van de gansche aarde, de moeder van al de goden, en daarom bovenmate
gezegend. Daar, zoon van Arrius, daar ontvangt de gelukkige steeds
vermeerdering van geluk, terwijl de ellendigen, al drinken zij slechts
eenmaal van het water der heilige rivier, lachen en juichen, als
kinderen zoo blij.
--Zijn de armen daar dan anders dan overal elders?
--De armsten in Egypte hebben de minste behoeften. Zij verlangen alleen
genoeg te hebben; verder gaan hunne wenschen niet. En hoe weinig dat is,
kan een Griek of Romein niet beseffen.
--Maar ik ben noch Griek noch Romein.
Iras lachte.
--Ik heb een tuin vol rozen, zeide zij. In het midden staat een boom,
die alle andere in rijkdom van bloei overtreft. Waar denkt gij, dat hij
vandaan kwam?
--Uit Perzië, het vaderland der rozen.
--Neen.
--Uit Indië dan.
--Neen.
--Dan van een der Grieksche eilanden.
--Ik zal het u vertellen, zeide zij. Een reiziger vond hem, kwijnende
aan den weg op de vlakte van Rephaïm.
--O, in Juda!
--Ik plantte hem in den pas door den Nijl overstroomden bodem. De
zuidenwindjes speelden door zijne takken en kweekten hem op, de zon
kuste hem vol medelijden ... toen kon het niet anders, of hij moest
groeien en bloeien. Nu sta ik in zijne schaduw en beloont hij mij door
zijn liefelijke geuren voor de moeite, die ik mij voor hem gegeven heb.
Zoo de rozen, zoo ook de mannen van Israël. Waar zullen zij tot
volmaaktheid komen, anders dan in Egypte?
--Mozes was slechts één uit millioenen.
--Neen, er was een droomenuitlegger. Vergeet gij dien?
--De vriendelijke Pharao's zijn dood.
--O ja, de rivier, aan wier oever zij woonden, zingt hun een slaaplied
toe in hunne graven. Nochtans schijnt dezelfde zon over hetzelfde volk.
--Alexandrië is een Romeinsche stad.
--Zij heeft slechts van schepter verwisseld. Cesar ontnam haar dien van
het zwaard, en gaf haar in ruil dien van de wetenschap. Ga met mij naar
het Brucheium en ik zal u de wijsheid der volken toonen; naar het
Serapeion en gij aanschouwt het volmaakte in de bouwkunde; naar de
Bibliotheek, en gij kunt de onsterfelijken lezen; naar den Schouwburg,
waar de helden der Grieken en Hindoe's voor u ten tooneele worden
gevoerd; naar de kade, waar gij den handel in zijn glorie kunt zien.
Doorwandel de straten met mij, zoon van Arrius, als de avond gedaald is,
en gij zult de verhalen hooren, die de menschen sedert onheugelijke
tijden vermaakt hebben, en de liederen, die nimmer, nimmer zullen
sterven.
Onder het luisteren werd Ben-Hur in gedachten teruggevoerd naar dien
laatsten avond in het ouderlijk huis te Jeruzalem, toen zijne moeder met
niet minder geestdrift over Israëls verdwenen grootheid gesproken had.
--Nu begrijp ik waarom gij wildet, dat ik u Egypte zou noemen. Wilt gij
mij een lied zingen, als ik u bij dien naam noem? Ik heb u gisteravond
beluisterd.
--Dat was een lofzang aan den Nijl, antwoordde zij, een klaagzang, dien
ik aanhef, als ik mij verbeeld den adem der woestijnen te ruiken, en den
golfslag van den dierbaren ouden stroom te hooren. Laat ik u liever iets
geven in Indiaanschen trant. Als wij in Alexandrië komen, zal ik u
brengen naar den hoek der straat, waar gij het eene dochter van de
Ganges kunt hooren zingen.
En met een stem, zoo liefelijk, dat ook de ongevoeligste naar haar zou
hebben moeten luisteren, zong Iras haar lied.
Toen zij beëindigd had en Ben-Hur haar zijnen dank wilde betuigen,
schuurde de boot over het zand en liep op den oever.
--Dat is een korte reis naar Egypte! riep de jonkman.
--En een nog korter oponthoud! antwoordde zij, toen de Ethiopiër met een
krachtigen stoot het vaartuig weeder vlot maakte.
