waarop de man gezinspeeld had. Eenige jonge meisjes zweefden voor en
langs hen heen, zingend en dansend op de maat harer tambourijnen. De
vrouw drukte zich verschrikt tegen haar geleider aan, deze sloeg zijn
arm beschermend om haar heen. Zijne oogen flikkerden. Het haar der
danseressen golfde vrij over hare schouders, het gazen kleedje, dat
ternauwernood haar leden dekte, liet haar volkomen vrij in al hare
bewegingen. Zinnelijker dans zou bezwaarlijk uit te denken zijn. Eén
ronde ... en weg waren zij, even snel en onhoorbaar als zij gekomen
waren.
--Nu, wat zegt ge daarvan? riep de man.
--Wie zijn dat? vraagde zij.
--Devadasi, priesteressen van den tempel van Apollo. Haar getal is
legio. Zij vormen bij feestelijke gelegenheden het koor. Dit is haar
tehuis. Soms brengen zij wel eens een bezoek aan andere steden, maar
hare verdiensten moeten zij hier afgeven, om de woonplaats van den
goddelijken zanger te verrijken. Willen wij nu verder gaan?
Het volgend oogenblik was het paar verdwenen.
Ben-Hur volgde hun voorbeeld en wandelde verder, waarheen wist hij niet.
Een beeldhouwwerk trok allereerst zijne aandacht. Het bleek een centaur
voor te stellen. Een opschrift deelde den onkundige mede, dat hij hier
de beeltenis aanschouwde van Chiron, den veelbeminde van Apollo en
Diana, door hen onderwezen in de geheimen der jacht, geneeskunst, muziek
en profetie.
Toen Ben-Hur door wilde wandelen, kwam juist de witte stier voorbij. Het
kind zat nog in de mand, en leidde een processie; daarna kwam de vrouw
met de geiten, gevolgd door de tambourijn- en fluitspelers. Daarachter
een tweede processie van lieden, die geschenken brachten.
--Waar gaat dat alles heen? vroeg iemand, en het antwoord luidde: De
stier naar vader Jupijn, de geit naar Apollo.
* * * * *
ZESDE HOOFDSTUK.
GODSDIENST EEN DEKMANTEL.
Ben-Hur volgde de processie naar het bosch, begrijpende dat hij zoodoende
de belangrijkste punten van het Park te zien zou krijgen. Toen hij een
eindweegs gegaan was kwam hij aan een open plek. Een zacht windje voerde
welriekende geuren aan; wierook en rozengeur. Hij bleef staan en met hem
vele anderen, om te zien vanwaar die geuren kwamen.
--Daar is zeker een tuin, zeide hij tot een man, die naast hem stond.
--Of een offerplaats voor Diana, of Pan, of een der boschgoden, luidde
het antwoord in de Hebreeuwsche taal.
Ben-Hur zag den spreker verbaasd aan. Een Hebreër? vraagde hij.
De man antwoordde met een glimlach: Ik werd binnen Jeruzalems muren
geboren.
Ben-Hur was van plan het gesprek voort te zetten; maar de menigte drong
vooruit, zoodat hij van den vreemdeling gescheiden raakte. Hij had
slechts den tijd gehad om 's mans kleeding en gelaat op te nemen, een
echt Joodsch type. Hij zou hem wel kunnen herkennen, dacht hij.
Thans waren zij gekomen aan een punt, waar een zijpad een gunstige
gelegenheid aanbood om zich van de luidruchtige processie af te
scheiden. Ben-Hur maakte er gauw gebruik van.
Eerst kwam hij aan een kreupelboschje, dat van den grooten weg gezien
nog in den natuurstaat scheen te verkeeren. Een paar stappen waren
echter voldoende, om hem ook hier de meesterhand te doen herkennen. De
struiken stonden in bloei, of droegen reeds vrucht; de grond was bedekt
met de heerlijkste bloemen: seringen en rozen, lelies en myrrhe,
oleanders en aloë's, alle oude bekenden uit de valleien rondom Davids
stad; en opdat niets aan het geluk der naiaden en nimfen zou ontbreken,
stroomde een kabbelend beekje door deze bekoorlijke wildernis. Links en
rechts kirden de tortels, en tal van andere gevederde zangers schenen
slechts op zijne komst te wachten om een lied aan te heffen. Een
nachtegaal bleef onbevreesd op zijn tak zitten, ofschoon Ben-Hur op
armslengte voorbijging. Een patrijs liep vlak voor zijne voeten, piepend
tegen de kleintjes, die haar volgden.
