hij, toen het verhaal uit was. Niemand zou het kunnen verbeteren. En tot
welk volk meent gij dat hij behoort?
--Tot het volk van Israël, meester, tot den stam van Juda.
--Weet gij het zeker?
--Zeer zeker.
--Hij schijnt u niet veel van zijn leven verteld te hebben.
--Hij heeft geleerd voorzichtig te zijn. Eerst na zijn optreden bij de
Castaliabron werd hij vertrouwelijk.
--Een vervloekte plaats, die bron. Waarom ging hij er heen?
--Ik zou zeggen uit nieuwsgierigheid; maar toen hij er was, toonde hij
niet de minste belangstelling. Goede meester, de jonge man heeft een
verborgen kommer, en hij ging naar het Park, denk ik, zooals wij naar
het graf gaan met onze dooden--hij ging zijn kommer begraven.
--Niet onmogelijk, Malluch; maar de vloek van dezen tijd is
verspilzucht ... hebt gij daar iets van gemerkt? Pronkte hij met geld?
Met Romeinsche of Joodsche munten?
--Neen, meester.
--Maar Malluch, op de plaats die zooveel gelegenheid tot dwaasheid
geeft,... ik bedoel waar zooveel te eten en te drinken is, heeft hij u
zeker wel een en ander aangeboden?
--Hij heeft niet gegeten of gedronken, voordat wij in Ilderims tent
waren.
--Kondt gij uit wat hij zeide of deed opmaken wat zijn geheime drijfveer
is?
--Hoe bedoelt gij dat? vraagde Malluch.
--Wel, gij weet dat wij voor ons spreken en handelen, vooral bij
gewichtige aangelegenheden, een beweegreden hebben. Wat hebt gij te dien
opzichte bij hem opgemerkt?
--Daarop, meester Simonides, kan ik met zekerheid antwoorden. Hij wil
zijne moeder en zuster opsporen, dat allereerst. Dan heeft hij een wrok
tegen Rome, en daar die Messala van wien ik u vertelde iets met het hem
aangedane onrecht te maken heeft, wil hij niet rusten voordat hij hem
vernederd heeft. De ontmoeting bij de bron bood hem de gelegenheid, maar
hij liet die voorbijgaan, omdat ze hem niet publiek genoeg was.
--Die Messala heeft veel invloed, zeide Simonides.
--Ja, maar de volgende ontmoeting zal in den circus plaats vinden.
--Zoo ... en dan?
--De zoon van Arrius zal winnen.
--Hoe weet gij dat?
Malluch glimlachte en zeide: Ik oordeel naar wat hij zegt.
--Naar dat alleen?
--Neen, ook naar den geest, die hem bezielt.
--Inderdaad? Maar Malluch, beperkt hij zijn wraak tot de enkelen, die
hem onrecht aandeden, of tot het geheele volk? Meer nog, is die
wraaklust slechts een gril van een gevoeligen knaap, of is hij de
ingewortelde dorst naar wraak voortkomende uit een vertrapt mannenhart?
Gij weet, Malluch, het zinnen op wraak, dat alleen in den geest wortel
heeft geschoten, is een ijdele droom, die bij den eersten helderen dag
verdwijnt, terwijl de wraak, tot hartstocht geworden, een ziekte is, die
opklimt naar de hersenen, en zich met hart en geest beiden voedt.
Simonides had snel en met saamgeknepen handen gesproken, alsof hij de
kwaal, die hij beschreef, bij ondervinding kende.
--Goede meester, zeide Malluch, dat ik den jonkman voor een Israëliet
houd is allereerst om zijn gloeienden haat. Hij bedwong zich, maar toch
zag ik hem opvlammen, eerst toen hij weten wilde wat Ilderim tegen Rome
heeft, daarna toen ik hem van de drie mannen verhaalde, die den geboren
Koning der Joden zochten.
--Wat zeide hij dan? Zijn eigen woorden, Malluch!
--Hij wilde precies weten wat zij gezegd hadden: De Koning, of de
geboren Koning. Daar maakte hij onderscheid tusschen. Toen vertelde ik
hem wat Ilderim gezegd had: dat de koning komen zou om Rome te
verdelgen.--Het bloed steeg hem naar de wangen en hij zeide: Wie anders
dan een Herodes kan koning zijn, zoolang Rome Rome blijft?
