Op dit oogenblik brachten eenige slaven groote kannen wijn, schalen met

vruchten en confituren, en weer anderen bekers van allerlei model, het

grootste gedeelte van zilver. Dat gezicht bracht Messala weer op dreef.

Hij sprong op een stoel. Mannen van den Tiber, riep hij met luide stem,

laat ons het wachten op onzen veldheer veranderen in een feest ter eere

van Bacchus. Wien kiest gij tot voorzitter?

Drusus stond op. Wien anders dan den gastheer zelf? vraagde hij.

Spreekt, Romeinen.

Een luid gejuich was het antwoord.

Messala nam den krans van zijn hoofd, reikte hem aan Drusus over, die op

de tafel sprong, en hem ten aanschouwe van allen weer plechtig op het

hoofd van Messala zette, waardoor hij hem tot voorzitter kroonde.

--Te gelijk met mij, zeide hij, zijn eenige vrienden in de kamer

gekomen, die juist van tafel waren opgestaan. Breng volgens oud gebruik

dengene hier, die het meest door den wijn bevangen is.

Eenige stemmen antwoordden: Hier is hij! Hier!

En van den grond, waar hij neergezegen was, werd een knaap opgebeurd,

zoo schoon van gelaat, dat hij voor den wijngod zelven kon doorgaan,

maar de kroon zou hem van 't hoofd zijn gevallen, en de staf uit zijne

hand.

--Zet hem op de tafel, beval de voorzitter.

Men gehoorzaamde, maar de knaap zakte ineen.

--Ondersteun hem, Drusus!

Drusus nam de slaper in zijn armen en hield hem overeind.

Nu sprak Messala onder diep stilzwijgen tot den bezwijmde: O Bacchus,

grootste der goden, wees ons hedennacht goedgunstig. In mijnen naam en

in dien mijner metgezellen beloof ik dezen krans aan uw altaar in het

Park van Daphne.

Hij maakte een diepe buiging, zette den krans weer op, ontblootte de

dobbelsteenen, bekeek ze, en zeide lachend: Ziehier Drusus, bij den ezel

van Silenus, de denarie is voor mij!

Een oorverdoovend gejubel deed de zaal op hare grondvesten daveren, ...

het drinkgelag nam een aanvang.

Noot: [2] Dun houten blaadje, met was bestreken, waar men met een stift

op schreef.

* * * * *

DERTIENDE HOOFDSTUK.

IN DE TENT.

Sheik Ilderim was een te gewichtig man om met een klein gevolg te

reizen. Hij had, als de aanzienlijkste en oudste onder de vorsten der

woestijn, den naam van zijnen stam weten op te houden. In de steden gold

hij voor een der rijkste grondbezitters, en daar hij werkelijk zeer rijk

was in geld, zoowel als in slaven, kameelen, paarden en groot en klein

vee, voerde hij gaarne een hoogen staat, die hem niet alleen in aanzien

deed stijgen bij vreemden, maar zijne ijdelheid streelde en hem allerlei

gemakken aanbracht.

Al spraken wij van zijne tent in het Palmbosch, in werkelijkheid had hij

er een _dowar_, dat wil zeggen, hij had drie groote tenten: eene voor

zich, eene voor bezoekers, eene voor zijne meestgeliefde vrouw en hare

bedienden; en zeven kleinere voor zijne slaven en zijne lijfwacht,

sterke dappere mannen, goed vertrouwd met boog, speer en paarden.

Hoewel hij in het Palmbosch natuurlijk veilig was, had hij, daar men

wijs doet met zich aan de gewone orde te houden, de door de tenten

begrensde ruimte voor zijne koeien, kameelen en geiten bestemd, en voor

zulke bezittingen, die een leeuw of een dief in verzoeking konden

brengen.

Overal en ten allen tijde volgde Ilderim de gebruiken van zijn volk tot

in de kleinste bijzonderheden; dientengevolge was zijn leven in het

Palmbosch eene voortzetting van zijn leven in de woestijn, een echt

aartsvaderlijk leven--het herdersleven van het oude Israël.