Hij zette zich neder onder een citroenboom, die zijn wortels wijd
uitstrekte om zich te laven aan de beek. Het nest van een duikertje hing
vlak boven het kabbelend water en het diertje keek hem met zijn
schrandere oogjes onbevreesd aan. Het vogeltje verklaart mij het geheim,
dacht hij. Het wil zeggen: Ik ben niet bang voor u, want in dit
liefelijke oord is Liefde de Wet.
Na een korte rust stond hij op en wandelde verder, totdat hij bij een
snel vliedende stroom kwam. Zijn weg voerde over een brug, vanwaar hij
het uitzicht had op een bekoorlijk landschap. Vruchtbare valleien,
heuvelen, meertjes, rotswerk, zomerhuisjes, groene weilanden, bedekt met
kudden, ruischende watervallen, zoo kon men het niet bedenken, of deze
uitgestrekte terreinen leverenden het op.
Als om aan het geheel een godsdienstig karakter bij te zetten waren
overal altaren in de open lucht gebouwd, elk door een in 't wit
gekleeden priester bediend, terwijl processies, eveneens in 't wit,
langzaam van het eene altaar naar het andere gingen, en de rook der
offeranden in doorzichtige wolkjes naar boven steeg.
Nu ging hem een licht op. Het Park was eigenlijk een onafzienbare
tempel, een tempel zonder muren. Dit ging zijne verwachting verre te
boven.
Ben-Hur daalde af in de vallei. Daar graasde een kudde schapen. De
herderin wenkte hem: Kom!
Een weinig verder verhief zich midden op 't pad een altaar van zwart en
wit marmer, en daarop een bronzen bekken met brandend reukwerk gevuld.
Vlak daarbij stond een betooverend schoone vrouw met een wilgetak in de
hand, en zoodra zij hem zag, wuifde zij hem toe en riep: Kom hier en
toef een weinig!
Nog verder kwam hij eene processie tegen. Aan het hoofd gingen eenige
kleine meisjes, met kransen omhangen; maar dat was dan ook haar eenige
bedekking. Zij zongen in koor, en werden gevolgd door een groep kleine
jongens, eveneens naakt, en dansend op het gezang der meisjes. Hen
volgden vrouwen met geschenken voor de altaren, specerijen en
lekkernijen, hoogst eenvoudig, maar wel wat luchtig gekleed. In 't
voorbijgaan staken zij hem de handen toe en riepen: Keer om en ga met
ons!... Eene van haar, een Griekin, zong het volgend liedje:
Voor vandaag neem en geef ik;
Voor vandaag drink en leef ik;
'k Denk niet aan den dag van morgen,
Die moet voor zichzelven zorgen.
Zonder haar verder een blik waardig te keuren ging hij voort, totdat hij
bij een schaduwrijk boschje kwam. Dat trok hem aan. Het gras was zoo
groen en frisch, de boomen stonden niet dicht opeengedrongen en waren
van verschillende soorten, ook van vreemden bodem hierheen gebracht:
statige palmen, vijgen, laurierboomen, trotsche eiken, ceders,
wedijverende in omvang met die van den Libanon, moerbeiboomen en
platanen. Midden in het boschje stond een zeldzaam schoon beeld van
Daphne. Aan den voet van het beeld lagen een knaap en een meisje in
elkanders armen te slapen, zijn bijl en sikkel, haar mand en snoeimes
lagen achteloos neergeworpen op een hoop verwelkte bloemen.
Dat hinderde hem. Was hij onder den citroenboom tot de slotsom gekomen
dat de bekoring van dit heerlijk oord gelegen was in: Liefde zonder
vrees,--thans las hij als in een opengeslagen boek: Hier is Liefde de
Wet, o ja; maar Liefde zonder Wet.
