beheerschen en na te denken. Eer en plicht deden den Romein op het
platform blijven, maar wat had hijzelf thans met zulke beweegredenen te
doen? De roeiersbank was hem een gruwel, en wie zou er winst bij hebben,
indien hij als slaaf omkwam? Voor hem was te leven een plicht. Zijn
leven behoorde moeder en zuster. Levendiger dan ooit verrezen zij voor
het oog zijns geestes. Hij zag hoe zij de armen naar hem uitstrekten,
hij hoorde naar smeeken. Ja, aan die roepstem moest en zou hij gehoor
geven. Hij sprong op,--maar stond weer stil. Helaas, een Romeinsch
vonnis hield hem gevangen. Zoolang dat niet herroepen was baatte hem
geen ontvluchten. In de wijde, wijde wereld was geen plekje, waar hij
veilig was, als de Keizer hem opeischte. Op het land noch op de zee kon
hij verborgen blijven, en wettige vrijheid had hij noodig, om in Judea
te kunnen wonen, en den kinderplicht te vervullen, waaraan hij al zijne
krachten wilde wijden. Hoe had hij gewacht en gehoopt op die vrijspraak,
hoe vurig om haar gebeden! En hoe lang had hij moeten wachten!
Eindelijk, eindelijk had zij hem toegelachen in de belofte van den
tribuun; want wat anders zou de groote man bedoeld hebben? Maar als zijn
weldoener nu moest vallen, wat dan? De dooden komen niet terug, om de
beloften, tijdens hun leven gedaan, te vervullen. Neen, Arrius mocht
niet sterven. En anders--beter met hem te vergaan, dan hem als
galeislaaf te overleven.
Nogmaals zag Ben-Hur rondom zich. Nog altijd woedde de strijd daarboven,
nog altijd waren de twee galeien handgemeen. De roeiers deden wanhopige
pogingen om aan hunne ketenen te ontkomen, en toen dat niet gelukte
hieven zij een akelig gehuil aan. De wachten waren niet te zien, er was
geen tucht meer. Ben-Hur bedacht zich niet langer, hij sprong op en
snelde weg, niet om te vluchten, maar om den tribuun te zoeken.
Halverwege de trap gekomen, hoog genoeg om een blik te kunnen werpen op
den door het vuur gekleurden hemel, de ronddrijvende wrakken, den strijd
aan boord, de talrijke aanvallers, de weinige verdedigers, voelde hij
plotseling de trap onder zijne voeten uiteenslaan, zoodat hij ruggelings
op den grond geworpen werd. Nog voordat hij zich op kon richten werd de
bodem van het vaartuig vaneengereten, de kokende, bruisende golven
stroomden naar binnen en verzwolgen allen.
Of de jongeling in dezen uitersten nood iets tot zijne redding kon
aanwenden valt te betwijfelen. Hoewel hij behalve zijn natuurlijke
sterkte bovendien nog de krachten bezat, welke de natuur voor zulke
buitengewone gevallen schijnt te bewaren, kon hij noch de eene, noch de
andere aanwenden, daar de duisternis en de woeling van het water hem
voor het oogenblik althans zijne bezinning ontroofden. Zelfs het
inhouden van zijn adem geschiedde onwillekeurig. De indringende golven
wierpen hem als een blok hout in de kajuit, waar hij verdronken zou
zijn, indien hij niet met het schip naar omhoog gerezen was. Toen hij
zich voelde opstijgen, sloeg hij instinctmatig de handen uit naar het
eerste het beste wat hij grijpen kon--een plank, waaraan hij zich met
alle macht vastklemde. De tijd, dien hij onder water doorbracht, scheen
hem oneindig langer toe, dan in werkelijkheid het geval was. Eindelijk
voelde hij lucht. Hij haalde diep adem, schudde zich het water uit de
oogen, werkte zich op de plank en wierp een blik in het rond.
Helaas, was hem de dood door verdrinking zeer nabij geweest, thans
waarde hij rondom hem in velerlei gedaanten.