--Nu zult gij mij toch het roer geven.
--O neen, zeide zij lachende. Voor u de wagen, voor mij de boot. Wij
zijn aan den uithoek van het meer. Ik zie wel dat ik niet te gelijk
sturen en zingen moet. Daar wij in Egypte geweest zijn, willen wij nu
naar het Park van Daphne gaan.
--En geen liedje om den weg te korten? vraagde hij smeekend.
--Vertel mij iets van den Romein, tegen wien gij vandaag zoo flink
optrad, vraagde zij.
Die vraag deed Ben-Hur onaangenaam aan.
--Ik wenschte dat dit de Nijl was, zeide hij ontwijkend. De koningen en
koninginnen, die zoolang geslapen hebben, moesten uit hunne graven komen
en met ons varen.
--Zij behoorden tot de kolossen en zouden onze boot doen zinken. De
dwergen zouden verkieslijker zijn. Maar vertel mij nu iets van den
Romein. Hij is een slecht mensch, niet waar?
--Dat kan ik u niet zeggen.
--Stamt hij uit een adellijk geslacht, en is hij rijk?
--Ik kan niet over zijn rijkdom oordeelen.
--Wat had hij mooie paarden! En zijn wagen! Het binnenste was verguld en
de wielen waren van ivoor. En wat is hij vermetel! Het volk lachte toen
hij wegreed, en hij had ze toch bijna overreden.
Zij lachte bij de herinnering.
--Ja, wat een volk! zeide Ben-Hur bitter.
--Hij behoort zeker tot de monsters, die in Rome opgroeien--Apollo's,
roofgierig als Cerberus. Woont hij in Antiochië?
--Misschien wel.
--Egypte zou hem beter lijken dan Syrië.
--Bezwaarlijk, antwoordde Ben-Hur. Cleopatra is dood.
Op dat oogenblik kregen zij de brandende lampen voor de deur der tent in
't gezicht.
--De dowar! riep Iras.
--Dus zijn wij niet in Egypte geweest. Ik heb Karnak, noch Philae, noch
Abydos gezien. Dit is niet de Nijl. Ik heb slechts een lied uit Indië
gehoord en ben in den droom uit spelevaren geweest.
--Philae, Karnak. Betreur liever dat gij Ramses te Aboo Simbul niet
gezien hebt. Als men daar naar kijkt valt het zoo gemakkelijk aan God te
denken, den Schepper van hemel en aarde. Maar waarom zoudt gij treuren?
Laat ons de rivier opvaren, en al kan ik dan niet zingen, omdat ik
gezegd heb, dat ik het niet meer doen zou, ik kan u toch van Egypte
vertellen.
--Ja, doe dat. Ga voort totdat de morgen aanbreekt en de avond en de
volgende morgen! zeide Ben-Hur hartstochtelijk.
--Waarover zal ik vertellen? Over de wiskunstenaars?
--O neen.
--Over de wijsgeren?
--Neen, neen.
--Over de toovenaars en sterrenwichelaars?
--Dat zou kunnen.
--Over den oorlog?
--Ja.
--Over de liefde?
--Ja.
--Ik zal u een middel tegen de liefde aan de hand doen. Het is de
geschiedenis van een koningin. Luister aandachtig. De papyrusrol,
waaraan het verhaal ontleend werd, is aan de hand der heldin zelve
ontwrongen. Het moet een ware gebeurtenis zijn.
NENEHOFRA
Vele honderden jaren geleden woonde te Essouan een meisje, zoo
bekoorlijk, dat de natuur zelve zich over haar verheugde. Als zij
voorbijging klapwiekten de vogeltjes om haar te begroeten, hieven
de witte lotusbloemen zich op uit het water om haar te aanschouwen,
vertraagde de stroom zijnen loop, wuifden de palmen hunne pluimen.
Zij schenen te zeggen, de een: ik deelde haar mee van mijn
vroolijkheid; de ander: ik van mijne reinheid; een derde: ik van
mijne bevalligheid.
Op twaalfjarigen leeftijd was Nenehofra het sieraad van Essouan.
