hebben. De pijnbank heeft echter niets op hem vermocht. Alles wat hij
bezat was wettig het zijne, en hij maakte er een wettig gebruik van.
Meer kon men niet uit hem krijgen. Tegenwoordig is hij gelukkig van alle
vervolging ontheven. Hij heeft een verlofbrief om handel te drijven,
door Tiberius zelf onderteekend.
--Daar zal hij het noodige voor hebben moeten neertellen, riep een der
omstanders.
--Die schepen zijn van hem, zeide de Hebreër, de opmerking latende voor
wat hij was. Zijne matrozen hebben de gewoonte elkander met het
uitsteken van gele vlaggetjes te begroeten, hetgeen zooveel wil zeggen
als: Onze reis is voorspoedig geweest.
Hier eindigde het verhaal. Toen Juda een weinig later den Hebreër alleen
vond vraagde hij: Hoe heette de principaal van dien koopman?
--Ben-Hur; vorst van Jeruzalem.
--Wat is er geworden van zijne familie?
--De zoon werd naar de galeien gezonden. Ik veronderstel dat hij dood
is. Langer dan een jaar houden de galeislaven het zelden uit. Van de
weduwe en hare dochter heeft men sedert niets meer gehoord. Zij, die er
meer van weten, willen er zich niet over uitlaten. Waarschijnlijk hebben
zij haar leven beëindigd in een cel van een der Romeinsche burchten van
Judea.
Juda wandelde naar de voorplecht, zóó in gedachten verzonken, dat hij
nauwelijks acht gaf op de oevers der rivier, die op dit punt bijzonder
liefelijk waren en omzoomd met weelderige tuinen en sierlijke
landhuizen. De gansche omgeving baadde in zonneschijn, alleen op zijn
leven rustte een schaduw.
Eenmaal slechts waakte hij op uit zijne gepeinzen, en dat was, toen door
een kromming van de rivier het Park van Daphne zichtbaar werd.
* * * * *
TWEEDE HOOFDSTUK.
TE ANTIOCHIË.
Toen men de stad in 't gezicht kreeg waren de passagiers op het dek
bijeengekomen, om van hare schoone ligging te genieten. De bejaarde Jood
gaf ook nu weder de gewenschte inlichtingen.
--De rivier keert zich hier naar het Westen, zeide hij. Ik herinner mij
nog dat het water de wallen bespoelde; maar als Romeinsche onderdanen
hebben wij in vrede geleefd, zoodat de handel in bloei toenam, en als
een natuurlijk gevolg overal langs de rivier werven en dokken werden
aangelegd. Ginds in het Zuiden ziet gij den berg Casius, of zooals men
hier zegt, den Orontesberg, en daar tegenover in het Noorden den Amnus.
Tusschen die beiden ligt de vlakte van Antiochië. Die bergen verderop
zijn de Zwarte bergen, vanwaar de groote waterleiding het zuiverste
water naar de stad voert, om de dorstige menschen te laven en de
stoffige straten te besproeien. Het gebergte is met dichte bosschen
bezet, die een rijke dierenwereld huisvesten.
--Waar is het meer? vraagde een van de reizigers.
--Ginds, in het Noorden. Men kan er te paard heengaan, of beter nog met
een bootje; want het staat door een zijstroom met de rivier in
verbinding.--Waar het Park van Daphne op lijkt? zeide hij, als antwoord
op de vraag van een tweede. Dat kan niemand beschrijven; maar pas op.
Apollo heeft het aangelegd en voltooid. Hijzelf geeft er de voorkeur aan
boven den Olymp. Men gaat er heen om er een blik te werpen, slechts één,
en men kan het niet weder verlaten. De Antiochiërs hebben een spreekwijze,
die veelzeggend is: beter een worm te zijn en moerbeibladeren te eten in
Daphne's Park, dan gast aan 's konings tafel.
--Raadt gij mij dus er niet heen te gaan?
