbosch en lieten geen plaats voor de zachte violettinten, die bij den

overgang van dag op nacht het oog zoo liefelijk kunnen streelen. De

nacht viel vroeg en snel in. Om het duister in de tent te verdrijven

brachten de slaven vier bronzen kandelaars, één op elken hoek der tafel.

Iedere kandelaar had vier armen, en iedere arm droeg een zilveren lamp.

Bij het schijnsel van dit licht zaten de dischgenooten nog geruimen tijd

te praten in de Syrische taal, die in die streken algemeen gebruikelijk

was.

De Egyptenaar verhaalde aan Ben-Hur zijne ontmoeting met de twee

vrienden, en berekende met den Sheik, dat het in December achtentwintig

jaar geleden was, dat hij en zijne metgezellen met haast het Joodsche

land verlaten en in zijne tent gewoond hadden.

Ben-Hur luisterde met groote belangstelling, als naar een openbaring van

het hoogste belang voor de geheele wereld, en bovenal voor het volk

Israël.

De lezer bedenke, dat de jonge Israëliet sedert zijn vroegste jeugd van

den Messias gehoord had. In de school had hij de profetieën dienaangaande

hooren voorlezen. De komst van den langverwachte was het onderwerp van

veler gesprekken. In de synagogen, in den Tempel, op feest- en

vastendagen, in het openbaar en in de stille binnenkamer verkondigden de

Joodsche leeraars den Messias, totdat alle kinderen Israëls, waar zij

zich ook bevonden, naar Hem uitzagen. De groote vraag was: Wanneer zal

Hij komen? Want dàt Hij komen zou als Koning der Joden, als wereldsch

koning, als hun koning, dit stond vast. Door hen zou Hij de wereld

veroveren, en haar ten hunnen bate en in den naam van God voor altijd

aan zich onderwerpen.

Maar wat was de reden dat Israël geen oog had gehad voor dat kind van

Bethlehem? Hoe kwam het dat hij er nooit van gehoord had? Balthasar

moest hem opheldering geven: Waar was dat kind nu? En wat moest het

doen?

--Kon ik u dat maar zeggen, antwoordde Balthasar. Wist ik maar waar hij

zich ophoudt, ik zou mij dadelijk opmaken en tot hem gaan. Zeeën noch

bergen zouden mij kunnen weerhouden.

--Hebt gij getracht hem te vinden? vraagde Ben-Hur.

--Zeker. Zoodra ik afscheid genomen had van mijn vriend Ilderim stelde

ik een onderzoek in, om te vernemen wat van het kind geworden was. Een

jaar was echter voorbijgegaan, en ik wilde niet zelf naar Judea

terugkeeren, omdat Herodes nog steeds op den troon zat, even

bloeddorstig als altijd. Bij mijn terugkomst in Egypte vond ik eenige

vrienden, die mijn verhaal van de dingen, die ik gezien en gehoord had,

aanhoorden en geloofden, eenige weinigen, die zich met mij verheugden

over den Verlosser, ons geboren. Een paar van hen gingen in mijne plaats

naar Judea, om persoonlijk een onderzoek in te stellen. Zij gingen eerst

naar Bethlehem en vonden de herberg en de grot, maar de deurwachter, hij

die ons naar de spelonk gebracht had, was er niet meer. De koning had

hem opontboden, niemand in Bethlehem had meer van hem gehoord.

--Maar zij vonden toch zeker getuigen van het gebeurde?

--Ja, bloedige getuigen. Een stadje in rouw, moeders treurend om hare

kinderkens. Want gij moet weten dat Herodes, toen hij bemerkte dat wij

stil vertrokken waren, soldaten naar Bethlehem zond, om al de

jonggeboornen te dooden. Geen enkel ontkwam. Mijne vrienden waren in hun

geloof versterkt geworden, maar zij brachten mij de tijding, dat het

kind vermoord was met de andere.

--Dood! riep Ben-Hur, dat is verschrikkelijk! 't Is dus dood?

--Neen, mijn vriend, dat heb ik niet gezegd. Ik zeide dat mijne vrienden

die tijding meebrachten. Ik geloofde het toen niet en ik geloof het nog

niet.