* * * * *
ZEVENDE HOOFDSTUK.
MALLUCH.
Het beeld van Daphne links latende liggen begaf hij zich naar een
boschje van cypressen, hoog en statig als de masten van een schip. Op
eens weerklonk een vroolijk trompetgeschal. Rondziende om de oorzaak te
ontdekken zag hij den Jood, dien hij eenige uren geleden ontmoet had, in
het gras liggen. De man stond op en kwam naar hem toe.
--Nogmaals, vrede zij u, zeide hij vriendelijk.
--Dank u, antwoordde Ben-Hur en vraagde toen: Gaat gij mijn weg?
--Ik ben op weg naar de renbaan, als dat uw weg is.
--De renbaan!
--Ja, het trompetgeschal, dat gij zooeven gehoord hebt, was het signaal
voor de mededingers.
--Goede vriend, zeide Ben-Hur levendig, ik ben hier onbekend. Als gij
mij toestaat u te volgen zal het mij zeer verheugen.
--Het zal mij een groot genoegen wezen. Hoor! Daar gaan de wagens reeds.
Ben-Hur luisterde even, en stelde zich toen aan den nieuwen bekende
voor, zeggende: Ik ben de zoon van Arrius, den duumvir, en gij?
--Ik ben Malluch, een handelsbediende uit Antiochië.
--Wel goede Malluch, die trompet en het gerammel van wielen, en het
vooruitzicht van een wedren wekken mij geheel op. Ik heb eenige ervaring
van die spelen en ben niet onbekend in de renperken van Rome. Laat ons
gaan.
Malluch bleef even staan, en zeide: De duumvir was een Romein en zijn
zoon draagt de kleeding van een Jood?
--De edele Arrius was mijn pleegvader, zeide Ben-Hur.
--O zoo; vergeef mij zoo ik nieuwsgierig scheen.
Zij verlieten het bosch en kwamen aan een uitgestrekt veld, dat tot
renbaan was ingericht. Ten gerieve der toeschouwers was aan weerszijden
voor overdekte staan- en zitplaatsen gezorgd, de laatste
amphitheaterswijze.
Ben-Hur telde de wagens, die de baan inreden, negen in 't geheel.
--Ik wensch de menners geluk, zeide hij opgeruimd. Ik dacht dat men zich
hier in 't Oosten vergenoegde met een tweespan; maar zij zijn eerzuchtig
en wagen zich aan de vorstelijke vier. Laat ons zien wat zij er van
maken.
Acht vierspannen gingen voorbij, sommige stapvoets, andere in draf,
uitnemend bestuurd. Toen naderde het negende in vollen galop.
Ben-Hur uitte een kreet van bewondering. Ik ben in de keizerlijke
stallen geweest, Malluch, zeide hij; maar bij onzen vader Abraham, zulke
paarden zag ik nimmer.
Pijlsnel vlogen zij voorbij. Een oogenblik later geraakten zij eensklaps
in de war. Achter zich hoorde Ben-Hur een kreet van woede. Hij keerde
zich om en zag op een van de bovenste banken een grijsaard, ter prooi
aan de grootste opgewondenheid. Een lange, witte baard golfde hem op de
borst. Sommige der omstanders begonnen te lachen.
--Zij moesten ten minste achting hebben voor zijn baard.... Wie is hij?
vraagde Ben-Hur.
--Een aanzienlijk man uit de woestijn. Sheik Ilderim heet hij, eigenaar
van vele kameelen. Zijn paarden, zegt men, zijn van het zuiverste ras,
afstammelingen van de beste renners van den eersten Pharao, antwoordde
Malluch.
De menner deed intusschen al wat hij kon om zijn vierspan tot kalmte te
brengen, maar tevergeefs. Elke mislukte poging maakte den Sheik
onrustiger.
--Abaddon! riep hij met schelle stem tot een zijner dienstknechten,
gauw, haast u! Grijp ze! Loop! Hoort gij mij niet? Het zijn vrije
kinderen der woestijn, evenals gijzelf!
De paarden werden wilder en wilder.