--Niet ik. Gij zult gaan. Iedereen gaat, cynische philosofen,
baardelooze knapen, vrouwen, priesters, allen gaan. Zoo zeker ben ik dat
gij gaan zult, dat ik u een raad wil geven. Neem geen logies in de stad,
dat is tijdverlies; maar ga in eens naar het dorp, vlak bij het Park
gelegen. De weg daarheen leidt door een tuin vol frissche fonteinen.
Maar let nu eens op den stadsmuur, dat meesterstuk van Heraeus, den
grooten bouwkundige.
Aller oogen volgden de aanwijzing van zijn vinger.
--Dit gedeelte werd gebouwd door den eersten der Seleuciden. De 300
jaren van zijn bestaan hebben het één gemaakt met de rots, waarop het
staat.
Het werk rechtvaardigde de lofspraak. Hoog, stevig en met tal van steile
invalshoeken, boog de muur zuidwaarts, zoodat men hem niet langer volgen
kon.
--De muur heeft vierhonderd torens, alle waterreservoirs, vervolgde de
Hebreër. Kijk, over den muur heen, zoo hoog als hij is, kunt gij in de
verte twee bergen zien, dat zijn de twee toppen van den Sulpius. Het
gebouw op den verst verwijderden top is de citadel, jaar in jaar uit
bezet door een Romeinsch legioen. Daar tegenover verrijst de tempel van
Jupiter, en daaronder het paleis van den legaat, een onneembare vesting.
Op dit oogenblik begonnen de matrozen het zeil te bergen.
--Het uur van scheiden is gekomen, zeide de grijsaard. Bij gindsche
brug, die naar Seleucia voert, eindigt de vaart. Wat het schip ontlaadt
voor verder vervoer neemt de kameel op. Wat is de stad gunstig gelegen,
niet waar? Van haar behoef ik niet anders te zeggen, dan dat ieder, die
het voorrecht had van haar te bezoeken, zich gelukkig mag noemen haar
gezien te hebben.
Hij zweeg, want de galei wendde den steven langzaam naar haar
aanlegplaats onder den muur. Touwen werden uitgeworpen, de riemen werden
ingehaald, de reis was beëindigd.
Voordat Ben-Hur het vaartuig verliet zocht hij nog eenmaal den
eerwaardigen Hebreër op.
--Mag ik u nog even iets vragen, voordat ik u vaarwel zeg?
De man boog toestemmend.
--Wat gij ons van dien koopman hebt medegedeeld heeft mij begeerig
gemaakt om hem te zien. Zeidet gij niet dat hij Simonides heet?
--Ja; hij is een Jood met een Griekschen naam.
--Waar kan ik hem vinden?
De vreemdeling keek hem scherp aan. Toen antwoordde hij: Ik moet u eene
teleurstelling besparen. Hij is geen geldschieter.
--Evenmin als ik een geldleener ben, zeide Ben-Hur lachend.
De grijsaard hief het hoofd op en dacht een oogenblik na.
--Iedereen zou het natuurlijk vinden, zeide hij, zoo de rijkste koopman
van Antiochië een huis bewoonde volgens zijn stand; maar hier zou men
zich toch vergissen. Wilt gij hem een bezoek brengen, volg dan de rivier
tot aan de brug. Daaronder woont hij in een gebouw, dat er uitziet als
een stutbalk van den muur. Voor de deur is een breede aanlegplaats,
altijd vol van goederen, die pas gelost zijn, of ingescheept moeten
worden. De daar voor anker liggende schepen behooren hem toe. Gij zult
het gemakkelijk vinden.
--Ik dank u.
--De vrede onzer vaderen zij met u.
--En met u.
Zoo scheidden zij.
Twee lastdragers namen Ben-Hurs bagage op en vraagden zijne bevelen.
--Naar de citadel, beval hij, waaruit men kon opmaken, dat hij een
militaire betrekking vervulde.
Twee groote straten, die elkander met een rechten hoek doorsneden,
verdeelden de stad in vieren. Aan het einde van de eene straat verhief
zich een vreemdsoortig gebouw, het Nymphaeum genaamd. Toen de dragers,
daar gekomen, den hoek omsloegen, was Ben-Hur, ofschoon hij regelrecht
van Rome kwam, verbaasd over de pracht, die zich voor zijne oogen
ontvouwde. Rechts en links niets dan paleizen, terwijl de straat
daartusschen van overdekte marmeren zuilengangen voorzien was, zoodat er
afzonderlijke wegen voor voetgangers, vee, en wagens waren. Op bepaalde
afstanden brachten ruischende springfonteinen koelte en verfrissching
aan.