Simonides zag een poos zwijgend voor zich en zeide toen: 't Is goed,
Malluch. Laat u wat te eten geven en maak u gereed om morgen naar het
Palmbosch te gaan. Gij moet den jongen man helpen zijn plan te
volvoeren. Ik zal u een brief aan Ilderim meegeven. Misschien, voegde
hij er zachtjes bij, zal ikzelf bij de wedrennen in den circus
verschijnen.
Malluch vertrok. Simonides dronk van de melk en scheen verruimd van zin
en opgewekt te zijn.
--Zet dat maar weg, Esther, en kom dan weer hier.
Het meisje gehoorzaamde.
--Wat is God goed voor mij, zeide hij op innigen toon. Zijn weg is in
het duister; maar somtijds staat Hij ons toe iets van zijne wegen te
begrijpen. Ik ben oud, lieve, en maak mij gereed om heen te gaan; maar
zie, ter zelfder ure, toen ik alle hoop had opgegeven, zendt Hij mij een
lichtstraal, die mij geheel opvroolijkt. Ik zie waarom ik dien bepaalden
weg heb moeten gaan. Een omstandigheid zoo groot, dat zij een
wedergeboorte voor de geheele wereld zal zijn, maakt het mij duidelijk.
Ik begrijp waarom mij zoo groote rijkdom geschonken werd, ik zie waartoe
hij bestemd is. Waarlijk, mijn kind, ik begin weer op te leven.
Esther vlijde zich tegen hem aan, alsof zij zijne gedachten weder bij
het tegenwoordige wilde bepalen.
--De koning is geboren, vervolgde hij op droomerigen toon, en moet
volwassen zijn. Balthasar zegt, dat hij een zuigeling was op moeders
schoot, toen hij hem zag en zijne geschenken aanbood, en Ilderim
beweert, dat het in December achtentwintig jaar geleden was, dat
Balthasar met zijne vrienden in de woestijn tot hem kwam. Lang zal de
koning dus niet meer toeven te komen. Vandaag, morgen kan het gebeuren!
Heilige vaders van Israël, welk eene gedachte! 't Is mij als hoor ik
oude muren kraken, als hoor ik het gejoel van een volslagen ommekeer; o!
en om alles te kronen scheurt de aarde vaneen, om Rome op te slokken. En
de volkeren zien het en lachen en zingen: Rome is gevallen en wij zijn
er nog!
Hij zweeg even, lachte genoegelijk en zeide: Wel, Esther, wat zegt gij
daarvan? Voorwaar, de geestdrift eens zangers komt over mij, de
bezieling van Mirjam en David. Mijne gedachten die zich bezig moesten
houden met cijfers en teekens, zijn vol van het geschal der cymbalen,
van harptonen, en het vreugdegejubel eener groote menigte, staande
rondom een nieuw opgerichten troon. Ik wil daar voor 't oogenblik niet
langer aan denken, alleen dit nog, lieve, als de koning komt zal hij
geld en mannen noodig hebben, want daar hij, evenals wij allen, van eene
vrouw geboren is, zal hij ten slotte een mensch zijn als wij,
onderworpen aan de menschelijke natuur, zooals gij en ik. Ziet gij nu
den weg, dien ik en de jonkman, onze meester, moeten loopen? Die weg
voert ons tot roem en wraak.
Esther bleef zitten en zweeg. Toen herinnerde Simonides zich, dat niet
alle menschen zich over hetzelfde verheugen kunnen,--hij herinnerde zich
dat hij tegen eene vrouw sprak.
--Waar denkt ge aan, Esther? vraagde hij op zijn gewonen toon. Als uwe
gedachten den vorm hebben van een wensch, zeg het mij dan, mijn kind,
terwijl ik nog de macht bezit om hem te vervullen. Want zij is
wispelturig, de macht, en houdt hare vleugelen altijd uitgebreid om zóó
weg te kunnen vliegen.