--Hebt gij dan een bijzondere openbaring ontvangen?

--Dat juist niet. De Geest zou ons geleiden tot de plaats, waar het kind

zich bevond. Toen wij uit de grot kwamen was de ster verdwenen. De

laatste aanwijzing, die wij ontvingen, was die, welke ons langs een

anderen weg deed terugkeeren, zoodat wij bij Sheik Ilderim kwamen.

--Ja, dat hebt gij mij toen ook verteld, bevestigde deze.

--Al heb ik geen bijzondere aanwijzing, zeide Balthasar, zoo heb ik toch

veel over deze dingen nagedacht, en mijn geloof, dat verzeker ik u, is

op dit oogenblik nog even sterk, als toen de Geest mij beval de reis

naar Jeruzalem te aanvaarden. Indien gij wilt zal ik u zeggen waarom ik

geloof dat het kind nog leeft.

De Sheik en Ben-Hur bogen toestemmend en luisterden met hun gansche

aandacht.

--Wij drieën gelooven in God, en Hij is de Waarheid. De heuvelen mogen

tot stof verwaaien, en de zeeën opdrogen, maar Zijn Woord blijft

bestaan, omdat het de Waarheid is. De stem, die tot mij sprak bij het

meer, was Zijne stem en zeide: Gezegend zijt gij, zoon van Mizraïm. De

verlossing is nabij. Met twee anderen van het uiterste der aarde zult

gij den Verlosser zien!--Ik heb den Verlosser gezien, maar de verlossing

moet nog komen. Begrijpt gij het nu? Als het kind gedood werd is er

niemand, die de verlossing kan aanbrengen; dan moet de belofte onvervuld

blijven. Het kind werd geboren om de wereld te verlossen, en zoolang die

belofte niet vervuld is, kan niets, zelfs de dood niet, hem van zijn

werk scheiden. Ziedaar de eerste grond van mijn geloof. Nu mijn tweede.

--Wilt gij niet een teug wijn nemen? vraagde de gastheer.

Nadat Balthasar zich verfrischt had, vervolgde hij: De Verlosser, dien

ik gezien heb, was van eene vrouw geboren, van nature ons gelijk, en dus

onderworpen aan alle kwaad, ook aan den dood. Beschouwen wij nu het

werk, dat hem wachtte. Was het niet een taak alleen voor mannenkracht

berekend? voor een wijs, sterk, verstandig man? Om dat te worden moest

het kind opgroeien, zooals wij. Denk nu eens aan de gevaren, die hem in

dien tusschentijd konden bedreigen. De bestaande regeering was hem

vijandig. Herodes was zijn vijand, en wat zou Rome voor hem zijn? En

Israël ... dat Israël hem niet zou aannemen was de reden, waarom Herodes

alle kinderen te Bethlehem liet dooden. Begrijpt gij het nu? Was er

zekerder weg om zijn hulpelooze jonkheid te behoeden, dan door hem

verborgen te houden? Daarom zeg ik telkens tegen mijzelven: Hij is niet

dood, maar houdt zich stil, en daar zijn werk nog niet volbracht is, zal

hij wederkomen. Ziedaar de gronden voor mijn geloof. Is er iets tegen te

zeggen?

Ilderims oogen fonkelden en Ben-Hur zeide vroolijk: Door mij zeker niet.

Wat verder?

--Is dat niet genoeg, mijn zoon? Wachten moet onze leus zijn. Hij leeft

en bewaart vooralsnog zijn geheim, hetzij als veelbelovende bloesem, of

als rijpende vrucht. Maar, vasthoudende aan de belofte staat mijn geloof

onwankelbaar vast,--hij leeft.

--Waar denkt gij, dat hij is? vraagde Ben-Hur aarzelend.