Ben-Hur was niet in de stemming om van het schoone te genieten. De
geschiedenis van Simonides vervolgde hem. Bij den Omphalus gekomen, een
monument van vier bogen, die de straat overspanden, prachtig versierd,
en opgericht door Epiphanes, den achtste der Seleuciden, veranderde hij
plotseling van gedachte.
--Ik zal van avond niet naar de citadel gaan, zeide hij tot de dragers.
Breng mij naar een herberg, zoo dicht mogelijk bij de brug, die naar
Seleucia voert.
De mannen sloegen den weg derwaarts in, en brachten hem weldra bij een
eenvoudig maar ruim gebouw, vlak bij de brug waaronder Simonides woonde.
Hij bracht den nacht op het platte dak door. Telkens en telkens
herhaalde hij bij zichzelven: Eindelijk zal ik dan van huis hooren, van
moeder en mijn lieve kleine Tirza. Als zij nog leven zal ik ze vinden.
* * * * *
DERDE HOOFDSTUK.
TELEURGESTELD.
Den volgenden morgen vroeg maakte Ben-Hur zich op, om naar Simonides te
gaan. Een van schietgaten voorziene poort aan het einde der stad voerde
naar een gansche reeks van werven. Door een dichte, bedrijvige menigte
heen bereikte hij de brug, waar hij even staan bleef, om het voor hem
zeldzaam schouwspel in oogenschouw te nemen.
Ja, dàt moest het huis van den koopman zijn, een grijs gebouw, geheel
stijlloos, precies een stutbalk van den muur, alles zooals de reiziger
gezegd had. Twee zware groote deuren verleenden toegang tot de werf. Een
paar getraliede vierkante openingen deden dienst als vensters. In de
voegen en spleten woekerde allerlei soort van onkruid en op sommige
plaatsen waren de overigens kale steenen met mos bewassen.
De deuren stonden open. Door de eene ging men in, door de andere uit.
Drukte en haast spraken uit ieders bewegingen. Op de werf lagen allerlei
soorten van goederen opgestapeld, en tal van halfnaakte slaven liepen af
en aan. Onder de brug lag een gansche vloot van galeien ten anker,
sommige bezig met laden, andere met lossen. Van elken mast woei een gele
vlag.
Niet lang bleef Ben-Hur daar staan. Zijn verlangen dreef hem verder.
Eindelijk zou hij bericht van de zijnen kunnen krijgen, indien namelijk
Simonides werkelijk in zijn vaders dienst geweest was. Maar zou de man
hem als den zoon van zijnen heer willen erkennen? Wat toch sloot dat in?
Afstand doen van zijne rijkdommen en van zijn stand, en weder tot den
staat van dienstbaarheid terugkeeren. Was het niet een dwaasheid tot
zulk een man te gaan met de eisch: Gij zijt mijn slaaf, geef mij al wat
gij hebt en--uzelf?
Het bewustzijn van zijn goed recht en de hoop op tijding van huis gaven
Ben-Hur de kracht om zijn plan te volvoeren. Als het verhaal waar was,
behoorde Simonides met al wat hij had hem toe. Om het geld gaf hij, dat
moet gezegd worden, niets. Toen hij vastbesloten op de deur toetrad,
legde hij bij zichzelven de gelofte af: Laat hij mij zeggen waar moeder
en Tirza zijn, en ik geef hem onvoorwaardelijk zijne vrijheid terug.