--Vervloekte Romein! riep de Sheik en balde de vuist tegen den menner;
zwoer hij niet bij al zijn valsche goden, dat hij wist hoe men er mee om
moet gaan?... Blijf van mij af, zeg ik!... Ik wil het zeggen dat
iedereen het hoort.... Zij zouden als arenden vliegen, zei hij, en toch
zacht zijn als jonge lammeren. Vervloekt zij hij! Zie hen aan, de
weergaloozen! Als hij waagt hen met de zweep aan te raken, dan--
Het overige van den zin ging verloren in woedend tandengeknars. Abaddon!
riep hij een oogenblik later, Asalthiël! Gaat dan toch en houdt ze
tegen! Spreekt tot hen! Eén woord is voldoende! O dwaas, die ik was, om
een Romein te vertrouwen!
Ben-Hur, die den Sheik meende te begrijpen, kon voor hem gevoelen. Hij
wist dat niet zoozeer gekwetste ijdelheid, niet angst over den uitslag
van den wedren, hem in zulk een toestand bracht; maar de bezorgde
teedere liefde voor zijn dieren, die bij den woestijnbewoner gewoonlijk
aan hartstocht grenst.
't Waren dan ook prachtexemplaren, kastanjebruin van kleur, volmaakt
gelijk aan elkander, en zoo goed geëvenredigd, dat zij kleiner toonden,
dan zij werkelijk waren. De kleine koppen, fijne ooren, de wijdgeopende
neusgaten, vuurrood van binnen, de sierlijk gewelfde halzen, de
prachtige dikke manen, die tot op de schouders en borst neerhingen,
terwijl de voorhoofdlokken aan uitgerafelde zijde deden denken, de
schoon gevormde pooten--alles kenmerkte het edelste Arabische ras. Wild
steigerend sloegen zij de lucht met hun glanzig zwarte, dikke, lange
staarten. De Sheik noemde ze weergaloos, en hij had gelijk.
Bij deze tweede en nadere beschouwing begreep Ben-Hur ten volle in welke
verhouding de dieren tot hun meester moesten staan. Opgegroeid onder
zijn oog, het voorwerp van zijne bijzondere zorgen bij dag, het
onderwerp zijner droomen bij nacht, met zijn gezin de zwarte tent in de
woestijn deelende, had hij hen lief als zijne kinderen. Opdat zij hem
een triomf over de hooghartige, gehate Romeinen zouden doen behalen, had
de oude man zijn lievelingen naar de stad gebracht. Hij twijfelde niet
aan hunne overwinning, als hij maar een vertrouwbaren wagenmenner kon
vinden, die behalve de bekwaamheid ook den tact bezat om met hen om te
gaan. Het was hem, den Sheik en Arabier, onmogelijk koel toeschouwer te
blijven, en later den onhandige met een scherpe vermaning weg te zenden,
zooals een Westerling allicht zou gedaan hebben,--hij moest zijn woede
openlijk lucht geven.
Nog voordat de Sheik van zijne drift bekomen was, hadden een dozijn
handen de paarden bij 't gebit gegrepen en tot staan gebracht. Thans
verscheen de tiende wagen in de renbaan. In afwijking van de andere
waren hier menner, wagen en paarden geheel uitgedost zooals zij op den
dag van den wedstrijd in den circus zouden verschijnen.
Daar de Romeinschen strijdwagens algemeen bekend zijn behoeven wij ze
hier niet nader te beschrijven. De eerste mededingers waren stilzwijgend
ontvangen; toen deze laatste de baan inreed klapten verscheidene
toeschouwers in de handen en juichten hem luide toe, zoodat weldra de
algemeene aandacht op hem gevestigd was. De twee middelste paarden waren
zwart, de twee buitenste sneeuwwit. Hunne staarten waren op Romeinsche
manier kort gesneden, evenzoo hunne manen, die daarenboven met roode en
gele linten doorvlochten waren. De wagen zelf was een waar kunststuk.
Het schoone geheel trok ten zeerste Ben-Hurs aandacht, en de menner--wie
kon dat zijn? De toejuichingen deden vermoeden dat hij een aanzienlijk
persoon, misschien wel een vorst was. Men zal zich herinneren dat zelfs
de keizers Nero en Commodus gaarne deelnamen aan wedrennen. Ben-Hur
stond op en drong door tot de onderste rij, vlak bij de borstwering.
