De onverschillige blik en handbeweging, die deze woorden vergezelden,

pasten er uitstekend bij. Om te hooren wat hij nog verder mocht te

zeggen hebben, hielden de lieden zich bedaard. Messala gaf zijn metgezel

een wenk om den wagen te verwijderen en wendde zich vervolgens

vrijmoedig tot het meisje.

--Gij zijt waarschijnlijk verwant aan den eerwaardigen grijsaard, wiens

vergiffenis, zoo zij mij nu nog onthouden wordt, ik later met te grooter

ijver zal trachten te verwerven; zijne dochter misschien?

Zij gaf geen antwoord.

--Bij Pallas, gij zijt schoon! Wees voorzichtig, opdat Apollo u niet

voor zijn verloren liefje houde! Ik zou gaarne willen weten welk land

zich beroemen mag uw vaderland te zijn? Neen! wend u niet af! Vergeef

het mij! De zon van Indië straalt mij toe uit uwe oogen; Egypte heeft op

uwe lippen zijn zegel gedrukt. Keer u niet af, schoone jonkvrouw,

voordat gij mij genade geschonken hebt. Zeg mij ten minste, dat gij mij

vergiffenis schenkt.

Zonder Messala verder een blik te gunnen, wenkte zij Ben-Hur tot zich en

vraagde met een vriendelijk lachje: Zoudt gij zoo goed willen zijn om

dezen beker met water te vullen? Mijn vader heeft dorst.

--Uw gehoorzaame dienaar, antwoordde Ben-Hur.

--O vreemdelinge, gij zijt even wreed als schoon, zeide Messala, haar

met de hand toewuivende. Als Apollo u niet weghaalt, zult gij mij

weerzien. Daar ik uw vaderland niet ken, kan ik u niet aan de gunst

zijner goden aanbevelen, daarom beveel ik u aan de gunst van--mijzelven

aan!

Dit gezegd hebbende ging hij naar den wagen terug, die hem stond te

wachten. Het meisje zag hem na, en wat ook in haar oog te lezen heeft

mogen staan, geen misnoegen.

Ben-Hur bracht haar den beker en nadat de grijsaard gedronken had,

bracht zij dien zelve aan haar lippen en bood hem daarna met

onnavolgbare gratie Ben-Hur aan. Behoud hem, bidden wij u, zeide zij.

Hij is vol zegenwenschen, alle voor u!

Nu deed de Ethiopiër den kameel opstaan; maar op het punt van vertrekken

riep de grijsaard Ben-Hur toe: Wacht even! Ik moet u spreken.

Ben-Hur trad nader.

--Gij hebt den vreemdeling een grooten dienst bewezen. Er is slechts één

God. In zijn heiligen naam dank ik u. Ik ben Balthasar de Egyptenaar. In

het groote Palmbosch, aan gene zijde van de Daphne gelegen, heeft Sheik

Ilderim de Edelmoedige zijn tenten opgeslagen. Wij zijn zijne gasten.

Bezoek ons daar. Gij zult ons zeer welkom zijn.

Ben-Hur boog eerbiedig voor den grijsaard en staarde vader en dochter

nog geruimen tijd na.

* * * * *

NEGENDE HOOFDSTUK.

PLANNEN VAN WRAAK.

In den regel is er geen zekerder middel om iemands tegenzin op te

wekken, dan uit te blinken waar hij zich laf gedroeg. Malluch maakte

hierop gelukkig een uitzondering. Wat hij gezien had deed Ben-Hur in

zijne achting rijzen. Moed en wellevendheid bezat hij ongetwijfeld. Kon

hij nu slechts een blik slaan in het verleden van den jongen man, dan

zou meester Simonides tevreden kunnen zijn over dien eersten dag.

Zooveel wist hij reeds; Ben-Hur was een Jood en de aangenomen zoon van

een Romein. Verder begreep de slimme man, dat er tusschen Messala en den

zoon van den duumvir iets was. Maar wat? Hoe kon hij achter de waarheid

komen?

In deze moeilijkheid kwam Ben-Hur zelf hem te hulp. Hij legde de hand op

Malluchs arm en voerde hem met zich uit het gedrang der menigte, die

zich weer om den priester en de bron verzameld had.