De zee was bedekt door een half doorzichtbaren nevel van rook, hier en
daar verbroken door schitterende lichtbundels. Dat moesten brandende
schepen zijn. Nog woedde de strijd; maar wie zegevierde? Nu en dan
zeilden binnen zijnen gezichtskring schepen voorbij,--waren het
Romeinsche of vijandelijke? Verderop hoorde hij hoe vijandelijke
vaartuigen met elkander in botsing kwamen. Het dreigende gevaar was
echter dichterbij. Toen de Astrea zonk bevond zich, zooals wij weten, op
het verdek niet alleen haar eigen bemanning, maar ook die van de twee
galeien, die haar te gelijk hadden aangevallen en met haar naar de
diepte waren gegaan. Van die velen dreven verscheidene te zamen naar de
oppervlakte en zetten daar den strijd weer voort. Elkander vasthoudend
in doodelijke omarming, of ook wel met zwaard of spies de een den ander
onschadelijk trachtend te maken, hielden zij het water aanhoudend in
beweging. Maar dat niet alleen. Hij begreep heel goed, dat de eerste de
beste in staat zou zijn om hem dood te slaan ter wille van de plank die
hem vlot hield. Hij moest dus trachten zoo spoedig mogelijk weg te
komen.
Op eens hoorde hij riemslagen en zag hij een galei op zich afkomen. De
hooge voorsteven scheen hem dubbel hoog toe; de weerkaatsing van het
roode schijnsel op het verguldsel en beeldhouwwerk deed haar op een
reusachtige slang gelijken. Hij schoof de plank, zwaar en onhandelbaar
als zij was, met alle kracht voort. De tijd was kostbaar, een halve
seconde kon hem redding brengen, of in 't verderf storten.
Daar dook eensklaps binnen armslengte een helm uit de baren op,
vervolgens twee handen met uitgespreide vingers, groote sterke handen,
die wat zij eenmaal gegrepen hadden niet licht zouden loslaten. Ben-Hur
keerde zich verschrikt af. Nu kwam het geheele hoofd boven, vervolgens
de armen, die woest om zich heen sloegen. Het hoofd viel achterover,
zoodat het gelaat zichtbaar werd. De mond was wijd open, de oogen ook,
maar het licht scheen er uit geweken te zijn, een akelige bleekheid deed
vermoeden, dat de dood nabij was. Toch uitte Ben-Hur een kreet van
vreugde, en toen de drenkeling weder dreigde te verzinken greep hij de
ketting vast, die den helm onder de kin bevestigde, en trok hem naar
zich toe. Hij had in den bewustelooze Arrius den tribuun herkend.
Een tijdlang borrelde en schuimde het water geweldig, zoodat Ben-Hur
alle krachten moest inspannen, om zijn plank niet te verliezen en tevens
het hoofd van de Romein boven water te houden. De galei was voorbijgeroeid
zonder hen te raken. Dwars door zwemmende soldaten heen, over gehelmde en
ontbloote hoofden zette zij haren tocht voort. Een dof geraas, een luid
geschreeuw deed Ben-Hur omzien, en wat hij zag vervulde hem met een zekere
bevrediging: de Astrea was gewroken.
De strijd was nog niet beëindigd, maar de tegenstand veranderde in
algemeene vlucht. Wie hadden gezegevierd? Ben-Hur voelde dat zijne
vrijheid en het leven van den tribuun grootendeels daarvan afhingen.
Hij schoof den Romein de plank onder het lichaam, totdat zij hem droeg,
waarna hij alleen te zorgen had, dat zijn beschermling er niet afgleed.
Het was nu volkomen dag geworden. Links zag hij land, maar te ver
verwijderd om het te kunnen bereiken. Hier en daar dreven
schipbreukelingen als hij, en verkoolde of nog rookende wrakken.
Verderop dreef een verlaten galei, het zeil aan flarden gereten; nog
verder bewegelijke stippen, die, naar hij dacht, vluchtende of
achtervolgende schepen konden zijn.
