--Daar ik u niet bewijzen kan, dat ik mijn vaders zoon ben, trek ik

mijne vraag terug. Gij zult mij niet wederzien. Alleen dit nog: Mijn

bedoeling was niet u te doen terugkeeren tot dienstbaarheid, of

rekenschap te eischen van uw vermogen. Welke ook de uitkomst mocht

geweest zijn, ik zou gezegd hebben wat ik nu ook zeg: Alles wat gij door

uw vlijt en talenten gewonnen hebt is het uwe. Behoud het in vrede. Ik

heb het niet noodig. Toen de goede Quintus, mijn tweede vader, de reis

aanvaardde, waarvan hij niet zou terugkeeren, maakte hij mij tot eenige

erfgenaam van zijn vorstelijk vermogen. Mocht gij dus bijgeval later nog

eens aan mij denken, laat het dan alleen zijn in verband met de vraag,

die het voornaamste doel mijner komst was. Wat weet gij, wat kunt gij

mij vertellen van mijne moeder en van Tirza, mijne zuster; zij, die in

schoonheid en bevalligheid aan uwe beminnelijke dochter gelijk zou zijn?

O zeg, wat kunt gij mij van haar vertellen?

De tranen stroomden langs Esthers wangen, maar haar vader bleef

onbewogen. Met vaste stem antwoordde hij: Ik heb gezegd dat ik vorst Hur

gekend heb. Ik herinner mij vernomen te hebben, dat zijn gezin door vele

rampen getroffen werd. Hij, die de weduwe van mijn vriend in het verderf

stortte, is dezelfde, die ook mij vervolgd heeft. Ik wil nog verder

gaan, en u zeggen dat ik naarstig onderzocht heb wat van de familie

geworden is; maar--ik kan u niets van haar vertellen. Zij zijn als van

den aardbodem verdwenen.

Ben-Hur slaakte een diepen zucht. Dan--dan is weder een hoop vervlogen,

zeide hij. Ik ben gewoon aan teleurstellingen. Ik bid u vergeef mij, zoo

ik u moeite veroorzaakte, vergeef het ter wille van mijne smart. Ik heb

nu niets meer om voor te leven dan mijne wraak. Vaarwel.

Bij den uitgang keerde hij zich om en zeide eenvoudig: Ik dank u beiden.

--De vrede Gods vergezelle u, zeide de koopman.

Esther kon niet spreken, zij snikte luid.

En zoo vertrok hij.

* * * * *

VIERDE HOOFDSTUK.

SIMONIDES.

Nauwelijks was Ben-Hur de kamer uit, of Simonides scheen als uit den

slaap te ontwaken. Zijn gelaat gloeide, zijn sombere oogen schoten vuur.

Op levendigen toon zeide hij: Gauw, Esther, bel eens gauw!

Zij ging naar de tafel en drukte op een knopje. Dadelijk daarop

verscheen door een deur in den muur een bediende, die voor den koopman

bleef staan en een eerbiedigen buiging maakte.

--Hier, Malluch, dichter bij mijn stoel, beval de meester. Ik heb een

werk voor u, dat niet mag mislukken, al viel de zon ook van den hemel.

Luister! Zooëven verliet mij een jonkman, hij zal door het pakhuis gaan,

slank, schoon, als Israëliet gekleed. Volg hem, zijn schaduw mag niet

onafscheidelijker van hem zijn dan gij. Iederen avond doet gij mij weten

waar hij is, wat hij doet, welk gezelschap hij opzoekt; en als gij

zonder vrees voor ontdekking zijne gesprekken kunt afluisteren, breng ze

mij dan woord voor woord over, met alles wat dienen kan om zijne

gewoonten, zijne bedoelingen, zijn leven te leeren kennen. Begrepen? Ga

gauw. Wacht, Malluch, luister nog even. Gaat hij de stad uit, volg hem,

en doe u als vriend voor. Spreekt hij u aan, zeg wat gij wilt, alleen

niet dat gij in mijn dienst zijt. Daarover gezwegen. Haast u! Spoed u

voort!

De man groette en ging heen.

Toen wreef Simonides zijn vermagerde handen en lachte.