--Goede Malluch, zeide hij, mag een man zijne moeder vergeten?

Op die vraag was Malluch allerminst voorbereid. Hij keek Ben-Hur aan, om

te zien wat hij bedoelde. Hij zag niets dan een gloeiende plek op iedere

wang en onderdrukte tranen in de sombere oogen. Beslist antwoordde hij:

Neen; nooit. Als hij een Israëliet is, nooit! Mijn eerste les in de

synagoge was het gezegde van den zoon van Sirach: Eer uwen vader met uw

gansche ziel en vergeet nooit wat gij uwe moeder gekost hebt.

Ben-Hurs oogen fonkelden.

--Die woorden, Malluch, roepen mijne jeugd in mijne herinnering terug,

en bewijzen dat gij een echte Jood zijt. Ik geloof dat ik u vertrouwen

kan.

Hij liet Malluchs arm los en drukte de hand op zijn hart, alsof hij pijn

gevoelde. Mijn vader, zeide hij, was een man van aanzien, met eere

bekend in Jeruzalem, waar hij woonde. Mijne moeder was bij zijn dood in

de kracht van haar leven. Woorden kunnen niet uitdrukken hoe goed en hoe

schoon zij was. Iedereen roemde haar om de goede werken, die zij deed.

Een vriendelijke toekomst lachte ons tegen. Ik had een jongere zuster,

en wij waren zoo gelukkig, dat ik volkomen instemde met het woord van

den Rabbijn: God kon niet overal wezen, daarom schiep Hij moeders.--Op

zekeren dag overkwam aan een hooggeplaatst Romein een ongeluk, juist

toen hij ons huis voorbijreed. Zijne soldaten vlogen naar binnen en

grepen ons. Sedert heb ik mijne moeder en zuster niet meer gezien. Ik

weet niet of zij dood zijn, of nog leven. Ik weet niet wat van haar

geworden is. Maar, Malluch, die Romein, die met zijn vierspan lachend op

het volk kwam inrijden, was tegenwoordig bij onze scheiding. Hij leverde

ons over aan onze vijanden. Hij hoorde mijne moeder om genade smeeken

voor hare kinderen en hij lachte, toen zij haar wegsleurden. Het is

moeilijk te zeggen wat het diepst in de herinnering gegrift blijft,

liefde of haat. Vandaag herkende ik hem reeds in de verte, en, Malluch,

hij kent en bewaart het geheim, waarvoor ik mijn leven zou willen geven.

Hij weet óf zij leven, en waar, en hoe. En zijn zij gestorven, hij weet

waar hare beenderen rusten.

--En zou hij het niet willen zeggen?

--Neen.

--Waarom niet?

--Ik ben een Jood, en hij is een Romein.

--Maar Romeinen hebben een tong, en de Joden, hoezeer ook door hen

veracht, kunnen op middelen zinnen om die tong los te maken.

--Voor zulken als hij? Neen; en daarenboven is het een staatsgeheim.

Mijn vaders bezittingen werden alle verbeurd verklaard en verdeeld.

Malluch knikte met het hoofd, als begreep hij er alles van, en vraagde

toen opnieuw: Heeft hij u niet herkend?

--Dat kon hij niet. Ik werd levend dood verklaard, en ben sinds lang als

dood beschouwd.

--Het verbaast mij dat gij hem niet doodgeslagen hebt, zeide Malluch

hartstochtelijk.

--Daarmee zou ik mijzelven voorgoed de gelegenheid benomen hebben, om

partij van hem te trekken. De dood, dat weet gij, bewaart een geheim nog

beter dan een schuldig Romein. Maar zijn straf zal hij niet ontgaan, en

als gij mij helpen wilt, zal ik zeker slagen.

--Hij is een Romein, zeide Malluch, en ik behoor tot den stam van Juda.

Ik zal u helpen. Indien gij het verlangt zal ik mijne belofte met een

eed bevestigen.

--Geef mij uw hand, dat is voldoende.

Na met een handdruk de afspraak bezegeld te hebben zeide Ben-Hur:

Datgene waarmede ik u belasten zal, is niet moeilijk, goede vriend, en

zal uw geweten niet bezwaren. Laat ons nu verder gaan.

Een poosje later begon hij weer: Kent gij Sheik Ilderim?