--Eenige weken geleden zat ik in mijn huis aan den Nijl, in gedachten

verzonken. Ik zeide tot mijzelf: Een dertigjarige man moet zijn

arbeidsveld bebouwd en beplant hebben, want daarna komt de zomer en

nadert de tijd, waarin gemaaid moet worden. Het kind, dacht ik verder,

is nu bijna dertig jaar. Zijn tijd om te zaaien is daar. Ik stelde

mijzelven dezelfde vraag, die gij mij zooeven deedt, en tot antwoord

maakte ik mij op en kwam hierheen, om in de nabijheid te zijn van het

land, dat God aan uwe vaderen gegeven heeft. Want waar anders zal hij

verschijnen dan in Judea? In welke stad zal hij zijn werk beginnen, zoo

niet in Jeruzalem? Wie moeten de eersten zijn om de zegeningen te

ontvangen, die hij zal aanbrengen, zoo niet de kinderen Abrahams, Izaäks

en Jakobs? Als mij bevolen werd: Ga, zoek hem,--dan zou ik alle

gehuchten en dorpen langs de hellingen der bergen van Judea en Galilea

tot aan het Jordaandal doortrekken. Daar moet hij zich ophouden. Daar

heeft hij wellicht dezen zelfden avond, staande voor een eenvoudige

woning of op een heuveltop, de zon zien ondergaan met de gedachte, dat

hij weder een dag nader was gekomen aan den tijd, waarop hijzelf het

licht der wereld zal worden.

Balthasar zweeg. Niet alleen de gastheer en Ben-Hur, maar ook de

dienaren hadden, door zijn geestdrift opgewekt, het gevoel alsof de

onzichtbare in hun midden was. Eindelijk verbrak Ben-Hur de stilte.

--Ik zie, goede Balthasar, zeide hij, dat gij buitengewoon begunstigd

zijt. Ik zie ook, dat gij inderdaad een wijs man zijt. Ik kan u niet

zeggen hoe dankbaar ik ben voor hetgeen gij ons verhaald hebt. Gij hebt

mij op groote dingen voorbereid. Voltooi het werk, bid ik u, en deel mij

alles mede wat gij weet aangaande de zending van hem, dien gij verwacht,

en dien ook ik van nu als een geloovig zoon van Juda verwachten zal. Hij

zal een Verlosser zijn, zegt gij, zal hij ook niet koning der Joden

wezen?

--Mijn zoon, antwoordde Balthasar, zijne zending is vooralsnog een

verborgenheid Gods. Wat ik daaromtrent denk ontleen ik aan hetgeen de

stem tot mij sprak in verband met de gebeden, waarop zij een antwoord

was. Zullen wij dat nog eens nader beschouwen?

--Gaarne, mijn vader.

--De reden van mijn onrust, begon Balthasar, die mij drong in Alexandrië

en in de dorpen langs den Nijl te prediken, en die mij ten laatste in de

eenzaamheid dreef, was de rampzalige toestand van het menschdom,

veroorzaakt, naar ik geloof, door het verlies van de kennis Gods. Ik was

bedroefd over de ellende van mijn geslacht, niet van een enkele klasse,

maar van allen. Zoo diep zijn zij gevallen, dat, naar mij voorkwam, geen

verlossing mogelijk was, tenzij God zelf die ter hand wilde nemen, en ik

bad tot Hem: O God, openbaar U aan mij!--Uwe goede werken heb ik

overwonnen. De Verlossing komt, gij zult uw Verlosser zien. Aldus sprak

de stem, en met dat antwoord reisde ik goedsmoeds naar Jeruzalem. Maar

wie moeten verlost worden? De geheele wereld. En hoe zal dat geschieden?

Wees sterk, zoon van Arrius! Ik weet wat de menschen zeggen: dat geen

geluk mogelijk is, zoolang Rome niet verwoest is. De ellende zou dus

niet uit onkunde met betrekking tot God, maar uit het wanbestuur der

vorsten voortkomen? Neen, neen! de Verlossing kan niet voor een

staatkundig doel zijn, kan niet ten oogmerk hebben machten en tronen

omver te werpen, alleen opdat anderen hunne plaatsen zouden innemen. Als

dat het doel moest zijn, zou de wijsheid Gods niet langer ondoorgrondelijk

zijn. Ik zeg u, al spreek ik misschien slechts als een blinde tot een

blinde, hij die komt zal een Verlosser zijn van zielen. Verlossing wil

zeggen, dat God weder op aarde wonen zal en de gerechtigheid heerschen,

opdat zijn verblijf mogelijk zij.