Met opgeheven hoofd trad hij binnen. Allereerst kwam hij in een ruim
pakhuis, waar in volmaakte orde allerlei soorten van goederen
opgestapeld lagen. Hoewel het er vrij duister en bedompt was, gingen
sjouwers onophoudelijk af en aan, terwijl andere werklieden, van zaag en
hamer voorzien, pakkisten ter verzending gereedmaakten. Langzaam liep
hij tusschen de pakken door en vraagde zichzelven af, of de man, van
wiens genie hier de overtuigende bewijzen waren, zijn vaders slaaf kon
geweest zijn. Indien het antwoord toestemmend was, tot welke klasse had
hij dan behoord? Zou hij, aangenomen dat hij een Jood was, de zoon van
een lijfeigene geweest zijn? Of was hij een schuldenaar, of de zoon van
een schuldenaar? Of was hij een dief en voor diefstal verkocht geworden?
Deze overleggingen deden in het minst geen afbreuk aan de achting en
bewondering, die hij bij al wat hij aanschouwde voor den handelaar ging
gevoelen.
Eindelijk hield een man hem staande en sprak hem aan.
--Wat is er van uw verlangen?
--Ik wenschte den handelaar Simonides te spreken.
--Wil mij dan volgen.
De man voerde hem het geheele pakhuis door tot aan een smalle trap.
Boven gekomen bemerkte Ben-Hur, dat hij op het dak van het pakhuis
stond. Vóór hem verrees een gebouwtje, van de kade onzichtbaar, een huis
dus boven op een huis, en dat naast de brug onder den vrijen hemel
verhief. Het dak, waarop hij stond, was door een lagen muur omgeven, en
geleek wel een tuin door de keur van bloemen en gewassen, die er welig
tierden. In die liefelijken omgeving maakte het vierkant steenen gebouw,
welks muren, behalve door de voordeur, door geen enkelen opening
onderbroken werden, een zonderlingen indruk. Een net onderhouden pad
leidde tusschen bloeiende rozestruiken naar de deur. Den zoeten geur
opsnuivend volgde Ben-Hur zijn leidsman naar binnen. Aan het einde van
een donkere gang gekomen, hield deze stil voor een half opengeschoven
gordijn.
--Een vreemdeling, die den patroon wenscht ter spreken, riep de man, om
onzen reiziger aan te dienen.
Een heldere stem antwoordde: Laat hem binnenkomen.
Een Romein zou het vertrek, waarin Ben-Hur thans kwam, zijn atrium
genoemd hebben. De wanden waren in paneelen verdeeld, die op hunne beurt
tot een soort van kantoorlessenaars waren ingericht en vol lagen met
dikke rollen: de kasboeken van den koopman. Tusschen en rondom de
paneelen waren prachtig gebeeldhouwde, roomkleurige plinten aangebracht.
Boven een rand van vergulde ballen rees de zoldering koepelvormig
omhoog. Het bovengedeelte van den koepel was met honderde pannen van
violetkleurig mica belegd, waardoor het licht liefelijk getemperd naar
binnen viel. Op den vloer lag een zoo dik tapijt, dat het geluid van
voetstappen er zich geheel in verloor.
In het midden der kamer bevonden zich twee personen, een man, half
weggedoken in de kussens van een gemakkelijken leunstoel, en een
bevallig jong meisje. Toen hij hen zag vloog Ben-Hur het bloed naar 't
hoofd. Hij groette hen met een beleefde buiging, maar daardoor ontging
hem, dat de grijsaard, toen hij hem aankeek, zichtbaar ontsteld zijne
handen omhooghief.
Toen Ben-Hur de oogen weer opsloeg vond hij vader en dochter in dezelfde
houding, behalve dat de hand van het meisje thans op den schouder van
den ouden man rustte. Beiden zagen hem onderzoekend aan.
--Indien ik in u Simonides den koopman, den Jood, mag begroeten, dan zij
de vrede van den God onzes vaders Abraham met u en de uwen.
--Ik ben Simonides, van wien gij spreekt, van geboorte een Jood,
antwoordde de man met een bijzonder klankrijke stem, en ik wensch u
eveneens dien vrede toe, u tevens verzoekende mij te willen meedeelen
met wien ik spreek.