Zoo ging een uur voorbij. Zijne bezorgdheid nam toe. Als niet spoedig
hulp opdaagde moest Arrius sterven. Gedurig vreesde Ben-Hur dat hij
reeds dood was, hij lag zoo stil. Hij deed hem den helm af, gespte toen
met groote moeite het harnas los, en bevond dat het hart nog klopte,
schoon zwak en onregelmatig. Dat gaf hem nieuwen moed om vol te houden.
Er was niets voor hem te doen dan te wachten, en naar de gewoonte zijns
volks te bidden.
* * * * *
ZESDE HOOFDSTUK.
VRIJ.
Eindelijk sloeg Arrius tot groote vreugde van Ben-Hur de oogen op en
keerden de levensgeesten weder. Zoodra hij spreken kon en na eenige
vragen vernomen had door wien en hoe hij gered was, herinnerde hij zich
alles van den geleverden slag. Het onzekere van de overwinning en de
langdurige rust, indien hier van rust sprake kan zijn, deden het hunne
om hem geheel tot bezinning te brengen. Na een poosje werd hij zeer
spraakzaam.
--Ik zie, zeide hij, dat onze redding afhangt van den uitslag van den
strijd. Ik begrijp ook wat gij voor mij gedaan hebt. Gij hebt mij het
leven gered met gevaar voor uzelven. Dat erken ik gaarne, en wat ook
gebeuren moge, ik dank er u van harte voor. Als de fortuin mij gunstig
is en wij goed en wel dit gevaar te boven komen, zal ik u toonen hoe een
Romein van aanzien en macht zijn dankbaarheid bewijst. Maar het staat
nog te bezien, of gij mij, in weerwil van uw goede bedoeling, werkelijk
een dienst hebt bewezen. Daarom zou ik u de belofte willen afnemen, dat
gij mij, zoo noodig, de grootste weldaad bewijzen zult, die de een
mensch den ander bewijzen kan--wilt gij mij dat beloven?
--Als het niets ongeoorloofds is al ik het doen, antwoordde Ben-Hur.
Arrius bleef een oogenblik in gepeins verzonken.
--Zijt gij werkelijk een zoon van Hur, den Jood? vraagde hij op eens.
--Ja, heer.
--Ik heb uw vader gekend.
Juda kwam wat dichter bij den tribuun, daar diens stem nog zwak was. Hij
luisterde met gespannen aandacht, en meende niet anders, of hij zou nu
berichten van huis krijgen.
Ik kende hem, had hem lief, vervolgde Arrius.
Weder zweeg hij. Zijne gedachten schenen af te dwalen.
--Het is onmogelijk, begon hij weer, dat gij, zijn zoon, niet gehoord
zoudt hebben van Cato en Brutus. Dat waren groote mannen, en nooit
grooter, dan in de ure van hunnen dood. Stervende lieten zij deze wet
na. Een Romein mag zijn geluk niet overleven.--Luistert gij?
--Ik luister.
--De edelen van Rome zijn gewoon een ring te dragen. Zoo ook ik. Neem
hem van mijn vinger.
Hij stak Juda zijn hand toe, de jonkman voldeed aan zijn verzoek.
--Steek hem nu aan je eigen vinger.
Ben-Hur gehoorzaamde.
--Dat kleinood kan u van dienst zijn, vervolgde de tribuun. Ik bezit een
aanzienlijk vermogen. Zelfs in Rome ga ik voor rijk door. Ik heb geen
familie. Toon den ring aan mijn zaakwaarnemer, gij zult hem in een villa
bij Misenum vinden. Vertel hem hoe hij in uwe handen kwam en eisch van
hem zooveel gij verlangt, of alles; hij zal u niets weigeren. Blijf ik
leven, dan zal ik nog meer voor u doen. Ik zal u uwe vrijheid bezorgen
en u aan uw volk en familie teruggeven; of wel, gij kunt u de loopbaan
kiezen, die u het meest toelacht. Hebt gij mij begrepen?
--Volkomen.