Ben-Hur kon zijne teleurstelling niet verbergen. Hij boog het hoofd, en

ofschoon hij niet overtuigd was, voelde hij zich niet dadelijk in staat

om de zienswijze van den Egyptenaar te bestrijden. Ook Ilderim schudde

ongeloovig het hoofd. Na een oogenblik zwijgens zeide de eerste: Vader,

naar wien moest gij aan de poorten van Jeruzalem vragen?

--Ik moest aan het volk vragen: Waar is de geboren Koning der Joden?

--En gij zaagt hem in de grot te Bethlehem?

--Wij zagen en aanbaden hem en boden hem geschenken aan: goud, wierook,

myrrhe.

--Wanneer gij de feiten bespreekt, mijn vader, dan is u te hooren en te

gelooven één; maar wat uwe zienswijze aangaat kan ik niet begrijpen welk

soort van Koning gij van het kind wilt maken. Ik kan den koning niet

scheiden van zijne macht en plichten.

--Mijn zoon, antwoordde Balthasar, gij ziet nu slechts den titel: Koning

der Joden. Vestigt gij echter uwen blik op de daarachter liggende

geheimenis, dan zal de steen des aanstoots verdwijnen. Over den titel

één woord. Uw volk, Israël, heeft betere dagen gezien, dagen waarin God

uw volk zijn volk noemde, en door de profeten met hen verkeerde. Welnu,

indien Hij hun in die dagen den Verlosser beloofde, dien ik gezien heb,

hem beloofde als Koning der Joden, dan moet de verschijning ook gelijk

zijn aan de belofte. Begrijpt gij nu de beteekenis van mijne vraag aan

de poort?--Ja, gij begrijpt haar, en ik behoef er niets meer van te

zeggen. Misschien denkt gij aan de waardigheid van het Kind; als dat zoo

is, denk dan even na--moest het de opvolger van Herodes zijn?

Kon God zijn uitverkorene niet iets beters bereiden? Wilt gij het wezen

der zaak, waarover wij spreken, vatten, zie dan hooger op, bid ik u!

Vraag liever waarvan hij, dien wij verwachten, koning zal zijn; want dat

is de sleutel van de verborgenheid, die niemand begrijpen zal zonder

dien sleutel. Er is een koninkrijk op aarde, ofschoon het niet van de

aarde is, een koninkrijk grooter in omvang dan de aarde, grooter dan de

zee en de aarde. Zijn bestaan is een feit, en wij doorwandelen het

zonder het te zien. Niemand zal dit rijk aanschouwen, voordat hij zijn

eigen ziel heeft leeren kennen; want het koninkrijk is niet voor hem,

maar voor zijne ziel. De heerlijkheid, die ons in dat rijk wacht, is zoo

groot, dat wij haar ons niet kunnen voorstellen--eenig en

onvergelijkelijk.

--Uwe woorden, vader, zijn mij een raadsel, ik heb nooit van zulk een

koninkrijk gehoord.

--Ik ook niet, verzekerde Ilderim.

--En ik mag er niet meer van zeggen, zeide Balthasar, de oogen ootmoetig

neerslaande. Wat het is, waartoe het dient, hoe men er komen kan, zal

niemand vernemen, voordat het kind komt, om er als zijn eigendom bezit

van te nemen. Hij brengt den sleutel van de onzichtbare poort, die hij

ontsluiten zal voor zijne uitverkoornen, waartoe allen zullen behooren,

die hem liefhebben, want dezulken alleen zullen de verlosten zijn.

Een lange pauze volgde. Daar niemand een opmerking maakte zeide

Balthasar ten laatste: Goede Sheik, morgen of overmorgen ga ik voor

eenigen tijd naar de stad. Mijne dochter verlangt de toebereidselen voor

de feesten te zien. Het uur van mijn vertrek hoop ik u nader op te

geven. U, mijn zoon, zal ik zeker nog zien. Ik wensch u beiden vrede en

goeden nacht.

Zij stonden allen van tafel op. De Sheik en Ben-Hur zagen den Egyptenaar

na, totdat hij buiten de tent was.