--Ja.

--Waar is dat Palmbosch? of liever: hoever is dat van hier?

Malluch aarzelde een oogenblik. Hij dacht aan het geschenk der schoone

vreemdelinge. Zou het mogelijk zijn dat de jonge man zijn verdriet wilde

gaan verzetten door een liefdesavontuur? Hij liet echter niets merken en

antwoordde: Dat Palmbosch ligt twee uur te paard van Daphne. Een vlugge

kameel brengt er u in een uur.

--Zoo. En die wedrennen, daar gij mij van verteldet, zijn die publiek?

en wanneer zullen zij plaats vinden?

Die vragen deden iets vermoeden en wekten Malluchs nieuwsgierigheid.

--O ja, antwoordde hij, zij zullen prachtig zijn. De prefect is rijk en

zeer aan geld gehecht. Een invloedrijk vriend aan 't hof te hebben is

echter wel een opoffering waard, en daarom maakt hij zooveel drukte voor

den consul Maxentius, die hier komt om de laatste toebereidselen te

treffen voor een veldtocht tegen de Parthen. De inwoners van Antiochië

weten uit ondervinding, dat die toebereidselen geld onder de menschen

brengen en hebben verlof gevraagd, om den prefect te helpen den grooten

man naar waarde te ontvangen. Een maand geleden zijn herauten naar de

vier windstreken uitgezonden, om de kampspelen en wedrennen aan te

kondigen. De naam van den prefect zou op zichzelf reeds voldoende

zekerheid geven voor de noodige afwisseling; maar wanneer Antiochië zich

bij hem aansluit, zijn alle eilanden en de zeesteden zeker van iets

buitengewoons, en kunnen wij op een uitgelezen publiek rekenen. De

uitgeloofde prijzen zijn vorstelijk.

--En de circus? Ik heb gehoord dat die lui die ná den circus Maximus de

beste is.

--Die van Rome? Wel, de onze heeft plaats voor tweemaal honderdduizend

menschen, de uwe voor vijf-en-zeventigduizend meer. De uwe is van

marmer, de onze ook. Wat de inrichting betreft staan zij gelijk.

--Zijn de wetten dezelfde?

Malluch glimlachte. Als Antiochië beproeven wilde oorspronkelijk te

zijn, zou Rome niet de koningin wezen, die zij is, zoon van Arrius! De

wetten van den circus Maximus zijn oppermachtig, behalve op één punt:

dáár mogen slechts vier wagens te gelijk afrijden, hier gaan ze alle te

zamen, onverschillig hoeveel.

--Dat is naar Grieksche manier, zeide Ben-Hur.

--Ja, Antiochië is meer Grieksch, dan Romeinsch.

--En mag men zijn eigen wagen kiezen?

--Ja, en de paarden ook. Daarin is ieder vrij.

--Nog iets, Malluch, wanneer zullen de wedrennen gehouden worden?

--Laat eens zien. Morgen ... neen, overmorgen, als ten minste, om op zijn

Romeinsch te spreken, de zeegoden hem goedgunstig zijn, komt de consul.

Ja, op den zesden dag na dezen beginnen de feesten.

--De tijd is kort, Malluch, maar voldoende. Bij de profeten van Israël!

Ik zal weder naar de teugels grijpen. Maar wacht! Weet gij zeker dat

Messala meedoet?

Nu doorzag Malluch het geheele plan. Ja, dat was een heerlijke

gelegenheid om den Romein te vernederen; maar hij had geen Israëliet

moeten zijn, om niet snel de kansen te berekenen. Bezorgd vraagde hij:

Hebt gij er meer aan gedaan?

--Vrees niet, mijn vriend. Vraag maar eens te Rome wie daar de vorst der

wagenmenners genoemd wordt. Bij de laatste groote wedrennen bood de

keizer zelf mij zijne gunst aan, indien ik zijne paarden in het

strijdperk wilde voeren.

--En hebt gij dat geweigerd? vraagde Malluch levendig.