Zij antwoordde met bijna kinderlijken eenvoud: Laat hem halen, vader,
laat hem nog van avond halen, en laat hem niet naar den circus gaan.
--Aha! zeide hij op gerekten toon, en staarde op de rivier, waar de
schaduwen steeds donkerder werden, sedert de maan achter den Sulpius
gezonken was en de verlichting der stad overgelaten had aan het
twijfelachtig schijnsel der sterren. Zullen wij het zeggen, lezer?
Simonides was ijverzuchtig. Zou zij liefde hebben opgevat voor den
jongen meester? Neen, o neen, dat kon niet. Zij was nog te jong. Maar de
gedachte liet hem niet los, die mogelijkheid maakte hem koud en stil.
Zij was zestien jaar. Hij wist het heel goed. Op haar laatsten
verjaardag had zij hem begeleid naar de scheepstimmerwerf, waar een
nieuwe galei van stapel zou loopen, en op de gele vlag, die zoo lustig
in den wind wapperde, stond de naam Esther. Zoo hadden zij dien dag
samen gevierd. Zestien jaar, hij wist het heel goed, en toch trof het
hem als iets nieuws. Er zijn van die dingen, die ons, als wij ze goed
nadenken, pijnlijk aandoen, bij voorbeeld dat wij oud worden, dat wij
sterven moeten. Zulk een onbestemde pijnlijke gewaarwording maakte zich
thans van hem meester en ontlokte hem een diepen zucht. Alsof het niet
genoeg was, dat zij een lijfeigene werd, zou zij ook haren meester
gevoelens toedragen, wier innigheid en teederheid hij zoo goed kende,
omdat zij tot heden onverdeeld aan hem waren gewijd. De demon, wiens
taak het is ons met vrees en bittere gedachten te martelen, doet zelden
zijn werk ten halve. Door de smart van 't oogenblik vergat de moedige
grijsaard zijne plannen voor de toekomst en den wondervollen koning, die
er het middelpunt van was. Met een geweldigen krachtinspanning, wist hij
zich echter te bedwingen en vraagde kalm: Niet naar den circus laten
gaan, waarom niet, kind?
--Het is geen plaats voor een zoon van Israël, vader.
--Rabbijnsche opvattingen, Esther! Is dat alles?
Zijn toon was onderzoekend en drong door tot haar hart, dat luid begon
te kloppen, zoo luid, dat zij niet dadelijk kon antwoorden.
--De jonkman zal het vermogen hebben, zeide Simonides vriendelijk, hij
zal de schepen hebben en het geld, alles, Esther, alles. In weerwil
daarvan voelde ik mij net arm; want ik behield u en uwe liefde, die mij
zoo mijne gestorven Rachel herinnert. Zeg mij, zal hij die ook hebben?
Zij boog zich neder en leunde met het hoofd tegen hem aan.
--Spreek, Esther, ik zal sterker zijn, als ik het weet. Onzekerheid
maakt zwak.
Zij richtte zich op en sprak op vasten toon: Wees getroost, lieve vader,
ik zal u nooit verlaten. Al moest ik hem liefhebben, ik zal altijd uwe
dienstmaagd blijven. Ja, vader, hij is schoon in mijne oogen, en zijne
manier van spreken trok mij aan. Ik beef als ik denken moet, dat gevaren
hem dreigen. Ja, vader, ik zou meer dan blijde zijn, als ik hem
wederzag. Maar onbeantwoorde liefde kan nooit volmaakte liefde zijn;
daarom wil ik geduldig wachten, en niet vergeten dat ik uwe en moeders
dochter ben.
--Een zegen des Heeren zijt gij, Esther! Een zegen om mij rijk te doen
blijven, al moet ik ook al het andere verliezen. En bij zijn heiligen
Naam en het eeuwige leven zweer ik, dat u geen leed zal aangedaan
worden.
Een weinig later liet hij een dienaar roepen, die den stoel naar binnen
rolde. Daar zat hij nog een poos na te denken over de komst des konings,
terwijl Esther hare legerstede opzocht en spoedig den slaap der onschuld
sliep.
* * * * *
TWAALFDE HOOFDSTUK.