--Sheik Ilderim, zeide de jongeling, ik heb van avond vreemde dingen

gehoord. Sta mij toe, bid ik u, een weinig langs het meer te wandelen,

opdat ik ze rustig overdenke.

--Ga, ik volg u straks.

Zij wieschen hunnen handen, waarna een bediende Ben-Hur zijne sandalen

bracht.

* * * * *

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

OVERDENKINGEN.

Op een kleinen afstand van den dowar stond een groep palmen, die hunne

schaduw half over het water, half over het land wierpen. Een nachtegaal

zong in de takken zijn lied. Ben-Hur bleef er staan naar luisteren. Op

ieder ander oogenblik zou het gezang van den vogel afleiding aan zijne

gedachten gegeven hebben; nu niet, want de meedeelingen van den

Egyptenaar lagen hem als een pak op het hart. Er was voor hem zelfs in

de liefelijkste muziek geen muziek, zoolang lichaam en geest niet tot

rust gekomen waren.

De nacht was stil. Geen enkel golfje brak op het oeverzand. De hemel was

bezaaid met sterren, al de oude bekenden op haar gewone plaats.

Ben-Hur liep onrustig heen en weer. Zijn levendige verbeelding voerde

hem in gedachten naar de zuidelijke streken, waar Balthasar als

kluizenaar geleefd had. Het meer met zijn onbeweeglijken spiegel

verplaatste hem in den geest naar de oevers van den Nijl, waar de wijze

man in het gebed verzonken was, toen de Geest zich aan hem openbaarde.

Indien het wonder zich eens herhaalde--en wel aan hem? Hij vreesde,

nochtans wenschte, ja zelfs verwachtte hij de verschijning.

Toen zijn opgewondenheid eindelijk wat bedaarde, kwam er orde in zijne

gedachten.

Zijn levensdoel kennen wij. Als hij zijne toekomst overdacht was hij

telkenmale op een gaping gestuit, die hij niet bij machte was aan te

vullen, een gaping zoo wijd, dat hij den overkant slechts flauw kon

onderscheiden. Naar welk doel zou hij streven, als hij eindelijk tot

bevelhebber bevorderd was? Een opstand tegen de Romeinen lag natuurlijk

in zijn plan, maar om de lieden daartoe te bewegen, moest hij een goede

reden of een voorwendsel kunnen aanvoeren, en hen op een betere toekomst

kunnen wijzen. Die een onrecht te herstellen heeft, strijdt in den regel

goed; maar oneindig beter hij, wien het geleden onrecht tot drijfveer

is, om naar een betere toestand te streven, een toestand, waarin hij

balsem vindt voor zijne wonden, loon voor zijn dapperheid, dank voor

zijne moeite, en bij zijnen dood een roemrijk gedenken.

Vóór alle dingen zou Ben-Hur, wilde hij op aanhangers kunnen rekenen, en

dat zouden natuurlijk zijne landgenooten zijn, oorzaak en gevolg van den

opstand moeten verklaren. Allen zuchtten onder hetzelfde juk, dat af te

schudden was een heilige, bezielende plicht.

Reden tot opstand was er dus; maar de gevolgen, welke zouden die zijn?

De uren en dagen, die hij aan de overdenking van dit deel zijner plannen

gewijd had, waren talloos vele, en altijd was hij tot dezelfde

onbevredigde slotsom gekomen: een onbestemde, nevelachtige, algemeene

voorstelling van nationale vrijheid. Was dat voldoende? Hij kon niet

zeggen: neen; want dat zou zijn hoop den genadeslag hebben toegebracht;

hij huiverde om ja te zeggen, omdat zijn verstand wel beter wist.

Evenmin kon hij zich wijsmaken, dat Israël in staat zou zijn, om geheel

alleen Rome te bestrijden. Hij kende de hulpmiddelen van dien machtigen

vijand. Een verbond van alle volken zou iets kunnen uitrichten, maar,

helaas! dat was onmogelijk, tenzij--en hoelang had hij niet over die

mogelijkheid nagedacht, tenzij uit een der onderdrukte volken een held

mocht voortkomen, wiens krijgsverrichtingen de gansche aarde met zijn

roem vervullen zouden. Welk een glorie voor Judea, indien dat het

Macedonië van den nieuwen Alexander zou blijken te zijn! Helaas, onder

de rabbijnen was dapperheid wel mogelijk, maar tucht niet te verwachten.