Nog een paar minuten en hij kreeg den wagenmenner vlak in 't gezicht.
Deze had een vriend naast zich, in de taal der klassieken een Myrtilus
geheeten, hetgeen mannen van aanzien, die aan wedrennen deelnamen,
geoorloofd was. Ben-Hur kon alleen den menner zien, recht overeind
staande in zijnen wagen, de teugels verscheidene malen om zijn lichaam
gewonden. Hij droeg een lichtroode tunica, in de rechterhand hield hij
de zweep, in de linker de vier leidsels. De houding was uitermate
sierlijk en opgewekt. Toejuichingen en handgeklap werden met kalme
onverschilligheid ontvangen. Ben-Hur stond aan den grond genageld--zijn
instinct en geheugen hadden hem niet bedrogen: dat was Messala.
Aan de keus der paarden, aan den prachtigen wagen, aan de houding,
bovenal aan de trotsche uitdrukking op het koele, scherpe gelaat, zag
Ben-Hur, dat Messala onveranderd dezelfde gebleven was: hooghartig,
overmoedig, eerzuchtig, cynisch, onverschillig.
* * * * *
ACHTSTE HOOFDSTUK.
BIJ DE BRON.
Toen Ben-Hur zich met anderen gereedmaakte om heen te gaan, stond een
Arabier op en riep met luide stem: Gij mannen van het Oosten en van het
Westen, hoort! De goede Sheik Ilderim groet u. Met vier paarden, zonen
van Koning Salomo's lievelingsrossen, kwam hij naar Antiochië om aan de
wedrennen deel te nemen. Hij heeft een bekwaam menner noodig voor zijne
paarden. Wie ze naar wensch voor hem besturen wil zal hij met rijkdom
overladen. Maakt dit aanbod bekend, hier, daar in de stad, in den
circus, overal waar de sterken samenkomen. Zoo zegt mijn meester, Sheik
Ilderim de Edelmoedige.
De proclamatie verwekte veel beweging. Vóór den nacht zou zij zeker alom
in Antiochië besproken worden. Ben-Hur keek besluiteloos van den heraut
naar den Sheik. Malluch dacht dat hij zich aan zou melden, en voelde
zich werkelijk verlicht, toen de jonkman zich tot hem keerde met de
vraag: Waar nu heen?
Malluch antwoordde lachend: Indien gij als anderen wilt doen, die het
Park voor de eerste maal bezoeken, dan laat u vóór alle dingen
waarzeggen.
--Waarzeggen? Dat klinkt wel wat heidensch; maar 't zij zoo. Laat ons
naar de godin gaan.
--Neen, zoon van Arrius, deze Apollodienaars hebben een betere manier
dan dat. In plaats van een samenspraak met een Pythia of Sibylle,
verkoopen zij u een gewoon papyrusblad, slechts even gedroogd. Dat laten
zij u in het water dompelen van een zekere bron, waarna gij er, in een
versje, uwe toekomst op voorspeld vindt.
Ben-Hur, die eerst met belangstelling geluisterd had, antwoordde op
somberen toon: Sommige menschen behoeven zich niet over hunne toekomst
te bekommeren.
--Wilt gij dan liever naar de tempels gaan?
--De tempels zijn Grieksch, niet waar?
--Zoo noemt men ze ten minste.
--De Grieken zijn meesters in de schoone kunsten, maar in de bouwkunst
hebben zij de afwisseling opgeofferd aan strakke schoonheid. Hun tempels
zijn alle volkomen hetzelfde. Hoe heet de bron waar gij van verteldet?
--Castalia.
--O, die! Ja, die is over de gansche aarde beroemd. Daarheen dus.
Malluch sloeg, onder het gaan, zijn metgezel in stilte gade, en bemerkte
dat zijn opgewektheid voor het oogenblik althans verdwenen was. Voor de
wandelaars had hij geen oog; de wonderwerken, die zij voorbijgingen,
ontlokten hem geen enkelen uitroep van verbazing. Zwijgend, ja gemelijk
vervolgde hij zijnen weg.