--Ik ben een Israëliet, antwoordde de ander ernstig. Al draag ik een

Romeinschen naam, ik wilde niet iets doen, dat mijn vaders naam

benadeelen kon in de voorhoven van onzen Tempel. In de kampscholen kon

ik mij aan dergelijke oefeningen wijden, in den circus zelf zou mijn

optreden een gruwel zijn in de oogen mijner geloofsgenooten, en als ik

hier aan de wedrennen deel neem, dan, Malluch, ik zweer het u, zal het

niet zijn om den prijs te behalen.

--Hola! zweer niet te gauw. De prijs is 10,000 sestertiën, een vermogen

op zichzelf.

--Niet voor mij, al was het tienmaal zooveel. Neen, er is wat beters.

Deze wedrennen zullen mij dienen om mijn vijand te vernederen. Wraak is

door de wet geoorloofd. Maar gij hebt mij nog niet geantwoord. Weet gij

zeker dat Messala meedoet?

--Ja. Messala doet mee. Het staat overal aangeplakt. Iederen dag komt

hij zich oefenen.

--Zoo, en dat is dus het vierspan, waarmede hij in het strijdperk zal

komen? Dank voor uwe inlichtingen, Malluch! Gij zijt mij heerlijk van

dienst geweest. Ik ben voldaan. Wijs mij nu zoo gauw mogelijk den weg

naar Sheik Ilderim en leid mij bij hem in. Hoe komen wij er het snelst?

Zijn paarden mochten anders al eens besproken zijn.

--Het best is dat wij regelrecht naar het dorp gaan, dat is gelukkig

vlak bij. Daar moeten wij twee vlugge kameelen zien te huren, dan zijn

wij er in een uur.

--Voorwaarts dan, zeide Ben-Hur.

Het dorp bestond uit niets dan paleizen in fraaie tuinen, benevens

eenige vorstelijk ingerichte herbergen. Kameelen waren gemakkelijk te

krijgen en zoo konden de twee reizigers zich weldra op weg begeven naar

het beroemde Palmbosch.

* * * * *

TIENDE HOOFDSTUK.

HET PALMBOSCH.

De landstreek die zij doorreden was heuvelachtig en goed bebouwd, een

ware lusthof. Geen plekje was vergeten. De steile heuvelhellingen waren

terrasvormig aangelegd. Tegen de omtuiningen slingerden zich weelderige

wingerdranken omhoog, die den voorbijgangers, behalve zeer gewenschte

schaduw, de belofte gaven van kostelijke druiven en parelenden wijn.

Op de meloenvelden en tusschen abrikozen- en vijgeboschjes lagen de

witgepleisterde huizen der landlieden verspreid; alles sprak van

overvloed en vrede, en stemde het hart tot vroolijken levensmoed.

Af en toe kreeg men een kijkje op het Taurusgebergte en den Libanon,

waartusschen de Orontes als een zilveren draad kalm zijn weg vervolgde.

Het duurde niet lang of onze vrienden hadden de rivier bereikt. Nu ging

hun weg over heuvelen en door dalen, steeds met den stroom mede. Was het

landschap in vollen bladerdos van eik en laurier en moerbeiboomen, van

geurenden jasmijn en haagappelboomen, de rivier tintelde onder de

zonnestralen en sprak met hare vele op- en afvarende schepen van de zee,

van vergelegen landen, van beroemde plaatsen en begeerlijke dingen.

De twee vrienden reden door totdat zij aan een meer kwamen, helder, diep

en effen, dat door het vloedwater der rivier onderhouden werd. Een oude

palmboom beheerschte den inham. Bij dien palm sloegen zij links om en

riep Malluch op vroolijken toon: Het Palmbosch! Het Palmbosch!

Met uitzondering van de bekoorlijksten oasen in Arabië, of de

Ptolemeïesche landerijen aan den Nijl, kon men bezwaarlijk een

heerlijker oord vinden. Ontelbare dadelpalmen, patriarchen in hunne

soort, verhieven hunne kruinen ten hemel. Aan het koele, heldere water,

dat onder den grond verder stroomde, hadden die reuzen hun groei en

langen levensduur te danken. Was het park van Daphne boven dit te

verkiezen? En alsof de palmen Ben-Hurs gedachten raadden en de schaal

ten hunnen gunste wilden doen overslaan, wuifden zij hem vriendelijk toe

en brachten hem verkoeling aan.