Toen zij zestien was, sprak men door het gansche land over hare
schoonheid, en toen zij twintig was ging er geen dag voorbij, die
niet vorsten der woestijn op snelle kemelen en aanzienlijke
Egyptenaren in vergulde barken voor hare deur bracht. Die allen
echter gingen ongetroost heen en vertelden overal: Ik heb haar
gezien. Dat is geen sterflijke vrouw, maar Hathor zelve.
De koning van het land was de grijze Oretes. Hij had den leeftijd
van hondertien jaren bereikt. Zesenenzeventig jaren had hij over
Egypte geregeerd. Onder zijn verstandig bestuur waren land en volk
tot groote welvaart gekomen. Hij woonde te Memphis, waar hij zijn
schoonste paleis en arsenalen had. De vrouw van den goeden koning
stierf. Daar hij haar zeer had liefgehad treurde en weeklaagde hij
over haar en was ontroostbaar. Een hoveling, die dat opmerkte,
waagde op zekeren dag tot hem te zeggen: Koning Oretes, het
verwondert mij dat iemand, zoo wijs en groot, niet zou weten hoe
men een droefheid als deze kan genezen. Zeg mij hoe, zeide de
koning. De hoveling kuste driemaal den grond en antwoordde, wel
wetende dat de doode hem niet kon hooren: Te Essouan woont
Nenehofra, zoo schoon als de schoone Hathor zelve. Ontbied haar.
Zij heeft alle vorsten afgewezen, en ik weet niet hoevele koningen;
maar wie kan neen zeggen tot Oretes?
* * * * *
Nenehofra zakte met een talrijk gevolg den Nijl af naar Memphis.
Toen de koning haar zag deed hij haar naast zich zitten op zijnen
troon, deed den uraeus om haren arm, kuste haar, en maakte haar tot
koningin. Dat was den wijzen Oretes niet genoeg. Hij smachtte naar
liefde, en verlangde een koningin, die hem gelukkig gevoelde in
zijne liefde. Hij behandelde haar met groote tederheid, toonde haar
al wat hij bezat, leidde haar door zijne schatkameren en zeide: O
Nenehofra, geef mij één kus uit liefde en dit alles is het uwe.
Denkende dat zij mettertijd gelukkig zou zijn,--was zij het al niet
reeds?--kuste zij hem twee-, driemaal in weerwil van zijne
honderden jaren.
In het eerste jaar voelde zij zich gelukkig, en dat vloog om. In
het derde jaar was zij rampzalig, en het kroop voorbij. Toen gingen
haar de oogen open: wat zij voor liefde had aangezien was
machtsbegoocheling geweest. Ach, had die begoocheling mogen
voortduren!
Zij werd droefgeestig. Zij stortte vele tranen. Haar lach
verstomde. De rozen op haar wangen verbleekten. Zij kwijnde
langzaam maar zeker weg. Geen middelen baatten, noch van
toovenaars, noch van geneesheeren. Nenehofra werd als hopeloos
opgegeven.
Oretes koos een crypt voor haar uit in de graven der koninginnen,
en riep de voornaamste beeldhouwers en schilders naar Memphis, om
de crypt zoo prachtig mogelijk te versieren.
--O gij, schoon als Hathor zelf, mijn koningin! zeide Oretes, zeg
mij, bid ik u, wat u deert, want ik zie u voor mijne oogen
wegsterven.
--Gij zoudt mij niet meer liefhebben, als ik het u zeide, luidde
haar antwoord.
--U niet liefhebben? Ik zal er u te liever om hebben. IK zweer het
bij het oog van Osiris. Spreek!
--Nu dan, zeide zij. In een spelonk bij Essouan woont een
anachoreet, de oudste en heiligste van allen. Zijn naam is Menopha.
Hij was mijn leermeester. Hij zal u zeggen wat gij verlangt te
weten, en u het middel aan de hand doen om mij te genezen. Ontbied
hem.
* * * * *
--Spreek, zeide Oretes tot Menopha in het paleis te Memphis. En
Menopha antwoordde: Machtige koning, als gij nog jong waart zou ik
niet antwoorden, omdat mijn leven mij nog lief is. Nu echter wil ik
u zeggen dat de koningin de straf voor eene misdaad draagt.
--Een misdaad! riep Oretes toornig.