EEN ROMEINSCH DRINKGELAG.
Het paleis, schuins tegenover Simonides' woning aan den anderen oever
der rivier gelegen, was volgens de overlevering door den vermaarden
Epiphanes gebouwd, en beantwoordde geheel aan de eischen, die men zulk
eene woonplaats stellen mag. De muur, die over het geheele eiland langs
den waterkant opgetrokken was en dienen moest tot beschutting tegen den
stroom en beveiliging tegen mogelijke invallen, heette het paleis
ongeschikt te maken tot voortdurende bewoning, zoodat de legaten zich
een ander paleis lieten bouwen op de westelijke helling van den Sulpius.
Het ontbrak echter niet aan lieden, die ronduit beweerden, dat die
verhuizing niets te maken had met gezondheidsmaatregelen, maar dat de
ware reden gezocht moest worden in de onmiddellijke nabijheid der groote
citadel, die den legaten een gevoel van veiligheid gaf. Die opvatting
scheen wel de ware te zijn, want onder meer merkte men op, dat het oude
paleis steeds in bewoonbaren staat gehouden werd, en dat, wanneer een
consul, een generaal, een vorst, of eenig ander machthebbende Antiochië
bezocht, hem het eiland-paleis als verblijf werd aangewezen.
Daar wij slechts met één vertrek in het oude gebouw te doen hebben, mag
de lezer zich het overtollige voorstellen naar eigen believen en staat
het hem vrij de tuinen, baden, buiten- en binnenpleinen, vertrekken en
paviljoenen, alles zoo weelderig mogelijk ingericht, op eigen
gelegenheid te doorwandelen.
Het vertrek, waarheen wij ons thans begeven, zou in dezen tegenwoordigen
tijd een zaal genoemd worden. Het was zeer ruim en met gepolijst marmer
bevloerd. Kunstige pijlers, in den vorm van Atlasgestalten, droegen de
zoldering, en langs de muren was een met Indisch zijde overtrokken divan
aangebracht. Het meubilair bestond uit tafels en zetels in Egyptischen
stijl. Vijf reusachtige bronzen kronen verspreidden een zee van licht.
Een honderdtal personen is in deze zaal vergaderd. Sommigen zitten bij
de tafels, anderen loopen heen en weder, weder anderen hebben het zich
op den divan gemakkelijk gemaakt. Zij zijn allen jong, sommigen
ternauwernood de kinderschoenen ontwassen.
Dat zij allen Italianen en voor het grootste gedeelte Romeinen zijn
lijdt geen twijfel. Zij spreken zuiver Latijn, en zijn naar Romeinsche
gewoonte gekleed, in tunica's met korte mouwen en korten schoot, welke
kleedij juist geschikt is voor het klimaat van Antiochië en in de
overmatig warme zaal volkomen op hare plaats is. Hier en daar liggen op
den divan toga's en mantels, waaronder met purper omzoomde, achteloos
neergeworpen. Ook ziet men er slapende gasten in gemakkelijke houding
uitgestrekt; of de hitte en de vermoeienis hen zoo hebben aangegrepen,
of dat Bacchus er schuld aan heeft, zullen wij maar niet onderzoeken.
Er wordt druk en luid gepraat, uitbundig gelachen, hartstochtelijk
gespeeld.
Het meerendeel dier jongelieden behoorde tot het militaire gevolg van
den consul en moest hier zijne komst afwachten.
Laat in de nacht trad een nieuw gezelschap de zaal binnen, en begaf
zich, eerst onopgemerkt, naar de middentafel. Men kon hun aanzien dat
zij juist van een slemppartij kwamen. Sommigen konden zich slechts met
moeite op de been houden. De aanvoerder droeg een krans om het hoofd,
ten teeken dat hij de koning van het feest, misschien wel de gastheer
was geweest. De wijn had geen bijzondere uitwerking op hem gehad, of het
moest zijn om zijn mannelijk schoon te verhoogen. Met hooger gekleurde
wangen en stralende oogen stapte hij fier vooruit, ofschoon zijne
houding en de manier, waarop hij de ruime witte toga om de schouders had
geplooid, wel wat theatraal was voor iemand in volkomen nuchteren staat.