En dan het verwijt van Messala in den tuin van Herodes: Wat gijlieden in

zes dagen wint, verliest gij den zevenden dag.

Zoo kwam het dat hij geen licht in de zaak had gezien. God alleen wist

óf de verwachte held komen zou. Vandaar dat hij Malluchs verslag van

Balthasars wederwaardigheden met een zekere voldoening had aangehoord

--de moeilijkheid was opgelost, de held uiteindelijk gevonden, en nog

wel een zoon uit den stam van Juda, een Koning der Joden! En achter den

held, de wereld onder de wapenen!

Ben-Hurs hart had sterker geklopt toen hij zich voor een oogenblik

Jeruzalem als hoofdstad der wereld dacht, en Sion de zetel van de

overheerscher. Hoe bevoorrecht had hij zich geacht, dat hij den man, die

den koning gezien had, in Ilderims tenten zou ontmoeten. Hij zou hem

zien, hem hooren, en van hem alles vernemen wat hij wist van de ophanden

zijnde verandering, voornamelijk het tijdstip, waarop het geschieden

zou. Indien het ophanden was, zou hij van den veldtocht met Maxentius

afzien, en voorbereidingen treffen om de stammen onder de wapenen te

brengen, opdat Israël gereed mocht zijn, wanneer de groote dag der wrake

aanbrak.

Nu had, zooals wij weten, Ben-Hur het verhaal van Balthasar zelven

vernomen. Was hij voldaan?

Een schaduw, donkerder dan die der palmen, rustte op hem--de schaduw der

onzekerheid, die meer het koninkrijk gold, dan wel den koning.

Hoe moet ik mij dat koninkrijk voorstellen? Hoe zal het zijn? vraagde

Ben-Hur zichzelven gedurig.

--Hoe zal dat koninkrijk zijn?

Ons, lezer, heeft het kind zelf geantwoord; maar Ben-Hur moest zich

vergenoegen met de woorden van Balthasar: Op aarde, nochtans niet van de

aarde; niet voor menschen, maar voor hunne zielen, en toch een

heerschappij van onbeschrijfelijken luister.

Was het wonder, dat die woorden den jonkman zeer raadselachtig

voorkwamen?

--Dat is geen menschenwerk, zeide hij half wanhopig. De koning van zulk

een rijk heeft geen menschen noodig; geen raadslieden, geen soldaten.

De aarde zou geheel vernieuwd moeten worden, en nieuwe grondbeginselen

zouden de plaats van de tegenwoordige moeten innemen. Niet door geweld

van wapenen,... maar door wat dan?

Nogmaals, lezer, wat voor ons vaststaat kon hij nog niet zien. De macht,

die in de Liefde gelegen is, was den menschen toen nog niet bekend.

Nooit had iemand hun verkondigd, dat liefde machtiger is dan geweld.

Te midden van die overleggingen voelde hij een hand op zijn schouder.

--Ik heb een woord aan u, zoon van Arrius, zeide Ilderim, één woordje en

dan keer ik naar mijne tent terug, want het is laat in den nacht.

--Ik luister, Sheik.

--Wat de dingen aangaat, die gij zooëven gehoord hebt, zeide Ilderim,

geloof alles, behalve datgene wat de Egyptenaar zeide over het nieuwe

koninkrijk. Laat dat rusten, totdat gij Simonides gehoord hebt, een goed

man uit Antiochië, met wien ik u in kennis zal brengen. De Egyptenaar

gaf u zijne droomerijen ten beste. Simonides is verstandiger. Hij zal u

de uitspraken uwer profeten voorleggen, waaruit hij onwederlegbaar kan

aantoonen, dat de verwachte feitelijk koning der Joden zijn zal--koning

zooals Herodes was, alleen beter en luisterrijker. En dan, gij begrijpt

mij, zullen wij het zoete der wraak smaken. Ik heb gezegd. Vrede zij u!