--Ja, aan haarzelve begaan. Nenehofra groeide op onder mijne oogen
en maakte mij deelgenoot van al hare geheimen, onder anderen, dat
zij Barbec, den zoon van haar vaders tuinier, beminde. Met die
liefde in het hart kwam zij tot u, o koning. Aan die liefde sterft
zij.
--Waar is de zoon van dien tuinier?
--In Essouan.
De koning ging naar buiten en gaf twee bevelen. Tot een zijner
dienaren zei hij: Ga naar Essouan en breng mij een jongeling,
genaamd Barbec. Gij zult hem vinden in den tuin van den vader der
koningin.
En tot de anderen dienstknecht zeide hij: Verzamel eenige
werklieden en gereedschap en maak op het meer Chemnis een eiland,
dat, voorzien van een tempel, een paleis, een lusthof met
vruchtdragende boomen, een wijngaard, drijven kan waarheen de
winden waaien. Laat het gereed zijn tegen afnemende maand.
Tot de koningin zeide hij: Schep moed. Ik weet alles en heb om
Barbec gezonden.
Nenehofra kuste zijne handen.
--Gij zult hem hebben, vervolgde Oretes, en hij u, en niemand zal u
storen, een geheel jaar lang.
Zij viel aan zijne voeten. Hij hief haar op en kuste haar, en de
rozen keerden weer op hare wangen, en de lach kwam terug op hare
lippen.
* * * * *
Een geheel jaar woonden Nenehofra en Barbec, de tuinier, op het
drijvend eiland. Geen oord zoo bekoorlijk. Een geheel jaar zonder
iemand te zien, opgaande in elkander. Toen keerde Nenehofra naar
het paleis te Memphis terug.
--Welnu, van wien houdt gij het meest? vraagde Oretes.
Zij kuste hem op de wang en zeide: Neem mij terug, goed koning,
want ik ben genezen.
Oretes lachte hartelijk in weerwil van zijne honderdveertien jaren.
--Dan is dus waar wat Menopha zeide! Hahaha! 't Is waar. Liefde
wordt door liefde genezen.
--Zoo is het, zeide zij.
Plotseling veranderde hij van houding. Zijn aangezicht was
vreeselijk om te zien.
--Zoo heb ik het niet bevonden, zeide hij.
Nenehofra deinsde verschrikt achteruit.
--Misdadige, zeide de koning. De beleediging Oretes, den man,
aangedaan, kan hij u vergeven; maar de beleediging Oretes, den
koning, aangedaan, moet gestraft worden.
Zij wierp zich voor zijne voeten.
--Stil! zeide hij. Gij zijt dood.
Hij klapte in de handen ... een akelige processie trad binnen,
parschieten of balsemers, ieder met een attribuut van zijne
afschuwelijke kunst in de hand.
De koning wees op Nenehofra, en zeide: Zij is dood. Doet uw werk.
* * * * *
Nenehofra, de schoone, werd na tweeënzeventig dagen naar de crypt
gedragen, een jaar te voren voor haar uitgekozen, en daar bij hare
koninklijke voorgangsters neergelegd. Maar er werd geen plechtige
ommegang ter harer eere gehouden op het heilige meer.
* * * * *
Toen Iras zweeg zeide Ben-Hur, die zich aan hare voeten had neergevlijd:
Menopha had ongelijk.
--Hoezoo?
--Liefde leeft door lief te hebben.
--Dan zou er dus geen middel tegen zijn?
--Jawel. Oretes heeft het gevonden.
--Welk dan?
--De dood.
--Gij zijt een goed hoorder, zoon van Arrius.
Onder meer dergelijke gesprekken en verhalen vlogen de uren voorbij.
Toen zij eindelijk aan wal stapten zeide zij: Morgen gaan wij naar de
stad.
--Maar gij komt bij de wedrennen?
--Zeker.
--Ik zal u mijne kleur zenden.
Daarmee scheidden zij.
* * * * *
VIERDE HOOFDSTUK.
DE BRIEF IS ONDERSCHEPT.
Ilderim keerde den volgende dag tegen de derde ure naar den dowar terug.
Toen hij van zijn paard steeg, trad een zijner mannen naderbij en zeide:
Sheik, mij is opgedragen u dit pak te overhandigen met verzoek het
dadelijk te lezen.
Ilderim nam het pakje aan en zag dat het zegel reeds verbroken was. Het
opschrift luidde: Aan Valerius Gratus te Cesarea.