--Welke dag is het vandaag, kind? vraagde hij vroolijk. Ik wil hem

onthouden als een geluksdag. Zie den datum lachend na, en zeg hem mij

lachend, Esther.

Die vroolijkheid kwam haar onnatuurlijk voor, en om hem dat zachtkens te

doen gevoelen antwoordde zij droevig: Wee mij, vader, zoo ik ooit dezen

dag kon vergeten!

Zijne handen vielen slap neer, hij boog het hoofd en zeide: Zeker,

zeker, mijn kind. Dit is de twintigste dag van de vierde maand. Vandaag

voor vijf jaren viel mijn lieve Rachel, uwe moeder, neer en stierf. Zij

brachten mij thuis, gebroken, zooals gij mij nu ziet, en wij vonden haar

bezweken door smart. O, voor mij was zij een struik kamfer in de

wijngaarden van Engedi. Ik heb mijne myrrhe geplukt met mijne specerij.

Ik heb mijne honigraten met mijnen honig gegeten. Wij begroeven haar op

een eenzame plek, een graf uitgehouwen in den berg, niemand ligt bij

haar. Maar zij liet mij in mijne duisternis een klein lichtje na, dat

met de jaren toenam in glans. (Hij legde zijne hand op Esthers hoofd.)

Lieve God, ik dank u, dat ik in mijne Esther mijne verlorene Rachel mag

zien herleven!

Toen lichtte hij het hoofd weder op en zeide, alsof een invallende

gedachte hem trof: Is het niet klaarlichte dag daarbuiten?

--Zoo was het toen de jonkman binnenkwam.

--Laat Abimelech dan komen en mij naar den tuin brengen, waar ik de

rivier en de schepen kan zien. Daar zal ik u zeggen waarom zooeven mijn

mond lachte en mijne tong zong, en mijn hart opsprong binnen in mij, als

een ree of jonge gazelle op de welriekende bergen.

Op haar schellen kwam een tweede knecht en duwde op haar bevel den

stoel, tot dat doel op wieltjes staande, de kamer uit, naar het dak van

het lager gelegen huis, den tuin, zooals Simonides het noemde. Tusschen

de schoonste, met de meeste zorg gekweekte bloemen door, werd hij naar

een punt gerold, vanwaar hij de brug, de fonkelende rivier en de

talrijke schepen overzien kon. Daar liet de knecht hem met Esther

alleen.

Het geraas, dat de arbeiders maakten, hinderde hem niet, evenmin als de

drukte op de brug schuin boven zijn hoofd. Hij was daaraan gewoon en

merkte het ternauwernood op.

Esther zette zich op de armleuning van zijn stoel en streelde zijne

hand, in afwachting dat hij spreken zou. Eindelijk begon hij op zijn

gewonen kalmen toon. Zijn machtige wil had hem de zelfbeheersching

teruggegeven.

--Toen die jonkman sprak, Esther, heb ik u gadegeslagen, en meende te

zien dat gij voor hem gewonnen waart.

Het meisje sloeg de oogen neer en antwoordde: Als u bedoelt, vader, dat

ik zijne woorden geloofde, ja, dan hebt u gelijk.

--In uwe oogen is hij dus de zoon van vorst Hur?

--Als hij het niet is....

--Nu, wat dan, kind?

--Ik ben uwe dienstmaagd, vader, sinds moeder Gods roepstem volgde. Aan

uwe zijde staande heb ik gehoord en gezien hoe u op verstandige wijze

handeldet met allerlei soort van mannen, die langs rechte of kromme

paden winst zochten te behalen. Daarom zeg ik, als deze jonkman niet de

vorst is, waarvoor hij zich uitgeeft, dan zag ik de leugen nog nimmer

zoo goed de rol van waarheid en recht spelen.

--Bij de wijsheid van Salomo, dochter, dat is een veelbeteekend woord.

Gelooft gij dat uw vader zijn vaders lijfeigene was?

--Mij dacht, hij vraagde alleen maar, of dat zoo was.