Die verandering van stemming was aan de onverwachte verschijning van
Messala te wijten. Het verledene stond hem op eens zoo levendig voor den
geest. Het scheen hem nauwelijks een uur geleden, dat men hem met geweld
van zijne moeder wegrukte, nauwelijks een uur geleden, dat de Romein
zijn ouderlijk huis liet dichtspijkeren. Hij herdacht de drie vreeselijke
jaren op de galeien, waarin hij behalve zijn werk weinig anders te doen
had, dan van wraak te droomen, waarvan Messala het middelpunt was.
Gratus, was hij gewoon tot zichzelven te zeggen, mocht desnoods
ontsnappen; maar Messala--nooit! Want wie, zoo vraagde hij telkens weer
opnieuw, wees ons aan, toen de vervolgers het huis binnendrongen? En
toen ik smeekte om hulp, niet voor mijzelf, wie bespotte mij toen en
ging lachend heen?... En altijd weer eindigden die overleggingen met de
bede: Ten dage dat ik hem ontmoet, o God van Jakob, help mij dan! Help
mij een gepaste wraak te vinden!
En nu was de ontmoeting nabij! Misschien zou Ben-Hur er anders over
gedacht hebben als hij Messala arm en lijdend had teruggevonden; maar
dat was niet het geval. Hij vond hem op het toppunt van glorie, van
aanzien en macht.
Wat Malluch dus voor een voorbijgaande neerslachtigheid hield, was
ernstig overleg wanneer hij zich tegenover Messala zou kunnen stellen en
op welke wijze hij die ontmoeting tot een onvergetelijke zou kunnen
maken.
Na een poosje kwamen zij aan een breede eikenlaan, druk bezocht door
groepjes wandelaars, paardrijders, vrouwen in draagstoelen. Aan het
einde der laan daalde de weg zacht glooiend af in een groene vlakte, die
aan de eene zijde door een steilen rotswand afgesloten was. Hier bevond
zich de beroemde bron Castalia.
Ben-Hur baande zich een weg door de menigte, die zich rondom de bron
verdrong. Een zwart marmeren bassin ving het water op, dat met kracht
uit de rots stroomde, om na veel borrelen en schuimen als door een
trechter te verdwijnen.
Naast het bassin zat onder een rots uitgehouwen afdak een priester. De
lange baard, en de kap, die zijn hoofd bedekte, gaven hem het voorkomen
van een kluizenaar. Uit de gedragingen der omstanders kon men moeilijk
opmaken wat hier eigenlijk het aantrekkingspunt was, de altijd vlietende
bron, of de altijd aanwezige priester. Hij hoorde, zag, werd gezien,
maar sprak nooit. Bij tijd en wijle bood een bezoeker hem een geldstuk
aan, waarvoor de priester een papyrusblad in ruil gaf. De kooper haastte
zich dan om het blad in het bekken te doopen, hield het vervolgens tegen
het licht, om weldra beloond te worden met de verschijning van eenige
dichtregelen, en al had die poëzie meestal weinig verdienste, de goede
naam der bron leed er niet onder.
Voordat Ben-Hur echter het orakel kon raadplegen naderde een nieuw
gezelschap, welks verschijning de algemeene nieuwsgierigheid opwekte.
Een groote witte kameel, geleid door een drijver te paard, droeg op den
rug een buitengewoon breede, rijk met goud versierde zonnetent. Twee
andere ruiters, met lange speren in de hand, volgden de kameel.
--Wat een mooi dier! zeide iemand.
--Zeker een vreemde vorst, zeide een ander.
--Neen, een koning.
--Een koning zou op een olifant zitten!
--Bij Apollo, vrienden, zeide een vijfde, 't zijn geen koningen of
vorsten, 't zijn twee vrouwen!
Terwijl de lieden er zich nog druk over maakten, hadden de vreemdelingen
de bron bereikt. De kameel beantwoordde van nabij gezien volkomen aan de
verwachting. Nog nooit had een der aanwezigen prachtiger dier aanschouwd.