--Let eens op dezen reus, zeide Malluch, op een eerwaardigen palm

wijzend. Elke ring op den bast duidt een jaar leven aan. Tel ze van

wortel tot aan den top, en als de Sheik u zegt, dat het bosch geplant

is, voordat iemand in Antiochië iets van de Seleuciden wist, geloof hem

dan vrij.

Een volmaakt schoone palm te beschouwen, zonder dat men onder zijn

invloed in vervoering geraakt, is niet wel denkbaar. Vandaar dat hem van

den beginne alle eer bewezen is en de kunstenaars der eerste koningen

hem als model kozen voor de pilaren hunner paleizen en tempels.

Diezelfde gewaarwording deed Ben-Hur zeggen: Toen ik Sheik Ilderim van

morgen zag vond ik hem een zeer gewoon man. Hoe komt hij, een zoon van

Edom, in het bezit van dezen lusthof? en hoe heeft hij hem uit de

klauwen der Romeinsche gouverneurs kunnen houden?

--De stamboom van dezen Sheik klimt tot in de grijze oudheid op, zeide

Malluch. Al zijne voorvaders waren Sheik. Een van hen heeft eenmaal een

vervolgden koning het leven gered. Het verhaal gaat, dat die Sheik den

koning duizend ruiters leende, die hem nu hier dan daar in de wildernis

verborgen, totdat zich eene gelegenheid aanbood om hem te wreken, zijne

vijanden te verslaan, en den koning troon en rijk terug te geven. De

koning vergat de bewezen diensten niet, maar noodigde den Sheik uit om

zijne tent in deze streek op te slaan, en gaf hem het meer en de boomen

en het land tusschen de rivier en de naastbijgelegen bergen tot eene

erfelijke bezitting.

--En heeft niemand hem ooit die bezitting betwist?

--De verschillende overheerschers hebben het verstandig geoordeeld op

goeden voet te blijven met den stam, die door den Heer gezegend is met

strijdbare helden en paarden en kameelen en rijkdommen, zoodat zij

meester zijn van vele heirwegen tusschen de groote steden, en den handel

naar welgevallen kunnen belemmeren of beschermen. Zelfs de prefect in de

Citadel is blijde, wanneer de Sheik met zijne vrouwen en kinderen en

zijn ganschen stoet de eenzaamheid der woestijn verlaat, om voor een

poos in dit heerlijk oord zijne tenten op te slaan.

--Maar hoe komt het dan, dat de Sheik straks het uur vervloekte, waarin

hij een Romein zijn vertrouwen geschonken had? Als de keizer hem gehoord

had, zou hij zeker gezegd hebben: zulk een vriend begeer ik niet. Weg

met hem!

--Ja, wat dat betreft, Ilderim heeft een grief tegen Rome, zeide Malluch

met een glimlach. Drie jaren geleden trokken de Parthen langs den weg

van Bozra naar Damascus en vielen een karavaan aan, die onder anderen de

schatting van een in de buurt gelegen district vervoerde. Zij sloegen

alle gevangenen dood, hetgeen de beambten te Rome hadden kunnen

vergeven, indien slechts de keizerlijke schatten behouden en naar Rome

gezonden waren. De pachters, die voor de slachting aansprakelijk waren,

beklaagden zich bij den keizer. Deze veroordeelde Herodes in de kosten,

en Herodes verhaalde de schade op Ilderim, wien hij van plichtverzuim

beschuldigde. De Sheik kwam in hooger beroep bij den keizer; maar deze

gaf een antwoord, waar niemand wijs uit kon worden. De oude man heeft

zich dat sterk aangetrokken en wacht slechts op een gelegenheid om zich

te wreken.

--Hij kan toch niets doen, Malluch.

--Dat is te zeggen.... Maar zie, de gastvrijheid begint reeds. De

kinderen spreken u aan.

De kameelen bleven stilstaan en Ben-Hur zag, dat eenige kleine meisjes

hem mandjes met dadels aanboden. Hij nam ze met vriendelijken dank.