--Wel, gij zijt een goed kind, Esther, met echt Joodsche scherpzinnigheid

begaafd, en krachtig genoeg om een droevig verhaal te horen. Luister dus

goed, want ik zal u iets van mijzelven vertellen, en van uwe moeder, en

van vele dingen, die tot een verleden behooren, waarvan gij niets

vermoedt, dingen, die den wraakgierigen Romein verborgen zijn gebleven

ter wille van een stille hoop, en die ik u verzwegen heb, opdat uw

gemoed zich tot den God Israëls zou keeren, als het riet naar de zon. Ik

ben geboren in een spelonk in de vallei Hinnom, aan de zuidzijde van den

berg Sion. Mijn vader en moeder waren Hebreeuwsche lijfeigenen. Zij

verzorgden de olijf- en vijgeboomen in den Koningstuin bij Siloam. Toen

ik groot genoeg was hielp ik hen. Zij behoorden tot de klasse, die tot

altijddurenden dienst verplicht is. Ik werd later verkocht aan vorst

Hur, na koning Herodes de rijkste inwoner van Jeruzalem. Die zond mij

naar zijn magazijn in Alexandrië, waar ik meerderjarig werd. Ik diende

hem zes jaar, in het zevende werd ik naar de wet van Mozes vrij.

Esther klapte in de handen.

--O, dan zijt gij niet zijn vaders lijfeigene!

--Luister verder, kind. Er waren in die dagen wetgeleerden, die met

groote heftigheid de stelling verdedigden, dat de kinderen van

lijfeigenen levenslang tot den stand hunner ouders behooren; maar vorst

Hur was rechtvaardig in alle dingen en een bekwaam uitlegger der Wet.

Hij zeide, dat ik een gekochte Hebreeuwsche dienstknecht was en volgens

de bedoeling van den grooten Wetgever in vrijheid kon uitgaan. Op

gezegelde brieven, die ik trouw bewaard heb, verklaarde hij mij vrij.

--En mijne moeder? vraagde Esther.

--Gij zult alles hooren, kind. Heb maar geduld. Voordat ik uitgesproken

heb zult gij zien, dat ik lichter mijzelf zou kunnen vergeten, dan uwe

moeder.... Toen mijn diensttijd verstreken was, ging ik met het

Paaschfeest op naar Jeruzalem. Mijn meester ontving mij in zijn huis.

Ik had hem lief met mijn gansche hart en verzocht hem in zijn dienst te

mogen blijven. Dat stond hij toe en ik diende hem nogmaals zeven jaren,

maar thans als een gehuurde zoon van Israël. Hij droeg mij de leiding op

van belangrijke ondernemingen ter zee, en het toezicht over zijne

karavanen naar Suza en Persepolis. Het waren gevaarvolle tochten, kind,

maar de Heer zegende alles wat ik ondernam. Ik bracht den vorst groot

gewin aan en deed voor mezelf een schat van kennis op, zonder welke ik

de verplichtingen, die mij later werden opgelegd, niet zou hebben kunnen

nakomen. Op zekeren dag bevond ik mij te Jeruzalem in het huis van den

vorst. Eene dienstmaagd kwam binnen met een schaal brood. Zij bood mij

daarvan aan. Dat was de eerste maal dat ik uwe moeder zag. Ik kreeg haar

lief. Niet lang daarna vraagde ik de vorst haar mij tot vrouw te geven.

Hij antwoordde, dat zij een lijfeigene was, levenslang dienstbaar; maar

dat hij haar om mijnentwil vrij zou laten. Zij had mij wederkeerig lief,

maar voelde zich gelukkig waar zij was en nam haar aangeboden vrijheid

niet aan. Telkens als ik te Jeruzalem kwam, hield ik bij haar aan, maar

haar antwoord bleef onveranderlijk hetzelfde: dat zij mijne vrouw wilde

worden, mits ik haar mededienstknecht werd. Onze vader Jakob diende

tweemaal zeven jaren om zijne Rachel, kon ik dat niet voor de mijne

doen? Maar uwe moeder zeide, dat ik een lijfeigene moest worden mijn

leven lang, evenals zij. Ik ging heen, maar kwam terug. Zie maar,

Esther, zie maar.