Wat groote zwarte oogen, wat fijn wit haar, wat goed gevormde pooten,
zoo onhoorbaar van stap en toch zoo krachtig!... zijns gelijke was er
niet. Hoe goed pasten die gouden franjes en kwasten en die rinkelende
zilveren belletjes bij hem!
Maar wie waren die man en die vrouw onder de tent?
De oogen van allen waren op hen gevestigd.
De man was zeer oud, de vrouw nog jong en zeer schoon. Zij was gehuld in
kanten sluiers van zeldzaam fijn weefsel. Boven den elleboog droeg zij
armbanden, in den vorm van slangen, door fijne gouden kettinkjes aan de
armbanden om den pols verbonden. De kleine handen waren met kostbare
ringen versierd. Op het hoofd droeg zij een netje van gouddraad met
bloedkoralen doorregen, en rondom afgezet met muntstukjes, zoodat zij
aan den voorkant op haar voorhoofd rustten. Van haar hoogen zetel zag
zij kalm en tevreden op het volk neer, oogenschijnlijk zóó bezig met het
te bestudeeren, dat zij niets merkte van de nieuwsgierigheid, die
zijzelve opwekte. Tegen alle gewoonte in, daar aanzienlijke vrouwen zich
nimmer in het openbaar met ongedekt gelaat vertoonden, zat zij daar met
weggeslagen sluier.
Het was een mooi ovaal gezichtje, donker en toch doorschijnend van tint.
De half geopende lippen lieten twee rijen blinkend witte tandjes zien.
Nu wendde zij zich tot den drijver, een forsch gebouwd Ethiopiër, die
den kameel tot vlak bij het bassin leidde en hem deed neerknielen. Zij
reikte den man een beker toe, om dien aan de bron te vullen.
Op datzelfde oogenblik werd de door hare komst veroorzaakte stilte
verbroken door het geluid van wielen en paardengetrappel. Met luide
kreten van schrik stoven allen links en rechts.
--Pas op, de Romein is van plan er op in te rijden! waarschuwde Malluch
en vloog op zij.
Ben-Hur keek om en zag Messala, die met zijn vierspan regelrecht op het
volk aankwam. Ditmaal kon hij hem duidelijk in 't gelaat zien.
Het uiteenstuiven van de menigte bracht den kameel in groot gevaar.
Reeds waren de paarden vlak bij hem en nog lag hij met gesloten oogen te
rusten en te herkauwen, zich veilig voelend bij zijn meester. De
Ethiopiër wrong de handen in wanhoop. De grijsaard in de tent rees
overeind, als dacht hij aan vluchten; maar behalve dat de stramheid
zijner leden hem dat belette, kon hij toch in de ure des gevaars zijne
waardigheid niet vergeten. En wat zijne dochter betreft, voor haar was
het in ieder geval te laat om nog aan ontkomen te denken.
Ben-Hur stond er het dichtst bij en riep Messala toe: Halt! Zie dan toch
wat gij doet! Terug! Terug!
De patriciër lachte hartelijk, en ziende dat hem geen keus bleef sprong
Ben-Hur toe, greep de twee bijdehandsche paarden in den teugel, en rukte
hem met inspanning van alle krachten op zij. Vervloekte Romein! riep hij
Messala toe, bekommert gij u dan zoo weinig om het leven van een ander?!
De twee paarden steigerden en trokken de andere mee. De wagen dreigde te
kantelen. Messala hield zich slechts met de grootste moeite staande,
terwijl zijn goedhartige Myrtilus achterover tuimelde in het gras. Toen
zij zagen dat het gevaar geweken was lachten al de omstanders den Romein
van harte uit.
Messala toonde zich thans in grenzenlooze onbeschaamdheid. Zich van de
teugels losmakend sprong hij uit den wagen, liep om den kameel heen,
keek Ben-Hur in het voorbijgaand achteloos aan en zeide toen tot de twee
vreemdelingen: Vergeeft het mij, bid ik u. Ik ben Messala, en bij onze
moeder aarde zweer ik u, dat ik u en den kameel niet zag. Wat deze goede
lieden betreft, ik rekende misschien te veel op mijne behendigheid, ik
wilde mij ten hunnen koste vermaken, en zie, het lachen is aan hen. Moge
het hun goed bekomen!