Zonder zich om iemand of iets te bekommeren maakte hij voor zich en
zijne makkers plaats, en toen hij eindelijk in het midden der zaal bleef
stilstaan en zijn blik over de spelers liet gaan, keerden zij zich allen
tot hem en begroetten hem met een luiden juichtoon: Ha! Messala! Messala!
De meer verwijderden hoorden den kreet en namen hem over. Dadelijk
werden de groepjes ontbonden, de dobbelsteenen neergeworpen, en snelden
allen naar het midden der zaal.
Messala nam die eerbewijzen als vanzelf-sprekend aan. Weldra zou blijken
waaraan hij deze populariteit te danken had.
--Uwe gezondheid, Drusus, mijn vriend, zeide hij tot den speler aan
zijne rechterhand, uwe gezondheid. Laat mij uw tafeltje[2] eens zien.
Hij nam de wassen blaadjes, zag de aanteekeningen vluchtig door en wierp
ze op de tafel.
--Denaries, enkel denaries, muntstukken voor sjouwers en waterdragers,
zeide hij met een hoonenden lach. Bij de doos van Pandora, waar gaat
Rome heen, wanneer een Cesar geheele nachten zit te spelen in de hoop
dat Fortuna hem een armzalige denarie in den schoot zal werpen!
De telg der Drusussen bloosde tot achter de ooren, maar zijne makkers
overschreeuwden zijn antwoord door hun geroep: Messala! Messala!
--Mannen van den Tiber, zeide hij, een der jongelieden de dobbelsteenen
uit de hand nemend, wie is de meest door de goden bevoorrechte? De
Romein. Wie stelt den volken de wet? De Romein. Wie is dus rechtens
beheerscher der wereld?
De gemakkelijk tot geestdrift op te winden jeugdige krijgers namen hem
het woord uit den mond en schreeuwden om het hardst: De Romein! De
Romein!
--En toch, en toch, zeide hij langzaam, om hunne nieuwsgierigheid te
prikkelen, toch is er een, beter dan de besten van Rome.
Trots wierp hij het hoofd achterover, en toen geen antwoord volgde ging
hij voort: Hoort gij? Er is een beter dan de besten van Rome.
--Hercules! riep een.
--Of Bacchus! schreeuwde een ander.
--Neen, Jupiter! Jupiter! donderde de menigte.
--Noem hem dan! riepen allen.
--Dat wil ik, zeide hij, zoodra er wat stilte gekomen was. Hij, die bij
Rome's volmaaktheid de volmaaktheid van het Oosten gevoegd heeft; hij,
die aan het zegevierende Westen de Oostersche kunst heeft toegevoegd.
--Bij Apollo, zijn beste is ten slotte toch de Romein, riep een, en
daarop lachten allen en klapten in de handen.
--In het Oosten, vervolgde Messala, hebben wij geen andere goden, dan
wijn, vrouwen, en goed geluk, en de uitnemendste van deze drie is goed
geluk. Daarom voeren wij tot motto: Wie durft wat ik durf?--zoowel in
den Senaat, als in den krijg. Bovenal echter past het bij hem, die het
beste zoekt en voor het ergste niet terugdeinst.
Thans sloeg hij een gemoedelijken, vertrouwelijken toon aan, zonder
echter zijne overmacht prijs te geven, en zeide: In de groote kast in de
citadel heb ik vijf talenten gereed geld liggen. Hier is het bewijs.
Uit zijn toga bracht hij een perkamentrol te voorschijn, wierp die op de
tafel en vervolgde onder diep stilzwijgen, terwijl de oogen van allen op
hem rustten: Dat is de som die ik durf wagen. Wie van u durft hetzelfde
te doen?... Gij zwijgt? Is het te veel? Ik zal er een talent afnemen,
slechts drie!... Om twee dan ... Niet?... Een dan ... een ten minste ...
een ter eere van de rivier, aan wier oevers gij geboren werdt! Rome in
het Oosten tegen Rome in het Westen! De barbaarsche Orontes tegen den
heiligen Tiber!
Hij schudde de dobbelsteenen en wachtte even.