Hij schoof zijn hoofddoek weg, wees op zijn linkeroor, en zeide: Ziet ge

het litteeken van den priem?

--Ik zie het, antwoordde zij. Wat hebt ge moeder liefgehad!

--Ach, Esther, zij was mij dierbaarder dan Sulamith den koninklijken

zanger; zij was mij een springader van levend water, als de stroomen van

den Libanon. De vorst bracht mij op mijn verzoek voor de rechters,

voerde mij terug naar zijne huisdeur, en doorpriemde mijn oor met den

priem, zoodat ik voor eeuwig zijn dienstknecht was. Aldus heb ik mijne

Rachel gewonnen. Was er ooit grooter liefde dan de mijne?

Esther boog zich en kuste hem. Toen zwegen beiden een geruime poos.

--Mijn meester verdronk op zee, de eerste droefheid die mij overkwam,

vervolgde Simonides. Er was rouwgeklag in zijn huis en in het mijne,

hier in Antiochië, waar ik toen reeds woonde. Let nu goed op, Esther.

Toen de vorst stierf was ik opgeklommen tot eersten rentmeester.

Alles wat hij bezat stond onder mijn beheer. Daaruit kunt gij zien dat

hij mij volkomen vertrouwde en liefhad. Ik haastte mij naar Jeruzalem,

om de weduwe rekening en verantwoording te doen. Zij bevestigde mij in

mijn ambt. Ik legde mij met nog meer ijver op mijn werk toe. De zaak

bloeide en breidde zich jaarlijks uit. Zoo gingen tien jaren voorbij,

toen viel de slag, waarvan de jonge man straks gewaagde. Ik bedoel het

ongeluk met den procurator Gratus. De Romein noemde het een poging tot

moord. Onder dat voorwendsel legde hij, met toestemming van den keizer,

ten eigen bate beslag op alles wat de weduwe bezat. Daar bleef het niet

bij. Opdat geen herroeping van het vonnis mogelijk zou zijn, verwijderde

hij alle belanghebbenden. Sedert dien vreeselijken dag is de familie Hur

spoorloos verdwenen. De zoon, dien ik als kind gezien had, werd naar de

galeien verwezen. De weduwe en de dochter zijn waarschijnlijk opgesloten

in een der gevangenissen van Judea. Eenmaal achter de veroordeelden

gesloten, zijn die holen aan grafspelonken gelijk. Weggevaagd zijn de

armen, alsof de zee ze verzwolgen had. Wij konden niet eens te weten

komen hoe zij stierven; neen, zelfs niet of zij dood zijn.

Esthers oogen stonden vol tranen.

--Uw hart is goed, Esther, evenals dat van uwen moeder, en ik bid God,

dat het niet het lot moge ondergaan van het meerendeel der goede harten:

vertrapt te worden door onmeedoogenden en blinden. Maar luister verder.

Ik begaf mij dadelijk naar Jeruzalem, om mijne meesteres, zoo mogelijk,

te helpen, maar werd bij de poort gegrepen en naar de burcht Antonia

gebracht, waarom wist ik niet, totdat Gratus zelf verscheen en de gelden

opeischte van het huis Hur, welke hij wist dat, naar Joodsch gebruik,

door wissels van mijne handteekening voorzien, overal konden opgevraagd

worden. Hij verlangde dat ik zijn bevel zou onderteekenen. Ik weigerde.