Op den morgen zijner aankomst in het Palmbosch had Ilderim de karavaan

doen stilhouden en een speer in den grond gestoken, zeggende: Hier, sla

hier mijne tent op. De opening naar het Zuiden, het meer vóór ons, en

deze kinderen der woestijn tot een beschutting boven ons hoofd, als wij

bij zonsondergang de avondkoelte willen genieten.

Bij deze laatste woorden ging hij naar drie zware palmboomen en klopte

tegen hun bast, zooals hij zijne paarden op den nek geklopt zou hebben.

Wie anders dan de Sheik had het recht om der karavaan: halt toe te

roepen, of van de tent te bevelen: hier worde zij opgeslagen?--De speer

werd uit den grond gerukt, en in de gemaakte opening de eerste paal voor

de tent geplant, het middenschot voor de groote voordeur. Vervolgens

werden acht andere palen ingeslagen, in het geheel drie rijen palen,

telkens drie op een rij. Toen werden de vrouwen en kinderen geroepen, om

het tentedoek te ontpakken. Niemand anders dan de vrouwen mochten dat

doen, want waren zij het niet, die de bruine geiten der kudden

geschoren, het haar tot een draad gesponnen, dien draad tot doek

geweven, en de doeken aaneengenaaid hadden, om tot een dak te dienen,

donkerbruin, in werkelijkheid maar op een afstand zwart als de tenten

van Kedar? Hoe vroolijk spande ten besluite het gezamenlijk

dienstpersoneel van den Sheik het tentedoek van paal tot paal, de pinnen

inslaande en de koorden vastmakende, daar waar het behoorde! En als

eindelijk de matten wanden opgericht en bevestigd waren, in welke

angstige spanning werd dan het oordeel van den meester afgewacht! Hoe

gelukkig waren zij, toen hij, na alles van binnen en van buiten bekeken

te hebben, goedkeurend knikte en vriendelijk zeide: Goed gedaan! maakt

nu den dowar in orde naar uw beste weten en hedenavond zullen wij het

brood met arak besproeien, en de melk met honing verzoeten, en aan

iederen haard zal een bokje gebraden worden. Wij zullen geen gebrek

hebben aan zoet water, want het meer is onze bron; de lastdieren en de

kudde zullen niet hongeren, want hier is overvloed van groen gras. God

zij met u, kinderen! Gaat aan 't werk.

Vroolijk trok de troep af, om hunne eigene tenten op te slaan. Een paar

bleven achter om de tent van den Sheik te meubileeren: de mannen spanden

een gordijn langs de middelste palenrij, waardoor de tent in tweeën

gedeeld werd, de eene helft voor den Sheik, de andere voor zijn paarden,

de afstammelingen van Salomo's renners. Tegen den middelsten paal werd

het wapenrek opgesteld, en met speren, bogen, pijlen en schilden

behangen; bovenop het zwaard van den meester, welks gevest schitterde

van edelsteenen. Aan het eene eind van het rek hingen zij de tuigen der

paarden, aan het andere de kleederen van den meester: zijn wollen en

linnen gewaden, tunica's en broeken, en zijn vele kleurige tulbanden.

Intusschen hielden de vrouwen zich onledig met het ontpakken van den

divan. In den vorm van een hoefijzer, de opening naar de deur gekeerd,

stelden zij hem op, bedekten hem met kussens en peluwen, en hingen er

gordijnen om. Rondom den divan legden zij een karpet, en in de

binnenruimte evenzoo, tot aan de deur der tent. Toen vulden zij de

kannen en kruiken met water en hingen de lederzakken met arak op. Welk

Arabier zou Sheik Ilderim niet gelukkig prijzen in zijne tent bij het

zoetwatermeer, onder de schaduw der palmen van zijn erfdeel!

In de hier beschreven tent hebben wij Ben-Hur verlaten.

De bedienden stonden reeds gereed om de bevelen des meesters te volgen.

Een van hen ontbond zijne sandalen, een ander die van den bezoeker.

Vervolgens hielpen zij de beide ruiters zich ontdoen van hunne bestoven

kleeren, en een frisch wit linnen gewaad aantrekken.

--Kom mede en rust, zeide de gastheer hartelijk in het Hebreeuwsch, en

geleidde hem naar den divan.