--Lucifer hale hem! bromde de Sheik, toen hij zag, dat de brief in het
Latijn geschreven was. Grieksch en Arabisch schrift kon hij lezen; maar
van dezen brief in Romeinsche letters kon hij alleen den naam: Messala,
ontcijferen.
--Waar is de jonge Jood? vraagde hij.
--Naar het veld, met de paarden, antwoordde een bediende.
De Sheik deed den brief in den omslag, stak het pak tusschen zijn
gordel, en steeg weer te paard. Op dat oogenblik verscheen een
vreemdeling, die oogenschijnlijk van de stad kwam.
--Ik wilde gaarne Sheik Ilderim, den Edelmoedige, spreken, zeide hij.
Taal en kleeding verrieden den Romein.
Al kon hij het schrift der Romeinen niet lezen, hunne taal kon hij
spreken. Dus antwoordde de Arabier op waardigen toon: Ik ben Sheik
Ilderim.
--Ik heb gehoord, dat gij een menner zoekt voor de wedrennen, zeide de
vreemdeling.
--Ga uws weegs. Ik ben reeds voorzien, sprak de Sheik, en maakte zich
gereed om weg te rijden; maar de man draalde nog en zeide: Sheik, ik ben
een liefhebber van paarden. Men zegt dat de uwe alle andere in schoonheid
overtreffen.
De oude man was getroffen. Hij trok den teugel aan, alsof hij op het
punt stond van voor de vleierij te zwichten; maar na korte weifeling
hernam hij: Niet vandaag, niet vandaag. Op een anderen keer zal ik ze u
laten zien. Ik heb het nu te druk.
Hij reed naar het veld, terwijl de vreemdeling glimlachend naar de stad
terugkeerde. Hij had zijne opdracht vervuld.
Iederen volgende dag, tot aan den dag der wedrennen, kwam een man, soms
twee of drie, tot den Sheik in het Palmbosch, onder voorwendsel van zich
als menner te willen verhuren.
Op deze wijze hield Messala de wacht over Ben-Hur.
* * * * *
VIJFDE HOOFDSTUK.
BEN-HUR LEEST DEN BRIEF.
Den Sheik wachtte bedaard, totdat Ben-Hur na volbrachten arbeid de
paarden een oogenblik rust gaf.
--Van avond, Sheik, heb ik met Sirius afgedaan. Morgen zal ik den wagen
nemen, zeide de jonkman.
--Dan reeds? vraagde Ilderim.
--Ja, met zulke schrandere dieren is men spoedig zeker van zijne zaak.
Deze hier, Aldebaran, is de vlugste. Antares is de langzaamste. Toch zal
hij winnen; want, Sheik, hij kan den ganschen dag rennen en tegen
zonsondergang zijn grootste snelheid ontwikkelen.
--Dat is zoo, zeide Ilderim.
--Eén ding echter vrees ik. In zijne begeerte om de zege te behalen
schroomt een Romein niet de eer te bevlekken. Bij al hunne spelen zijn
zij volleerd in streken en niet het minst bij wedrennen met wagens. Als
zij paarden, menner, of wagen kunnen benadeelen of beschadigen, zullen
zij het niet laten. Daarom, goede Sheik, zie wel toe! Laat, totdat de
wedrennen gehouden zijn, uwe paarden aan geen enkel vreemdeling zien.
Wilt gij volkomen veilig wezen, laat hen dan geen minuut alleen. Volgt
gij mijn raad, dan behoeven wij ons over den uitslag niet te bekommeren.
Bij de deur der tent stegen zij af.
--Uw wens zal geschieden, zoon van Arrius. Niemand zal hen genaken
behalve mijne getrouwen. Dezen nacht zal ik wachten uitzetten. Maar zie
eens hier en help mij met uw Latijn.
Hij gaf den brief en noodigde hem naast zich op den divan. Daar, zeide
hij, lees, en lees overluid. Vertaal het in de taal uwer vaderen. Latijn
is mij een gruwel.
Ben-Hur gevoelde zich zeer opgewekt en begon zonder erg te lezen:
Messala aan Gratus.... Hij hield op. Een bang voorgevoel deed hem koud om
't hart worden. Ilderim merkte zijne ontroering op.
--Hoe nu? Ik wacht.