Ben-Hur had intusschen den man nauwlettend aangezien. Ach ja, het was
zooals zijn medepassagier hem gezegd had. Simonides, die op een forsche
kloeke gestalte had kunnen bogen, zat thans als een vormlooze massa in
de kussens weggezonken. Een zijden deken bedekte zijn misvormde
ledematen. Alleen het edelgevormde hoofd deed vermoeden wat hij eenmaal
geweest moest zijn. Witte lokken en witte wenkbrauwen verhoogden den
gloed der donkere oogen. Het gelaat was geheel kleurloos en met vele
rimpels doorploegd. Het was het gelaat van een man, die eer de wereld in
beweging zou brengen, dan door haar in beweging gebracht worden; een
man, die eer zijn leven dan een voornemen of een levensdoel zou
opofferen; een man van staal, alleen te treffen in wat hij liefhad.
--Ik ben Juda, de zoon van Ithamar, in zijn leven het hoofd van het
geslacht Hur, en vorst van Jeruzalem. Dit zeggende stak hij den oude
beide handen toe.
De rechterhand van den koopman, een uitgeteerde, misvormde hand, die op
de deken rustte, sloot zich krampachtig; overigens bleef hij volkomen
bedaard en gaf niet het minste teeken van verbazing of belangstelling.
Kalm antwoordde hij: De geboren vorsten van Jeruzalem zijn altijd welkom
in mijn huis. Gij zijt welkom. Esther, geef den jonkman een stoel.
Het meisje gehoorzaamde en schoof een zetel aan, zeggende: De vrede van
onzen God zij met u; ga zitten en rust.
Ben-Hur maakte geen gebruik van den zetel; maar zeide op beleefden toon:
Ik hoop dat de waardige Simonides mij niet voor een indringer zal
aanzien. Gisteren naar Antiochië reizende, vernam ik dat hij mijn vader
gekend heeft.
--Ja, ik heb vorst Hur gekend. Wij hebben samen handel gedreven. Maar ga
toch zitten, bid ik u; en, Esther, breng wijn voor den jonkman. Nehemia
spreekt van een zoon van Hur, die over half Jeruzalem regeerde; een oud
geslacht, zeer oud. In de dagen van Mozes en Jozua vonden zij reeds
genade in de oogen des Heeren. Ik kan niet denken, dat een hunner
afstammelingen een beker druivennat van de echte wijngaarden van Sorek,
geplant op Hebrons heuvelen, zal weigeren.
Nog voordat hij uitgesproken had bood Esther den bezoeker een beker wijn
aan. Ben-Hur echter maakte een afwijzende beweging. Een verwonderde blik
trof hem uit haar donkere, zachte oogen. Zij is lief en mooi, dacht hij,
zoo lief en mooi zou Tirza ook zijn, als zij nog leefde. Arme Tirza!
Toen zeide hij overluid: Neen, uw vader,--hij is immers uw vader ...?
--Ik ben Esther, de dochter van Simonides, antwoordde zij fier.
--Uw vader, schoone Esther, zal wanneer hij mij ten einde toe gehoord
heeft kunnen begrijpen, dat ik vooralsnog niet van zijnen wijn drink. En
gij zult er mij, hoop ik, niet minder goedgunstig om aanzien. Blijf, bid
ik u, een oogenblik naast mij staan.
Het meisje deed wat haar verzocht werd.
--Simonides, zeide Ben-Hur op vasten toon, toen mijn vader stierf, had
hij een vertrouwd bediende van uw naam, en mij is gezegd, dat gij die
man zijt.
Het gansche lichaam van den grijsaard trilde, krampachtig balde hij de
vuist.
--Esther, riep hij op strengen toon, kom hier! Als het kind uwer ouders
is uwe plaats hier, niet daar, hoort gij?
Het meisje zag verschrikt en verbaasd eerst haar vader, toen den
bezoeker aan. Daarop zette zij den beker op tafel en ging gehoorzaam
naar den ziekenstoel. Simonides greep hare hand en zeide op kalme toon:
Ik ben oud geworden vóór mijn tijd door toedoen van menschen. Als hij,
die u wat gij daar zeidet, verteld heeft, een met mijne geschiedenis
bekend vriend is, dan moet hij u overtuigd hebben, dat ik niet anders
dan achterdochtig kan zijn met betrekking tot mijne medemenschen. De God
van Israël sta hem bij, die aan het einde zijns levens genoodzaakt is
zoo te spreken. Ik heb slechts weinigen lief, maar die dan ook met mijn
ganschen hart. Een van die--hij bracht op een onbeschrijfelijk teedere
wijze Esthers hand aan zijne lippen--tot heden onverdeeld de mijne, was
mij tot zulk een zoeten troost, dat ik zou sterven als zij van mij
genomen werd.