Hij had de huizen, landerijen, goederen, schepen van hen, die ik diende,

maar niet het geld. Ik wist dat ik, als God met mij bleef, het verlorene

ruimschoots kon herwinnen. Ik weigerde den tiran te gehoorzamen. Hij

deed mij op de pijnbank leggen. Ik bleef standvastig. Hij hergaf mij de

vrijheid zonder zijn doel bereikt te hebben. Ik kwam thuis en begon

handel te drijven op naam van Simonides van Antiochië, zooals ik dat

vroeger deed op naam van vorst Hur van Jeruzalem. Gij weet, Esther, dat

alles mij meeliep, dat het vorstelijk vermogen onder mijn beheer tot in

het wonderbaarlijke aangroeide. Gij weet dat ik drie jaren later naar

Cesarea ging, waar ik weder op bevel van Gratus gegrepen en gepijnigd

werd, om mij de bekentenis af te persen, dat mijn geld en goed tot het

door hem in beslag genomene behoorde. Gij weet, dat hij evenmin als

vroeger iets op mij vermocht. Gebroken naar 't lichaam kwam ik thuis en

vond mijne Rachel dood, van angst en droefheid over mij. De Heer onze

God regeert; ik bleef in het leven. Van den keizer zelf kocht ik het

privilegie, om over de geheele wereld handel te mogen drijven. Heden,

geloofd zij Hij, die de wolken maakt tot zijne wagen en en op de winden

wandelt, heden, Esther, is datgene wat mij als rentmeester was

toevertrouwd tot een vermogen aangegroeid, waar een keizer van zou

kunnen leven.

Trots hief Simonides het hoofd op. Hunne oogen ontmoetten elkander, zij

lazen elkanders gedachten.

--Wat zal ik met den schat doen, Esther? vraagde hij, haar strak

aanziende.

--Vader, zeide zij zacht, heeft de rechtmatige eigenaar zich straks niet

aangemeld?

Zijn oog bleef vast op het hare gericht.

--Maar gij, mijn kind, moet ik u als bedelares achterlaten?

--Neen, vader; ben ik niet, omdat ik uw kind ben, zijne dienstmaagd? En

van wie staat geschreven: Kracht en eer zijn haar kleedij, en zij zal in

toekomstige tijden zich verblijden?

Met een uitdrukking van innige liefde op het gelaat antwoordde hij: God

is in vele opzichten goed voor mij geweest; gij, Esther, zijt het

grootste bewijs van zijne gunst.

Hij trok haar tot zich en kuste haar herhaaldelijk.

--Hoor nu, zeide hij, waarom ik straks lachte. De jonge man was sprekend

het evenbeeld van zijn vader, toen hij nog jong was. Mijn hart vloog hem

te gemoet om hem te begroeten. Ik voelde dat mijn lijdenstijd voorbij

was en mijn zwoegen geëindigd. Ik had het uit kunnen schreeuwen van

blijdschap. Ik zou niets liever gedaan hebben, dan hem bij de hand

nemen, hem de kasboeken toonen en zeggen: Zie, dat is alles het uwe, en

ik ben uw dienstknecht, bereid om afgeroepen te worden. En dat zou ik

gedaan hebben, Esther, dat zou ik gedaan hebben, zoo niet op dat

oogenblik een drietal gedachten bij mij opgekomen was en mij weerhouden

had. Ik moet zeker weten, dat hij de zoon mijns meesters is, dat was de

eerste gedachte. Is hij dat, dan moet ik iets aangaande zijn karakter

zien te vernemen; want, Esther, onder degenen, die in weelde geboren

werden, zijn velen in wier hand de rijkdom tot een vloek werd....

Hij zweeg even, toen vervolgde hij, trillend van moeilijk bedwongen

hartstocht: Denk aan de folteringen, die de Romein mij heeft doen

ondergaan, neen, niet Gratus alleen; de ellendelingen, die zijne bevelen

ten uitvoer brachten, waren allen Romeinen en zij lachten bij mijne

jammerkreten. Denk aan mijn verbrijzeld lichaam en aan de jaren die ik,

de sterke man, in hulpbehoevendheid heb moeten doorbrengen. Denk aan uwe

moeder in haar eenzaam graf. Denk aan het vreeselijke lijden van het

gezin mijns meesters als zij nog leven, en aan het wreede van hunnen

dood als zij niet meer zijn. Bedenk dat alles en zeg mij, zal dan geen

enkele druppel bloed vergoten worden ten zoen? Zeg nu niet wat onze

leeraars soms zeggen: De Wrake is des Heeren ... zijn niet zijne

krijgsknechten talrijker dan zijne profeten? Luidt niet een van zijne

geboden: Oog om oog, tand om tand? Al deze jaren door heb ik gedroomd

van wraak, er om gebeden, haar voorbereid, geduld geoefend bij het

aanschouwen van de vermeerdering mijner schatten, in het vaste geloof,

dat zij mij eenmaal zouden helpen de goddeloozen te straffen. Toen nu de

jonge man van zijne bedrevenheid in het voeren der wapenen sprak en er

bijvoegde, dat hij een bepaald doel in het oog hield, kwam de derde

gedachte, de gedachte van wraak, bij mij op, en die, Esther, deed mij

onvermurwbaar blijven zoolang hij sprak en lachen toen hij vertrokken

was.