Ben-Hur verontschuldigde zich en begon opnieuw.
De lezer heeft reeds begrepen, dat een der door Messala afgezonden
koeriers aangehouden was en het duplicaat van den brief aan Gratus zich
thans in handen van Ben-Hur bevond.
Toen hij aan de zinsnede gekomen was, waar Messala het geheugen van
Gratus zocht te hulp te komen, beefde zijne stem. Tot tweemalen zelfs
moest hij ophouden om zijne zelfbeheersching te herwinnen. Met
inspanning van alle krachten las hij verder: Voorts herinner ik u de
wijze maatregelen, die gij genomen hebt, om ons doel te bereiken: het
stilzwijgen en een zekeren maar natuurlijken dood van de betrokken
personen.
Hij kon het niet langer uithouden. De brief viel op den grond en hij
bedekte zijn gelaat met beide handen.
--Zij zijn dood ... dood. Ik alleen ben overgebleven, steunde hij.
De Sheik had hem zwijgend en met deelneming gadegeslagen. Nu stond hij
op en zeide: Zoon Van Arrius, ik moet u om vergeving vragen. Lees den
brief voor uzelf. Als gij u sterk genoeg voelt om mij het overige mede
te deelen, doe het mij dan weten, en ik zal terugkeeren.
Zoodra hij alleen was wierp Ben-Hur zich op den divan en gaf zich aan
zijne droefheid over. Toen hij wat bekomen was nam hij den brief weder
ter hand en hervatte de lezing. Gij zult u herinneren, zoo luidde het
verder, welke straf gij de moeder en de zuster van den booswicht hebt
opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek van u te mogen vernemen,
of zij nog leven, dan wel of zij gestorven zijn ... Ben-Hur sprong op, of
zij dood zijn! Hij weet het niet! Gezegend zij de naam des Heeren! Nog
is er hoop.--Bemoedigd las hij den brief ten einde. Zij zijn niet dood,
zeide hij eenige oogenblikken peinzens, zij zijn niet dood, anders zou
hij er van gehoord hebben.
Een tweede lezing bevestigde hem in zijne meening. Daarna zond hij om
den Sheik.
--Toen ik in uwe gastvrije tent kwam, zeide hij, zoodra zij weder te
zamen waren, had ik mij voorgenomen niet meer van mijzelven te
vertellen, dan noodig was om u te doen zien, dat gij mij uwe paarden
gerust kondt toevertrouwen. Maar nu ik, op eene voor mij onverklaarbare
wijze, dezen brief in handen moest krijgen, voel ik mij gedrongen u met
mijn verleden bekend te maken. Ik word in dit voornemen versterkt door
den inhoud van dit schrijven, waaruit ik zie dat dezelfde vijand ons
beiden bedreigt. Wij zullen ons gezamelijk tegenover hem moeten stellen.
Ik zal u den brief voorlezen en verklaren. Dan zal u duidelijk worden
waarom ik straks mijne zelfbeheersching verloor, en mij in uwe oogen
misschien kinderachtig aanstelde.
De Sheik bewaarde het stilzwijgen en luisterde aandachtig, totdat
Ben-Hur aan de zinsnede kwam, die hèm betrof: Gisteren zag ik den Jood
in het park van Daphne, en als hij daar op dit oogenblik niet is, dan is
hij toch zeker in de buurt, om mij gemakkelijk te maken hem in 't oog te
houden. Ja, indien gij mij vraagdet: waar denkt gij dat hij is? dan zou
ik uit volle overtuiging zeggen: Hij is in het Palmbosch, in de tent van
Sheik Ilderim, den verrader.
--Verrader!... Ik? riep de oude man opstuivende.
--Nog even geduld, Sheik. Dat is Messala's gevoelen. Hoor zijn
bedreiging: in de tent van Sheik Ilderim, den verrader, die ons niet
veel langer moet mogen trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien
Maxentius, als eerste krijgsoperatie, den Arabier inscheept naar Rome.
--Naar Rome! Mij? Ilderim ... Sheik van tienduizend gewapende ruiters!
Mij naar Rome inschepen!