--Ik ga hier zitten, en mijn gast daar, zeide hij tot eene dienstmaagd,

die zich aanstonds beijverde de kussens op te schudden en goed te

leggen, waarna de beide mannen op den divan plaats namen en zich de

voeten lieten wasschen met frisch water uit het meer.

--Een onzer spreekwoorden in de woestijn luidt, dat een goede eetlust de

belofte is van een lang leven, zeide Ilderim. Hoe staat het met den uwe?

--Daarnaar berekend, goede Sheik, zal ik honderd jaar kunnen leven. Ik

ben een hongerige wolf aan uwe deur, antwoordde Ben-Hur.

--Welnu, ik zal u niet als een wolf wegzenden. Ik zal u het beste van

mijn kudde voorzetten.

Ilderim klapte in de handen, waarop een bediende binnentrad.

--Ga naar den vreemdeling in de bezoekerstent en zeg, dat ik, Ilderim,

hem toebid, dat zijn vrede bestendig moge zijn, als het stroomen der

wateren.

De man boog zich.

--Meld hem verder, vervolgde de Sheik, dat ik nog een gast heb

meegebracht om brood mede te breken. Als Balthasar, de wijze, het maal

met ons wil deelen, zullen wij met ons drieën wezen, en het deel der

vogelen zal er niet kleiner om zijn.

De man ging heen.

--Laat ons thans rust nemen, zeide de Sheik en maakte het zich

gemakkelijk op den divan. Ben-Hur volgde zijn voorbeeld, en toen hij

gereed was, vervolgde de Sheik op ernstigen toon: Dat gij mijn gast

zijt, van mijn wijn gedronken hebt, en straks met mij eten zult, mag mij

niet verhinderen u te vragen: Wie zijt gij?

--Sheik Ilderim, zeide Ben-Hur, kalm den onderzoekenden blik van den

grijsaard doorstaande, ik bid u, meen niet dat ik uw billijke vraag

ontwijken wil; maar was er in uw leven nooit een tijd, waarin de

beantwoording van zulk een vraag een misdaad zou geweest zijn jegens uwe

ouders?

--Bij Salomo's heerlijkheid, ja, antwoordde Ilderim. Zelfverraad is in

sommige gevallen even laag, als het verraden van een geheelen stam.

--Dank, goede Sheik! Nooit kwam er beter antwoord uit uwen mond. Nu weet

ik, dat gij slechts de zekerheid verlangt te hebben, dat gij uw

vertrouwen niet aan een onwaardige zult schenken en dat die zekerheid

van meer belang voor u is, dan mijne levensgeschiedenis.

De Sheik boog het hoofd. Ben-Hur haastte zich van deze stemming partij

te trekken en zeide: Voor alle dingen wil ik u mededeelen, dat ik geen

Romein ben, zooals mijn naam u zou doen denken.

Ilderim zag zijnen gast oplettend aan.

--Vervolgens dat ik een Israëliet ben uit den stam van Juda. Dat niet

alleen. Ik ben een Jood en koester een wrok tegen Rome, waarbij de uwe

slechts kinderspel is.

De grijsaard plukte zenuwachtig aan zijn baard en trok de wenkbrauwen

samen.

--Nog meer; ik zweer u, Sheik Ilderim, ik zweer u bij het verbond, dat

de Heer met mijne vaderen gemaakt heeft, als gij mij helpen wilt de

wraak te nemen, die ik zoek, dan zullen de uitgeloofde prijs en de eer

bij de wedrennen de uwe zijn.

Ilderim hief het hoofd op, zijn oogen straalden; men kon zien dat het

voorstel hem toelachte.