Esther boog zich over haren vader en kuste hem op het voorhoofd.
--De andere liefde is slechts een herinnering, waarvan ik niets anders
zeggen zal, dan dat zij als een zegen des Heeren een geheele familie
omvat. Wist ik, ach wist ik maar waar zij zich ophouden!
Ben-Hurs gelaat werd met een donkeren blos overtogen, en een stap nader
tredend riep hij hartstochtelijk: Mijne moeder en zuster! Die bedoelt
gij, niet waar?
Esther zag verwonderd op; maar Simonides, zichzelf meester, zeide koel:
Hoor mij ten einde. Omdat ik ben wat ik ben, en om de liefde waarvan ik
sprak, eisch ik van u naar recht en billijkheid de bewijzen, dat gij
zijt voor wien gij u uitgeeft. Daarna zal ik uwe vraag betreffende mijne
verhouding tot vorst Hur beantwoorden. Hebt gij uwe bewijzen op schrift?
Of brengt gij persoonlijke getuigen mee?
De vraag was eenvoudig, en haar goed recht onbetwistbaar.
Ben-Hur werd verlegen, stamelde een paar onsamenhangende woorden, en
keerde zich besluiteloos af. Simonides hield aan: Geef mij de bewijzen,
zeg ik. Leg ze mij voor, geef ze mij in handen!
Maar Ben-Hur kon niets antwoorden. Aan die mogelijkheid had hij niet
gedacht; en nu hij er voor stond, gingen zijne oogen eerst geheel open
voor het vreeselijke feit, dat die drie jaren op de galeien alle
bewijzen van zijne identiteit hadden weggevaagd. Nu zijne moeder en
zuster spoorloos verdwenen waren, was er niemand, op wien hij zich kon
beroepen. Bekenden had hij genoeg; maar dat baatte niet. Wat had zelfs
Quintus Arrius, als hij hier bij hem was geweest, meer kunnen zeggen,
dan waar hij hem gevonden had en dat hij voor zich overtuigd was den
zoon van vorst Hur voor zich te zien? Maar, zooals wij straks zullen
zien, de dappere Romeinsche krijger was niet meer. Juda had vroeger wel
eens over zijne verlatenheid gezucht, maar nu eerst voelde hij ten volle
wat het zegt niemand toe te behooren. Daar stond hij met gevouwen
handen, afgewend gelaat, geheel verslagen. Simonides eerbiedigde die
stille smart en wachtte zwijgend.
--Meester Simonides, zeide Ben-Hur eindelijk, ik kan u alleen mijne
levensgeschiedenis verhalen; maar ik doe het niet, tenzij gij zoolang uw
oordeel wilt opschorten en met goedwilligheid naar mij wilt luisteren.
--Spreek, zeide Simonides, ik luister te gewilliger daar ik niet ontkend
heb, dat gij degeen zijt, voor wien gij u uitgeeft.
Toen vertelde Ben-Hur in weinige, maar welsprekende woorden zijn
wederwaardigheden. Daar wij die kennen tot aan het oogenblik van zijne
landing te Misenum in gezelschap van Arrius, zullen wij bij dat punt
zijn verhaal opvatten.