Esther liefkoosde zijne hand en zeide op peinzenden toon: Hij is weg;

zal hij terugkomen?

--Zeker; Malluch, de getrouwe, gaat met hem en zal hem wederbrengen, als

ik gereed ben.

--En wanneer zal dat wezen, vader?

--Weldra, weldra. Hij denkt dat alle getuigen dood zijn. Er leeft nog

één wezen dat hem herkennen zal, indien hij waarlijk mijn meesters zoon

is.

--Zijne moeder?

--Neen, kind. Ik zal de getuige tegenover hem stellen. Tot zoolang

willen wij deze zaak in des Heeren hand laten. Ik ben moe. Roep

Abimelech.

Esther deed wat haar gelast werd en vergezelde haren vader naar binnen.

* * * * *

VIJFDE HOOFDSTUK.

DAPHNE'S PARK.

Ben-Hur verliet het pakhuis met het bewustzijn, dat hij weer een nieuwe

teleurstelling voegen kon bij de vele, die hij reeds had ondervonden in

het zoeken naar zijne familie. Die gedachte was zeer neerdrukkend. Hij

voelde zich zoo eenzaam en verlaten. Nu deze hoop vervlogen was, kwam

het leven hem zoo dor en weinig belangrijk voor.

Het koeltje dat hem van de rivier tegenwoei, lokte hem naar de

landingsplaats. Daar schoot hem het gezegde van den reiziger te binnen:

Beter een worm te zijn en moerbeiblaren te eten in Daphne's Park, dan

gast aan 's Konings tafel. Hij keerde om en ging naar de herberg terug.

--Waar de weg naar Daphne is? zeide de portier, verbaasd over de vraag,

die Ben-Hur hem deed. Zijt gij hier voor 't eerst? Zoo, dan kunt gij

dezen dag als den gelukkigsten van uw leven beschouwen. Gij kunt u niet

in den weg vergissen. De eerste straat links voert naar den berg

Sulpius, op wiens top een altaar van Jupiter staat en het Amphitheater.

Volg die tot de derde kruisstraat, de Kolonnade van Herodes geheeten,

sla daar rechts om en ga dwars door de oude stad naar de bronzen poort

van Epiphanes. Daar begint de weg naar Daphne. Mogen de goden u

beschermen!

Ben-Hur begaf zich dadelijk op weg. De Kolonnade van Herodes was

gemakkelijk te vinden, evenzoo de bronzen poort.

Het was omstreeks de vierde ure van den dag, toen hij de stad achter

zich liet, om in gezelschap van honderde andere wandelaars naar de

beroemde tuinen te gaan. De weg was verdeeld in verschillende paden voor

voetgangers, ruiters en wagens; deze laatste weder voor gaande en

komende. Lage balustraden, op geregelde afstanden met fraaie standbeelden

versierd, dienden tot scheidsmuur tusschen de verschillende paden.

Rechts en links van den weg strekten zich goed onderhouden grasvelden

uit, hier en daar met eiken en vijgen beplant, en van schaduwrijke

prieëlen voorzien, een heerlijke rustplaats voor de vermoeiden onder de

wandelaars. De paden voor de voetgangers waren met roode steentjes

geplaveid, die voor de ruiters en wagens met wit zand bestrooid, zoo

dik, dat het geen echo's van hoeven of wielen teruggaf. Het aantal

springende fonteinen was verbazend groot, alle geschenken van koningen,

die de stad bezocht hadden, en naar hunnen namen genoemd. Deze

straatweg, onovertroffen in aanleg en schoonheid, liep van de stad tot

aan den ingang van het Park over eene lengte van ruim vier mijlen.