--Genoeg, zeide hij. Als aan den wortel uwer tong een leugen verborgen

ligt, zou Salomo zelf niet veilig voor u geweest zijn. Dat gij geen

Romein zijt, dat gij als Jood een wrok tegen Rome hebt en wraak wil

nemen, geloof ik. Maar hoe staat het met uwe vaardigheid? Welke

ondervinding hebt gij in wedrennen met wagens? En de paarden--kunt gij

ze aan uwen wil onderwerpen, zoodat zij u kennen, zoodat zij komen als

gij ze roept, loopen, rennen als gij het beveelt, met inspanning van

alle krachten tot bezwijkens toe, om hen dan in het beslissend oogenblik

te bezielen tot een laatste inspanning, de krachtigste van alle, die tot

overwinning voert? Die gave, mijn zoon, is niet ieder gegeven. Ik heb

een koning gekend, die over millioenen menschen heerschte, maar zich

niet de achting van een paard kon verwerven. Begrijp mij wel, ik spreek

niet van gewone dieren, wier taak is te slaven voor slaven; wier bloed

verbasterd werd, wier geheele uiterlijk het innerlijk teekent:

geestelijk dooden. Neen, ik spreek van renpaarden als de mijne, koningen

in hunne soort, wier stamboom opklimt tot in de stoeterijen van den

eersten Pharao, mijne makkers en vrienden, medebewoners van mijne tent,

die door een langdurig verkeer met mij opgevoerd zijn tot een ongekende

hoogte, wier instinct aan eens menschen verstand gelijk is geworden,

wier zintuigen met onze ziel gelijk staan, die evenals wij eerzucht,

liefde, haat, tegenzin kennen; helden in den krijg, kinderen in

vertrouwen. Hallo, hier!

Een bediende trad naar voren.

--Laat mijn Arabieren binnenkomen!

De man trok het gordijn in het midden der tent open, waardoor een

groepje paarden zichtbaar werd, die een oogenblik aarzelden en staan

bleven, alsof zij niet zeker waren van de noodiging.

--Komt, zeide Ilderim, waarom blijft ge staan? Wat heb ik dat niet het

uwe is? Komt, zeg ik.

Zij kwamen langzaam nader.

--Zoon van Israël, zeide hun meester, uw Mozes was een groot man; maar,

ha, ha, ha! ik moet lachen wanneer ik bedenk, dat hij uwe vaderen

toestond den trekos en den ezel te gebruiken, maar hun verbood paarden

in eigendom te bezitten. Denkt gij, dat hij dat gedaan zou hebben, als

hij dezen en dien, en dien daar gezien had?

Zoo sprekend legde hij zijne hand op den naastbijstaanden Arabier en

liefkoosde hem met onbeschrijfelijke teederheid.

--Dat is een misverstand, Sheik, een misverstand, zeide Ben-Hur

levendig. Mozes was een krijgsman, zoowel als de van God beminde

wetgever, en zou hij dan geen paarden gehad hebben?

Een welgevormde kop met groote zachte oogen, zacht als die eener ree,

half verborgen door de dikke voorhoofdlokken, vlijde zich bijna tegen

hem aan, neusgaten en bovenlip in gestadige beweging, alsof zij vragen

wilde: Wie zijt gij?

Ben-Hur herkende een van het vierspan uit het renperk en stak het

schoone dier zijn open hand toe.

--Zij zullen u zeggen, de lasteraars, mogen hunne dagen verkort worden,

sprak de Sheik heftig, zij zullen u zeggen, dat onze paarden afkomstig

zijn van de Niseïsche velden in Perzië. God gaf den Arabier een

onmetelijke zandvlakte, met eenige kale bergen en hier en daar een bron

van bitter water, en zeide tot hem: Zie uw land! En toen de arme man

klaagde, erbarmde de Almachtige zich over hem en zeide: Wees goedsmoeds!

want Ik zal u zegenen boven anderen. De Arabier hoorde het, dankte, en

ging vol vertrouwen den beloofden zegen zoeken. Eerst reisde hij langs

de grenzen, maar tevergeefs. Toen maakte hij zich een pad door de

woestijn en ging voort, altijd verder, totdat hij in het hart der

wildernis een vruchtbaar eiland vond, liefelijk om te zien, en op dat

eiland graasden een kudde kameelen en een kudde paarden! Hij nam ze

vroolijk tot zich en verzorgde ze met de grootste oplettendheid, als de

beste gave Gods. En van dat groene eiland stammen alle paarden, die op

aarde te vinden zijn, ook die van de Neseïsche weilanden. Zelfs naar het

Noorden verspreidden zij zich, tot aan de vreeselijke valleien, die

voortdurend geteisterd worden door stormwinden uit de zee. Twijfel niet

aan de waarheid van dit verhaal. Is het niet waar, moge dan geen enkele

amulet meer van kracht zijn voor een Arabier. Maar wacht, ik zal u de

bewijzen voorleggen.