--De keizer had mijn weldoener lief, vertrouwde hem volkomen, en
overlaadde hem met eerbewijzen. De kooplieden uit het Oosten, die hem
hunne veiligheid dankten, brachten kostbare geschenken aan, zoodat hij
schatten op schatten stapelde. Mag een Jood zijn godsdienst vergeten,
of zijn geboorteland, zoo dat de heilige grond onzer vaderen is? De
waardige Arrius nam mij geheel volgens de Romeinsche wetten tot zoon
aan, en ik deed wat ik kon om hem mijne dankbaarheid te toonen. Nooit
was een kind zijn vader meer onderdanig dan ik hem. Hij had mij tot
geleerde willen maken. In kunst, philosofie, rhetorica, oratorie, zou
hij mij de beroemste meesters gegeven hebben. Die aanbiedingen sloeg ik
af, omdat ik een Jood was, en zoomin den Heere God kon vergeten, als
onze groote profeten of de stad door David en Salomo gebouwd. Vraagt gij
soms waarom ik zijne andere gaven wèl aannam? Dan antwoord ik: Ik had
hem lief, en ik hoopte eenmaal met zijne hulp den sluier op te lichten,
die het lot van mijne moeder en zuster bedekte. Daarnevens had ik nog
een ander doel voor oogen, waarover ik niets wil zeggen, dan dit, dat
het mij een prikkel was om het krijgswezen grondig te bestudeeren, en
mij in het hanteeren der wapenen te bekwamen. In worstelperk en circus
heb ik mij dag aan dag geoefend, in het kamp niet minder, en overal heb
ik naam gemaakt. De lauweren, die ik won--en aan de muren der villa te
Misenum hangen er verscheidene--kwamen tot mij, als zoon van Arrius den
duumvir, niet als den zoon mijns vaders. Alleen in mijne betrekking tot
den Romein ben ik bij de Romeinen bekend. Tot bevordering van mijne
plannen verliet ik Rome voor Antiochië, vast besloten om den Consul
Maxentius in den oorlog tegen de Parthen te volgen, ten einde op het
slagveld de hoogere kunst te leeren van de troepen ten strijde te
voeren. De consul heeft mij toegelaten tot den kring zijner naaste
omgeving. Maar gisteren, toen ons schip den Orontes opvoer, ontmoetten
wij twee andere schepen, met gele vlaggen in top. Een medereiziger en
landgenoot van Cyprus deelde ons mee, dat die schepen het eigendom waren
van Simonides, den grootsten koopman van Antiochië. Hij vertelde ons van
zijn wonderbaren voorspoed in den handel, van zijne vloot en karavanen,
weinig vermoedende, dat een zijner hoorders persoonlijk het grootste
belang stelde in hetgeen hij mededeelde. Hij zeide ook dat Simonides een
Jood was, in vroeger jaren lijfeigene van vorst Hur. Tot besluit sprak
hij van de wreedheden door Gratus gepleegd en het doel dier vervolging.
Bij deze woorden boog Simonides het hoofd, terwijl Esther zich tegen hem
aanvlijde, als wilde zij hem haar innig medelijden toonen. Slechts even;
toen richtte Simonides zich weer op en zeide met heldere stem: Ik luister.
--Ach, goede Simonides, antwoordde Ben-Hur, terwijl zijn geheele ziel
uit zijne oogen sprak, ik zie dat gij nog niet overtuigd zijt, en dat de
schaduw van verdenking nog op mij rust.
Het gelaat van den koopman bleef koud en strak als marmer. Hij bewaarde
het stilzwijgen.
--Niet minder duidelijk zie ik de moeilijkheden van mijn toestand,
vervolgde Ben-Hur. Mijne Romeinsche betrekking kan ik bewijzen, ik
behoef mij slechts op den consul te beroepen, die als gast van den
gouverneur dezer stad in Antiochië vertoeft; maar ik kan niet bewijzen
dat ik de zoon mijns vaders ben. Die dat konden zijn dood, of verdwenen.
Hij bedekte zijn gelaat met beide handen, waarop Esther naar hem toe
ging, en hem den versmaden beker wijn nogmaals aanbood, met de woorden:
De wijn komt uit het land, dat wij allen zoozeer liefhebben. Drink, bid
ik u.
Hare stem klonk zacht en liefelijk. Ben-Hur zag dat hare oogen vol
tranen stonden. Hij nam de beker aan, zeggende: Dochter van Simonides,
uw hart is vol goedheid. Dat onze God u zegene! Ik dank u.
Toen wendde hij zich opnieuw tot den koopman.