Toen zij weer verder reden zeide Malluch: Ik ben zeer bevriend met den

koopman Simonides, en zoo heb ik ook kennis gemaakt met zijne vrienden,

waaronder Sheik Ilderim een eerste plaats bekleedt. Ik heb hem meermalen

ontmoet. Een paar weken geleden bracht hij Simonides een bezoek. Ik was

in de kamer, en daar hij zeer opgewonden scheen, wilde ik mij verwijderen;

maar hijzelf verbood het, zeggende: Gij zijt een Israëliet, blijf dus

hier en luister, want ik heb een vreemde geschiedenis te verhalen.--Vele

jaren geleden kwamen drie reizigers bij hem, een Hindoe, een Griek en

een Egyptenaar. Zij reden op kameelen, de mooiste die hij ooit gezien

had, en alle drie wit. Zij bleven die nacht bij hem. Den volgenden

morgen vertelden zij hem wie zij waren en vanwaar zij kwamen. Alle drie

hadden zij eene ster gezien en eene stem gehoord, die hun beval naar

Jeruzalem te gaan, en te vragen naar den jonggeboren Koning der Joden.

Zij gingen, en de ster geleidde hen van Jeruzalem naar Bethlehem, waar

zij in een spelonk het pasgeboren kind vonden, dat zij aanbaden en

geschenken gaven. Zij gingen niet naar Herodes terug, het was Herodes de

Groote, overtuigd dat die hen dooden zou, maar kwamen bij Sheik Ilderim,

die hen in zijne tenten verborg, totdat zij de terugreis durfden

aanvaarden.

--Dat is zeker een vreemde geschiedenis, zeide Ben-Hur. Maar waar zegt

gij dat zij te Jeruzalem naar vragen moesten?

--Zij moesten vragen: Waar is de geboren Koning der Joden?

--Was dat alles?

--Er was nog wat bij; maar dat herinner ik mij niet meer.

--En vonden zij het kind?

--Ja, en aanbaden het.

--'t Is vreemd, Malluch.

--Ilderim is een ernstig man, al is hij ook, evenals alle Arabieren,

licht ontvlambaar. Een leugen uit zijn mond is ondenkbaar.

--Heeft Ilderim nooit meer van die drie mannen gehoord?

--Wel, dat was het juist wat hij Simonides kwam vertellen bij dat

laatste bezoek. Den vorigen avond was de Egyptenaar onverwacht weer bij

hem gekomen.

--Herkende hij hem dan?

--Ja, aan zijn manier van spreken en doen, en hij bereed denzelfden

witten kameel, en gaf denzelfden naam op: Balthasar, den Egyptenaar.

--Wat zegt gij? Dien naam gaf de oude man aan de bron mij ook op! En de

jonkvrouw was zijne dochter.

Een oogenblik later zeide hij: Zij moesten dus vragen naar hem, die de

Koning der Joden zou zijn?

--Neen, antwoordde Malluch, zij moesten naar den geboren Koning der

Joden vragen. Die woorden heeft de Sheik altijd onthouden en hij wacht

op de komst van dien Koning. Niets kan zijn geloof aan het wankelen

brengen, dat hij komen zal.

--Hoe ... als Koning?

--Ja, om Rome's macht te fnuiken.

Ben-Hur bleef in gedachten verzonken en zeide toen: De Sheik is een uit

velen, die onrecht hebben te wreken; maar het is immers onmogelijk,

Malluch, dat iemand anders dan een Herodes Koning der Joden zou zijn,

zoolang Rome Rome is?... Maar om op het verhaal terug te komen; wat

antwoordde Simonides?

--Simonides is een wijs man. Ik luisterde, en hij zeide ... maar hoor!

daar komt iemand ons achterop.

Paardengetrappel weerklonk, het kwam nader en nader, en zie, daar was de

Sheik zelf met zijn gevolg, ook de vier Arabische paarden en de wagen.

Zoodra hij hen zag riep den grijsaard: welkom en vrede!... Ha! Zijt gij

het, mijn goede vriend Malluch? Welkom! Brengt gij mij tijding van mijn

vriend Simonides? Moge de God zijner vaderen hem nog lang bij het leven

bewaren! Volgt mij, opdat ik u verfrisschingen voorzette.

Zij volgden hem tot aan de deur zijner tent, waar hij hun een verkoelenden

drank aanbood.