Hij klapte in de handen.

--Breng mij de registers van den stam, zeide hij tot den binnentredenden

slaaf.

Onder het wachten speelde hij met de paarden, liefkoosde hen, streek

hunne manen glad, en gaf ieder van hen een bewijs zijner gunst. Weldra

verschenen zes mannen met zes cederhouten kisten, die zij voor den Sheik

nederzetten.

--Neen, zeide Ilderim, dat bedoelde ik niet. Alleen het stamboek van de

paarden,--deze kist. Open die en zet de andere weg.

De kist werd geopend. Haar inhoud bleek te bestaan uit een massa ivoren

tafeltjes, door ringen van zilverdraad bijeengehouden, en daar de

tafeltjes zoo dun waren als glas, hield iedere ring verscheidene

honderdtallen.

--Ik weet, mijn zoon, zeide Ilderim, met welke zorg de schriftgeleerden

in den tempel van de Heilige Stad de namen der jonggeboornen opschrijven

en bewaren, opdat ieder Israëliet zijn geslachtslijst kan narekenen, al

klom zij ook op tot voor den tijd der patriarchen. Mijne vaderen, moge

hun aandenken altijd groen blijven! oordeelden het niet zondig dat

denkbeeld over te nemen en op hun stomme dienaren toe te passen. Bezie

die tafeltjes!

Ben-Hur nam een der ringen, en spreidde de tafeltjes uit. Zij waren vol

met Arabische hiëroglyphen, die er met de gloeiende punt van een metalen

staafje ingebrand waren.

--Kunt gij ze lezen, zoon van Israël?

--Neen. Wil mij hare meening verklaren.

--Weet dan: ieder tafeltje draagt den naam van een rasveulen, en wel van

een, dat vele eeuwen geleden in onzen stam geboren werd, benevens de

namen van zijne ouders. Bezie ze nauwkeurig en let er op hoe oud zij

zijn, des te gemakkelijker zal het u vallen te gelooven wat ik zeg.

Sommige tafeltjes waren bijna afgesleten, alle waren geel van ouderdom.

--In die kist bewaar ik de geschiedenis van dit viertal. Ik kan u met de

stukken bewijzen uit welken stam zij gesproten zijn; zie, hoe die eene

uwe aandacht zoekt te trekken en om een liefkoozing vraagt! Zooals deze

thans tot ons komen, kwamen hunne vaders vele eeuwen her tot mijne

vaderen in hunne tent, om uit de hand hunner heeren hunne maat gerst te

ontvangen en toegesproken te worden als kinderen, en op eigenaardige

manier hun dank te betuigen. En nu, zoon van Israël, geloof mij vrij,

ben ik een vorst der woestijnen, zij zijn mijne eerste dienaren! Ontneem

ze mij en ik word een zieke gelijk, door de karavaan achtergelaten om te

sterven. Aan hen dank ik mijn onverminderd gezag op de groote heirwegen;

en dat zal stand houden, zoolang ik de kracht bezit om mij van hen te

bedienen. Ik zou u wonderen kunnen verhalen, door hunne voorzaten

verricht. Misschien doe ik het later wel eens; voor het oogenblik zij u

genoeg, dat zij bij een terugtocht nooit werden achterhaald, bij een

vervolging altijd slaagden. Vergeet echter niet, dat was in de woestijn

en onder 't zadel;... hoe het komt weet ik niet, maar mijn hart klopt

onrustig om hunnentwil. Zij zijn voor het eerst in 't gareel geweest en

wat is niet noodig om den prijs te behalen! Eerzucht, snelheid,

volharding bezitten zij. Vind ik iemand voor hen, dien zij als meester

kunnen erkennen, dan zullen zij den prijs behalen. Zoon van Israël, als

gij die man zijt, dan zweer ik u, dat gij den dag, die u hier bracht,

gelukkig zult noemen. Spreek nu voor uzelven.