Hij sprong van zijne zitplaats op en riep in ziedenden toorn: Wanneer,
o wanneer zal aan deze onbeschaamdheid een einde komen? Ik ben een vrij
man. Vrij is mijn volk. Moeten wij als slaven sterven? Of erger nog,
moet ik als een hond aan mijn meesters voeten kruipen? Moet ik zijne
hand likken uit vrees voor slaag? Wat het mijne is zou het mijne niet
zijn? Ik zou een Romein moeten danken, dat ik mag adem halen? O, dat ik
nog jong was! O, kon ik twintig jaren van mijn leeftijd afdoen ... of
tien ... of vijf!
Knarsetandend en met de handen zwaaiend liep hij heen en weer, bleef
toen eensklaps voor Ben-Hur staan, en vatte hem met sterken greep bij
den schouder.
--Indien ik in uwe plaats was, zoon van Arrius, even jong als gij, even
sterk, even geoefend in den krijg, had ik een drijfveer, die mij tot
wraak aanzette, een beweegreden als de uwe, die wraak tot een heiligen
plicht maakt--weg met alle geheimzinnigheid tusschen u en mij! Zoon van
Hur, zoon van Hur, ik zeg....
Bij het hooren van zijn waren naam stolde Ben-Hur het bloed in de
aderen. Ontzet, verbaasd, zag hij den Arabier aan.
--Zoon van Hur, ik zeg u, indien ik was als gij, indien ik zulk een
groot onrecht had te wreken en zulke herinneringen met mij moest
omdragen, ik zou niet willen, niet kunnen rusten. Bij al mijn eigen
grieven zou ik die van de geheele wereld voegen, en mijzelven aan de
wraak wijden. Van land tot land zou ik trekken om de menschen wakker te
schudden. Geen vrijheidsoorlog, waar ik niet deel aan nam. Geen strijd
tegen Rome, waarbij ik niet in de voorste rijen stond. Ik zou mij
desnoods bij de Parthen aansluiten. Indien het mij aan soldaten ontbrak,
ik zou het toch niet opgeven--hahaha! Bij den luister van Salomo! ik zou
tot de wolven gaan! Van leeuwen en tijgers zou ik vrienden maken, in de
hoop dat ik ze tegen den gemeenschappelijken vijand zou kunnen
aanvoeren. Ik zou mij van ieder wapen bedienen. Ik zou geen kwartier
vragen en geen kwartier geven! Alles wat Romeinsch was zou ik met vuur
verdelgen. Al wie Romein van geboorte was zou ik met het zwaard dooden.
Des nachts zou ik de goden bidden, de goede en de kwade evenzeer, mij
hunne verschrikkingen bij te zetten: stormen, droogte, hitte, koude, en
al de namelooze vergiften, die zij in de lucht loslaten, al de duizend
oorzaken, waardoor de menschen ter zee en te land omkomen. O, ik zou
niet kunnen slapen. Ik ... ik....
De Sheik hield op uit gebrek aan adem. Ben-Hur had, om de waarheid te
zeggen, slechts met een half oor geluisterd naar die hartstochtelijke
ontboezemingen. Voor de eerste maal in vele jaren had de jongeling zich
bij zijn waren naam hooren toespreken. Eén mensch kende hem dus. Eén ten
minste geloofde hem zonder naar bewijzen te vragen, en die eene was een
Arabier uit de woestijn!
Hoe kwam de man aan deze wetenschap? Door den brief? Die sprak wel is
waar iets van de wreedheden, waardoor zijn geslacht te gronde was
gericht, die verhaalde van zijne geschiedenis, maar de Sheik was in een
veel te opgewonden stemming geweest om de gevolgtrekking te hebben
kunnen maken. Neen, iemand anders moest hem hebben ingelicht. Uitwendig
kalm vraagde hij: Goede Sheik, zeg mij, hoe komt gij aan dezen brief?
--Mijne lieden bewaken de wegen tusschen de steden, antwoordde Ilderim.
Zij ontnamen hem een koerier, die van Antiochië kwam.
--Weet men, dat zij in uw dienst zijn?
--Neen, in de oogen der wereld zijn zij roovers, die ik te vangen en te
dooden heb.
--Sheik, gij noemdet mij zoon van Hur, mijn vaders naam. Ik wist niet
dat iemand hier mij kende. Vanwaar kent gij mij?
Ilderim antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij: Ik ken u, maar ik
heb voor 't oogenblik geen vrijheid om u meer te zeggen.