--De Orontes tegen den Tiber! herhaalde hij luider en met klem.
Niemand bewoog zich. Toen wierp hij de dobbelsteenen op de tafel en nam
lachend het bewijs weer tot zich. Bij Jupiter! riep hij, nu weet ik
waarom gij naar Antiochië zijt gekomen: om uw fortuin te maken of te
verbeteren. Hier, Cecilius!
--Present! riep een stem achter hem.--Hier ben ik.
--Ga, beval Messala, en laat de dienaren de kannen en bekers en
drinkschalen hier brengen. Hebben deze onze landslieden geen beurzen, ik
wil zien of zij beter gezegend zijn met magen. Haast u!
Toen keerde hij zich met een luiden lach tot Drusus en zeide: Vergeef
het mij, mijn vriend; ik wilde deze fraaie jonge vogels van ons oude
Rome slechts op de proef stellen. Kom, Drusus, kom!
Hij nam de steenen weer op en schudde ze vroolijk.
--Hier! Voor welke som gij wilt. Beproef uw geluk.
De noodiging was vriendelijk, innemend. Drusus kon haar niet wederstaan.
--Bij de nimfen, ja, zeide hij lachend. Ik zal met u spelen, Messala,
om ... een denarie.
Een zeer jeugdigen knaap keek Messala van de overzijde der tafel
aandachtig aan. Plotseling keerde deze zich tot hem en vraagde: Wie zijt
gij?
De knaap trok zich snel terug.
--Neen, bij Castor en Pollux! Zoo meende ik het niet. Het is onder
mannen gewoonte, als zij zaken doen, aanteekeningen te houden. Ik heb
een klerk noodig. Wilt gij dien post vervullen?
De jongeling nam dadelijk zijn tafeltje ter hand, gereed om op te
schrijven.
--Wacht even, Messala, zeide Drusus. Het is misschien niet goed door
eene vraag de dobbelsteenen op te houden, maar daar schiet mij iets te
binnen, en ik moet het wagen, al sloeg Venus mij met haar gordel.
--Ik zal gooien en de steenen zoolang bedekken, dan kan het geen kwaad;
en de daad bij het woord voegende vervolgde hij: Voor den dag met uwe
vraag!
--Hebt gij een zekeren Quintus Arrius wel eens gezien?
--De duumvir?
--Neen, zijn zoon.
--Ik wist niet dat hij een zoon had.
--Weet gij waarom ik het vraag? Omdat Pollux niet sterker gelijken kan
op Castor, dan Arrius op u.
--Ja, dat is zoo! riepen tien, twintig stemmen te gelijk. Zijn oogen,
zijn gelaat!
--Wat een dwaasheid, zeide een ander geërgerd. Messala is een Romein,
Arrius een Jood.
--Daar hebt gij gelijk in, merkte een derde op. Hij is een Jood, of
Momus leende zijne moeder het verkeerde masker.
Het gesprek dreigde in twist te ontaarden, maar Messala kwam
tusschenbeide.
--De wijn is nog niet gekomen, Drusus, zeide hij. Wat Arrius betreft, ik
zal gelooven wat gij zegt. Vertel mij dus wat gij van hem weet.
--Wel, hij moge dan Jood of Romein zijn, en bij den grooten Pan, met
allen eerbied voor uwe gevoelens, Messala, deze Arrius is schoon,
dapper, en verstandig. De keizer bood hem zijne gunst en bescherming
aan, maar hij weigerde die aan te nemen. Zijn optreden was zeer
geheimzinnig, en hij houdt zich op een afstand, alsof hij zich voor
beter of voor slechter houdt, dan wij anderen. In het worstelperk was
hij onovertroffen. Hij speelde met de blauwoogige reuzen van den Rijn en
de hoornlooze stieren van Sarmatië, alsof het wilgetakken waren. De
duumvir heeft hem zijn geheele vermogen vermaakt. Hij heeft zich met
waren hartstocht in den wapenhandel geoefend en is vervuld van den
oorlog. Maxentius nam hem op in zijn gevolg, en hij zou met ons zijn
scheep gegaan, maar wij verloren hem te Ravenna. In weerwil daarvan is
hij in welstand hier aangekomen. Wij hebben hedenmorgen van hem gehoord.