--Nu begrijp ik, zeide Ben-Hur, waarom een Arabier na zijne kinderen

zijne paarden het liefst heeft, en ik begrijp ook waarom de Arabische

paarden van alle de beste zijn; maar, goede Sheik, ik wil niet dat gij

mij alleen naar mijne woorden beoordeelt, want gij weet het: beloften

van menschen kunnen falen. Stel mij morgen op de proef en laat mij uw

vierspan probeeren.

Ilderims gelaat straalde van genoegen. Hij wilde spreken, maar Ben-Hur

vervolgde: Nog een woordje, goede Sheik. Laat ik u dit mogen zeggen: In

Rome heb ik veel geleerd, waarvan ik niet dacht dat het mij ooit te pas

zou komen. Geloof mij, al zijn deze uwe zonen der woestijn ieder

afzonderlijk als de wind zoo vlug, zij zullen het onderspit delven, zoo

zij niet geleerd hebben gezamelijk in het gareel te loopen; want bedenk

dit, Sheik, van ieder viertal is een de vlugste en een de langzaamste.

Zoo was het vandaag. De menner kon den vlugste der vier niet krijgen tot

een verstandig samenwerken met den traagsten. Mijn proefneming zal

misschien niet beter uitvallen; maar in dat geval zal ik het u zeggen.

Kan ik er hen echter toe krijgen zich naar mijn wil te voegen, zoodat de

vier als één loopen, dan zijn de sestertiën en de lauwerkrans voor u, de

wraak voor mij. Wat dunkt u?

Ilderim had aandachtig geluisterd. Glimlachend zeide hij: Ik denk beter

van u, zoon van Israël. Wij hebben een spreekwoord: als gij het eten met

woorden kookt beloof ik u een oceaan van boter.--Morgen zult gij de

paarden hebben.

Op dat oogenblik was er beweging aan de achterdeur der tent. Ons

avondeten, zeide de Sheik, en mijn vriend Balthasar, met wien gij kennis

zult maken. Hij heeft eene geschiedenis te vertellen, die voor een

Israëliet allerbelangrijkst is.

Tot de knechts zeide hij: Neemt de kist weg, en brengt de paarden naar

hun vertrek.

En zoo geschiedde het.

* * * * *

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

ILDERIMS GASTMAAL.

Als de lezer zich den maaltijd van de drie wijzen in de woestijn nog

herinnert, zal hij zich gemakkelijk de toebereidselen in Ilderims tent

kunnen voorstellen. Het eenige verschil was: meer gerechten en betere

bediening.

Op het karpet voor den divan weren drie kleedjes gelegd en een gedekte

tafel neergezet. Tegen een der zijwanden werd een draagbare oven

geplaatst, onder toezicht van eene slavin, wier taak het was het

gezelschap van heete koeken te voorzien.

Intusschen was Balthasar naar den divan geleid, waar Ilderim en Ben-Hur

hem staande opwachtten. Hij droeg een ruim zwart overkleed en was

langzaam en statig in zijne bewegingen.

--Vrede zij u, mijn vriend, zeide Ilderim, vrede en welkom.

De Egyptenaar antwoordde: de zegen van God Almachtig, den eenigen waren

God, zij met u en de uwen.

Zijne manier van spreken maakte diepen indruk op Ben-Hur.

--Deze jonkman, Balthasar, zeide de Sheik, zijn hand op Ben-Hurs arm

leggend, zal hedenavond brood met ons breken.

De Egyptenaar zag den jonkman onderzoekend aan, waarop de Sheik

vervolgde: Ik heb hem beloofd, dat hij mijne paarden mag probeeren, en

als het goed gaat zal hij er in den circus mee optreden.

Balthasar staarde Ben-Hur zwijgend aan.

--Hij kwam met goede aanbevelingen, ging Ilderim voort, die niets van

dat zwijgen begreep. Overeenkomstig die aanbevelingen stel ik hem u voor

als den zoon van Arrius, den edelen Romeinschen duumvir, hoewel hijzelf

zich een Israëliet noemt uit den stam van Juda, en, bij mijn baard, ik

geloof wat hij zegt.