In zijn diepe neerslachtigheid lette Ben-Hur ternauwernood op al die

pracht, noch op de hem omringende menigte. Daar kwam bij dat een

provinciestad hem, den inwoner van Rome, weinig belang inboezemde. Het

was immers onmogelijk, dat de provincies iets konden opleveren, wat men

in Rome niet veel beter en mooier kon zien. Daarom stapte hij wat aan en

drong door de groepjes heen, die hem den weg versperden, en veel te

langzaam gingen naar zijn smaak. Toen hij Heracleia bereikt had, een

klein dorp halverwege de stad en het Park, voelde hij zich een weinig

vermoeid, maar tevens toegankelijker voor afleiding. Een paar geiten

voortgeleid door een schoone vrouw, alle drie rijk versierd met bloemen

en linten, trokken allereerst zijne aandacht. Toen bleef hij staan om

naar een fraaien, sneeuwwitten, met frissche wingerdranken omhangen

stier te zien, die op zijn breeden rug een mandje droeg, waarin een

beeldschoon driejarig knaapje zat, den jongen Bacchus voorstellende, die

het sap van rijpe druiven uitdrukt in een beker. Daar ging hem een paard

voorbij, rijk opgetuigd, evenals zijn berijder. Hij glimlachte over de

zelfbewuste fierheid van ruiter en ros beiden. Weldra hadden de hem

voorbijsnellende wagens en paarden, zonder dat hij het zelf wist, zijn

belangstelling ten volle gewekt. Na een poosje begon hij ook te letten

op de menschen rondom hem. Hij zag dat zij van allerlei leeftijd en

stand waren, en allen in feestgewaad. Hier was het gezelschap in 't wit,

daar een in 't zwart; sommige hielden vlaggen in de hand, andere

zwaaiden wierookvaten, sommige gingen langzaam voort onder het zingen

van hymnen, andere liepen op de maat van fluiten en kleine trommen.

Als dat iederen dag zoo naar Daphne stroomde, moest er toch iets

buitengewoons te zien zijn! Eindelijk ging een luid gejubel op, men

klapte in de handen ... de wandelaars hadden het doel van hunnen tocht

bereikt. De sierlijken poort, die toegang verleende tot het gewijde

Park, verrees voor zijn oog.

Het gezang werd sterker, de muziek speelde lustiger. Gedragen door den

stroom, en deelende in de algemeene geestdrift, trad hij naar binnen.

Eén blik, en, in weerwil van zijn verfijnden Romeinsche smaak, was

Ben-Hur opgetogen over hetgeen hij zag.

Toen hij de poort, die een Griekschen tempel moest voorstellen,

doorgegaan was, stond hij op een breede marmeren esplanade. Het wemelde

er van menschen in feestklederen, waarvan de bonte kleuren aardig

afstaken tegen de zilveren stralen der springfonteinen. Vóór hem, links,

voerden net onderhouden wandelpaden naar een tuin, die ongemerkt

overging in een bosch, waarboven een doorzichtige blauwe nevel hing.

Ben-Hur staarde droomerig voor zich uit, onzeker waarheen te gaan. Op

dat oogenblik riep een vrouw in zijn nabijheid: Mooi! Maar waar nu naar

toe?

Haar metgezel, getooid met een lauwerkrans, lachte en antwoordde:

Waarheen, lieve domoor? Die vraag komt voort uit aardsche vrees, en

waren wij niet overeengekomen om al die dingen in de stad achter te

laten? De winden, die hier waaien, zijn de ademhalingen der goden.

Wij willen ons door hen laten leiden.

--Maar als wij eens verdwaalden?

--Bang zieltje! Niemand is ooit in Daphne van den rechten weg

afgedwaald, behalve zij, achter wie de poorten voorgoed gesloten werden.

--Wie bedoelt gij? vraagde zij, nog niet geheel gerustgesteld.

--Hen, die bezweken zijn voor de bekoringen der plaats, en er zich voor

leven en dood aan verbonden hebben. Wacht! Laat ons hier blijven staan,

dan zal ik u toonen wat ik bedoel.

Het geluid van lichte snelle voetstappen deed zich hooren.

Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde · 第 11 / 32 段