Ben-Hur staarde hem na en zeide bitter: Alweder Simonides! Simonides

hier, Simonides daar; dan door den een, dan door den ander! Het schijnt

alsof ik aan den leiband van mijn vaders dienaar zal mogen loopen. Die

weet ten minste vast te houden wat het mijne is. Daarom is hij in ieder

geval rijker, zoo niet verstandiger, dan de Egyptenaar. Bij hem zal ik

zeker niet ter schole gaan!--Maar, wat is dat? Daar wordt gezongen ...

een vrouwenstem. Het komt hierheen.

Langzaam keerde een bootje terug van een roeitochtje op het meer. De

zangster in het kleine vaartuig deed haar liefelijke stem over de stille

wateren klinken. Weldra kon hij de woorden verstaan. Het was een

Grieksch lied, een lied van verlangen, aangrijpend en innig.

Toen het bootje voorbijgevaren was slaakte Ben-Hur een diepen zucht.

Dat moest den dochter van Balthasar zijn, zeide hij zacht. Wat zingt zij

heerlijk! En wat was zij schoon!

Zijn hart begon sneller te kloppen; maar tegelijkertijd verrees voor zijn

geestesoog een ander gelaat, jeugdiger en even bevallig--kinderlijker en

zachter, hoewel niet zoo hartstochtelijk.

--Ester! zeide hij glimlachend. Ik wenschte een ster te zien, en zij is

mij gezonden.

Hij keerde zich om en ging langzaam naar zijne tent terug.

In dat hart, zoo vol van het geleden onrecht en van wraakzuchtige

plannen, was geen plaats voor liefde geweest. Was dit misschien het

begin van eene verandering ten goede? En van wie ging die invloed uit?

Ester had hem een beker aangereikt.... De Egyptische eveneens.

En beiden waren hem gelijktijdig onder de palmen verschenen!

Wie van de twee zal het zijn?

* * * * *

BOEK V.

* * * * *

EERSTE HOOFDSTUK.

GRATUS WORDT GEWAARSCHUWD.

's Morgens na de bacchanaliën in de zaal van het paleis lagen de jonge

patriciërs hun roes uit te slapen op den divan. Al stapte Maxentius

heden aan wal, al liep alles in de stad uit om den veldheer te

ontvangen, al kwam het legioen in groot tenue van den Sulpius, al zou

van Nymphaeum tot Omphalus een pracht ontwikkeld worden, die alles wat

men tot hiertoe gezien had overtrof, zij zouden blijven liggen zooals

zij neergevallen, of door de dienaren neergelegd waren.

Eén maakte echter een uitzondering. Toen het volkomen dag geworden was

stond Messala op, nam den krans van zijn hoofd, ten teeken dat het feest

beëindigd was, wikkelde zich in zijn mantel, wierp een laatsten blik op

zijne makkers, en begaf zich zonder een woord te spreken naar zijn

kwartier. Cicero zou niet meer deftigheid de Senaatskamer hebben kunnen

verlaten.

Drie uren later traden twee koeriers zijne kamer binnen, en ontvingen

uit zijne hand een verzegeld pakje, duplicaten van een brief aan

Valerius Gratus, den procurator, die nog steeds in Cesarea woonde. Dat

de brieven een spoedige en zekere bezorging vereischten blijkt uit dien

maatregel.

De inhoud was als volgt:

Messala groet Gratus.

Ik heb u een wonderlijke geschiedenis te verhalen, die, ofschoon

zij gedeeltelijk nog slechts een vermoeden is, ongetwijfeld uwe

belangstelling in hooge mate zal opwekken.

Vergun mij, voordat ik verder ga, uw geheugen een weinig te hulp te

komen. Gij herinnert u wellicht vele jaren geleden te Jeruzalem het

gezin van een aanzienlijk man, uit het aloude geslacht Hur. Mocht

uw geheugen u soms in de steek laten, dan hebt gij, wanneer ik mij

niet vergis, een litteeken aan uw hoofd, dat u alles wel weer voor

den geest zal kunnen brengen.

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 16 / 32 段