--Weet dan, edelmoedige Sheik, zeide Balthasar, dat mijn leven vandaag

in gevaar geweest is en ik hier niet zitten zou, zoo niet een jonkman,

het evenbeeld van dezen uwen gast, tusschenbeide getreden was en mij

gered had, toen alle anderen vloden.

Toen wendde hij zich tot Ben-Hur en vraagde: Waart gij dat niet?

--Wat zal ik u zeggen, zeide Ben-Hur bescheiden. Ik ben degeen die de

paarden van den onbescheiden Romein tot staan bracht, toen zij bij de

bron Castalia op uw kameel instormden. Uwe dochter gaf mij dezen beker.

Uit de plooien van zijn tunica bracht hij den beker te voorschijn en

overhandigde hem aan Balthasar.

Een glans van blijdschap kwam over het gelaat van de Egyptenaar. De Heer

heeft u vandaag tot mij gezonden, eerst bij de bron en nu hier, zeide

hij bewogen en reikte Ben-Hur de hand. Ik dank Hem, en dank gij Hem ook,

want door zijne genade kan ik u naar verdienste beloonen. De beker is de

uwe. Behoud hem.

Nu verhaalde Ben-Hur in antwoord op Ilderims vragenden blik het voorval

bij de bron.

--Wat! zeide de Sheik tot zijn jeugdigen gast. Daar hebt gij mij niets

van verteld, terwijl gij mij geen betere aanbeveling hadt kunnen

brengen. Ben ik niet een Arabier en Sheik van mijn stam van

honderdduizenden? En is Balthasar niet mijn gast? zoodat hetgeen gij aan

hem gedaan hebt, hetzij goed of kwaad, aan mij gedaan is? Waar zoudt gij

belooning zoeken, anders dan hier? En wiens hand moet u die geven, zoo

niet de mijne?

--Goede Sheik, ik bid u, spaar mij. Ik kwam niet om eene belooning, en

opdat zelfs de schijn niet op mij ruste, zoo weet dat ik uw geringsten

slaaf ter hulpe zou gesneld zijn, indien zulks noodig was geweest.

Hoe is uw naam ook weer? vraagde Balthasar. De Sheik noemde een

Romeinsche naam, niet waar?

--Arrius, de zoon van Arrius den duumvir.

--En toch zijt gij geen Romein?

--Mijn familie was Joodsch.

--Wat, zegt gij? Leven zij niet meer?

De vraag was eenvoudig en natuurlijk; maar gelukkig voorkwam Ilderim het

antwoord.

--Komt, zeide hij, de maaltijd is gereed.

Een oogenblik later zaten zij aan tafel, op Oostersche manier. Dienaren

brachten water en handdoeken, zij waschten zich de handen, toen gaf de

Sheik een teeken, en de Egyptenaar bad op plechtigen toon: Vader van

allen, God! Wat wij hebben is van U; neem onzen dank aan en zegen ons,

opdat wij mogen voortgaan met Uwen wil te doen.

De tafel was rijkelijk van het noodige voorzien: luchtige koeken, heet

van het vuur, groenten uit den moestuin, vleesch in verschillenden vorm,

geitenmelk, honing en boter, alles gebruikt zonder de toevoegselen der

hedendaagsche gewoonten: messen, vorken, lepels. Gedurende dit gedeelte

van den maaltijd werd weinig gesproken, want zij hadden honger. Maar

toen het dessert op tafel kwam werd het anders, en zij waren weldra in

een ernstig gesprek verdiept.

Onder zulk een gezelschap: een Arabier, een Jood, en een Egyptenaar,

allen geloovende aan éénen God, kon in die dagen slechts één onderwerp

van gesprek zijn; en wie van de aanzittenden moest als spreker optreden,

zoo niet hij, wien de Godheid bijna persoonlijk verschenen was, die haar

in de ster had leeren kennen, die hare stem had gehoord, en zoo

wonderbaar door den geest Gods geleid was? En waarvan zou hij spreken,

zo niet van datgene, waarvan hij geroepen was te getuigen?

* * * * *

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

GEHEIMENISSEN.

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 15 / 32 段