In plaats van naar het paleis of de citadel te gaan, heeft hij zijn
bagage achtergelaten in de herberg en is wederom verdwenen.
Messala, die eerst slechts ten halve geluisterd had, werd langzamerhand
nieuwsgierig. Toen Drusus zweeg hief hij zijne hand op en riep: Hallo,
Caius, hoort ge dat?
Een jongeling, die schuin achter hem stond, zijn Myrtilus, of metgezel
bij de dagelijksche oefeningen in de renbaan, antwoordde, verheugd over
de eer hem aangedaan: Deed ik dat niet, mijn Messala, dan was ik niet
waard uw vriend te zijn.
--Herinnert gij u den man, die u van middag in het stof heeft doen
bijten?
--Bij Bacchus! Is mijn schouder niet bont en blauw om het mij in
gedachtenis te doen blijven?
--Wees dan het Noodlot dankbaar, want ik heb uw vijand gevonden. Let
maar op.
Hierop keerde hij zich tot Drusus: Vertel ons meer van hem; van hem, die
zoowel Jood als Romein is, bij Phoebus, eene vereeniging die een centaur
aanminnig zou maken! Hoe kleedt hij zich, Drusus?
--Als een Jood.
--Hoort gij het, Caius? zeide Messala, de knaap is jong, dat is één. Hij
heeft het gelaat van een Romein, twee. Hij draagt het liefst kleeren van
een Jood,--drie. En in het worstelperk behaalt men roem en fortuin door
het omverwerpen van een paard, of het doen kantelen van een wagen, al
naar dat verlangd wordt--vier. Drusus, help mijn vriend verder.
Ongetwijfeld spreekt deze Arrius verscheidene talen, anders kon hij niet
vandaag Jood, morgen Romein zijn. Maar kan hij zich ook in de schoone
taal der Atheners vloeiend uitdrukken?
--Die spreekt hij zoo zuiver, Messala, dat hij er gerust als redenaar in
zou kunnen optreden.
--Hoort gij het wel, Caius? die knaap kan op zijn Grieksch een vrouw
begroeten, dat is dus vijf. Wat zegt gij er van?
--Gij hebt hem gevonden, mijn vriend, antwoordde Caius, of ik ben Caius
niet.
--Vergeef mij, Drusus, dat ik dus in raadselen spreek, zeide Messala op
zijn gewone innemende manier. Bij alle goden, ik zou uwe nieuwsgierigheid
niet willen spannen tot brekens toe; maar help mij nu tot aan het einde.
Gij vondt, geloof ik, iets geheimzinnigs in het optreden van dien zoon
van Arrius. Vertel mij daar wat van.
--Och, niets bijzonders, zeide Drusus, een kindersprookje. Toen Arrius,
de vader, uitzeilde om de zeerovers te straffen, bezat hij vrouw noch
kind. Hij keerde terug met een jongeling ... hem van wien wij spreken, en
nam hem den volgenden dag tot zoon aan.
--Tot zoon aan? herhaalde Messala. Bij alle goden! Drusus, dat is een
belangwekkend geval. Waar vond de duumvir den knaap? En wie was hij?
--Wie kan u daar het antwoord op geven, wie dan de jonge Arrius zelf? In
de hitte van de strijd verloor de duumvir, toen nog tribuun, zijn galei.
Een terugkeerend schip vond hem en den knaap, de eenig overgeblevenen
van de commandantsgalei, drijvende op een en dezelfde plank. Ik geef u
het verhaal zooals ik het van de redders hoorde, dat in ieder geval
nooit tegengesproken is. Zij beweren dat de metgezel van den duumvir een
Jood was.
--Een Jood! herhaalde Messala.
--En een galeislaaf.
--Hoe dat, Drusus, een galeislaaf?
--Toen die beiden opgehaald werden, had de duumvir zijn wapenrusting
aan, de ander het kostuum van een roeier.
Messala richtte zich op in zijn volle lengte. Een galeislaaf, herhaalde
hij op peinzenden toon.