Zoodra zij naar binnen waren gegaan nam Malluch den Sheik ter zijde, om

iets met hem te bespreken, waarna hij tot Ben-Hur terugkeerde en zeide:

Ik heb den Sheik over u gesproken, hij is uw vriend, het verdere laat ik

dus aan u over. Ik moet nu naar de stad, waar ik hedenavond gewacht word.

Morgen kom ik terug en hoop dan bij u te blijven tot na den afloop der

feesten.

Met wederzijdsche zegenbeden scheidden zij en vertrok Malluch.

* * * * *

ELFDE HOOFDSTUK.

MALLUCHS RAPPORT.

Het was laat in den avond. Het maanlicht bescheen de gebouwen op den

berg Sulpius, en twee derden van Antiochië's inwoners zochten op de

platte daken der huizen koelte en verfrissching. Ook Simonides had zich

naar het terras laten brengen en liet den blik rusten op de rivier en de

ten anker liggende schepen. De muur achter hem wierp een breede schaduw

op het water. Esther stond voor hem met een blad, dat zijn eenvoudig

avondeten bevatte: luchtig gebakken koeken, wat honig en een kom melk.

--Malluch is laat, zeide hij, en verried alzoo waar zijne gedachten

toefden.

--Zou hij nog komen? vraagde Esther.

--Als hij niet op zee of in de woestijn is, zal hij komen, antwoordde

Simonides beslist.

--Hij zou kunnen schrijven.

--Als hij vèr weg moest, zou hij mij dat dadelijk gemeld hebben; daar

hij dat niet gedaan heeft, weet ik dat hij komen zal.

--Ik hoop het, zeide zij zacht.

Iets in haar toon trof hem. Hij keek op en zei: Zou het u genoegen doen,

als hij kwam?

--Ja vader.

--Waarom? vertel mij dat eens.

--Omdat ... omdat de jonge man....

--Onze meester is. Woudt ge dat zeggen, Esther?

--Ja vader.

--En gij vindt, dat ik hem niet moet laten gaan zonder hem te zeggen,

dat hij komen kan als het hem behaagt, om ons met alles wat wij bezitten

tot zich te nemen; alles, Esther: de schepen, het geld, de slaven, het

huis, en het machtig krediet, dat als een mantel van fijn goud en zilver

voor mij geweven werd door den grootsten beschermengel der menschen:

welslagen.

Zij antwoordde niet.

--Laat het u koud? vraagde hij met iets bitters in zijn toon. Ach, kind,

ik weet bij ondervinding, dat wat van te voren ondragelijk scheen

doorstaan kan worden, als men er maar eerst vóór staat, zelfs het

ergste, zelfs de pijnbank. Dat zal met den dood waarschijnlijk ook wel

het geval zijn. En volgens die beschouwing kan de slavernij, waarin wij

ons gaan begeven, na een poos liefelijk worden. 't Is mij nu reeds een

aangename gedachte, dat onze meester een gunsteling der fortuin blijkt

te zijn. Zijn vermogen heeft hem niets gekost, geen zorg, geen droppel

zweet, niet eens een gedachte. Onverwacht valt het hem voor de voeten.

En, Esther, wat mijn ijdelheid niet weinig streelt, hij krijgt wat hij

voor geen schatten kon koopen, hij krijgt u, mijn lieveling, mijn parel,

u, bloempje van mijn gestorven Rachel.

Hij trok haar tot zich en kuste haar tweemaal; de eerste kus gold

haarzelve, de tweede hare moeder.

--Spreek zo niet, vader, zeide zij, laat ons beter van hem denken. Hij

weet wat droefheid is en zal ons de vrijheid geven.

--Gij hebt een fijn instinct, Esther, en gij weet dat ik dikwijls op uw

oordeel af ga;... hoor, daar komt iemand; heb ik het u niet gezegd? daar

is Malluch! Nu zullen wij zien wat wij van onzen jongen meester te

wachten hebben.

--Vrede zij u, meester Simonides, zeide Malluch diep buigend, en ook u,

voortreffelijkste der dochters.

Simonides beantwoordde den groet en vraagde toen: Wat hebt gij mij van

den jongen man te vertellen?

Eenvoudig en zakelijk gaf Malluch een verslag hoe hij den dag had

doorgebracht. Simonides luisterde aandachtig en liet hem ongestoord

vertellen.

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 13 / 32 段