--Welnu, beloof mij dan wat ik u vragen zal. Beloof het bij alle goden.
--Neen, edele tribuun, ik ben een Israëliet.
--Bij uw God dan, of doe het in den vorm, dien uwen geloofsgenooten de
heiligste is. Beloof mij, dat gij doen zult wat ik vragen zal. Ik wacht
uw antwoord. Beloof het mij.
--Edele Arrius, uwe woorden doen mij vermoeden, dat er iets zeer
gewichtigs zal volgen. Zeg mij eerst wat gij verlangt.
--Zult gij het mij dan beloven?
--Ik kan mij vooruit tot niets verbinden.--O tribuun, gezegend zij de
God mijner vaderen! daar komt een galei.
--Uit welken hoek?
--Uit het noorden.
--Kunt gij haar nationaliteit herkennen?
--Neen, ik heb altijd op de roeiersbank gezeten.
--Heeft zij een vlag in top?
--Ik kan er geen zien, het is nog te ver af.
Arrius zweeg eenige oogenblikken. Ten laatste vraagde hij: Houdt de
galei nog koers hierheen?
--Ja.
--Kunt gij nu de vlag onderscheiden?
--Zij heeft geen vlag.
--Een ander kenteeken soms?
--Een zeil. Het is een drieriemige galei, zij gaat zeer snel, dat is al
wat ik er van zeggen kan.
--Een Romeinsche galei zou, als zij overwinnaar was, verscheidene
vlaggen in top voeren. Dit moet dus een vijandelijke zijn. Luister nu
goed naar mij, terwijl het nog tijd is. Als die galei een zeeroover is
zijt gij veilig. Zij zullen u wel niet uwe vrijheid hergeven, u
waarschijnlijk weer op de roeiersbank zetten, maar zij zullen u niet
dooden. Ik daarentegen--
De tribuun aarzelde. Bij alle goden, zeide hij daarna op vasten toon, ik
ben te oud om het verlies van mijne eer te overleven. Laat men in Rome
vertellen hoe Quintus Arrius, omringd door vijanden, met zijn schip in
de diepte verzonk, zooals dat een Romeinschen tribuun betaamt. Hoor nu
wat ik van u verlang. Als de galei een vijandelijke is, stoot mij dan
van de plank in zee en verdrink mij. Hoort gij? Zweer mij dat gij het
doen zult.
--Dat zweer ik niet, zeide Ben-Hur beslist, en ik ben evenmin van zins
zulk een daad te bedrijven. De wet, waaraan ik onderworpen ben, stelt
mij aansprakelijk voor uw leven. Neem den ring terug,--hij trok hem van
zijn vinger,--neem hem terug,--met al uwe beloften. Het vonnis, dat mij
levenslang tot de galeien veroordeelde, heeft mij tot een slaaf gemaakt,
en toch ben ik geen slaaf. Maar ik ben evenmin uw vrijgelatene. Ik ben
een zoon van Israël, en op dit oogenblik mijn eigen meester. Neem den
ring terug.
Arrius verroerde zich niet.
--Gij weigert? vraagde Juda. Dan geef ik uw geschenk aan de zee, niet in
toorn, niet in drift; maar om mij zelven vrij te maken van een vreeselijke
verplichting.
Dit zeggende slingerde hij den ring verre van zich. Arrius hoorde hem
vallen en zinken, maar zag niet op.
--Gij hebt dwaselijk gehandeld, zeide hij, zeer dwaas. Ik kan immers ook
zonder uwe hulp sterven, en als ik dat doe, wat zal er dan van u worden?
Die besloten heeft in den dood te gaan, sterft liever door de hand van
een ander, om de eenvoudige reden, dat de ziel, welke wij volgens Plato
bezitten, in opstand komt tegen zelfvernietiging; dat is alles. Als de
galei een zeeroover is verlaat ik deze wereld. Mijn besluit staat vast.
Ik ben een Romein. Goed, geluk en eer gaan boven alles. Toch zou ik
gaarne van dienst zijn geweest; maar gij hebt niet gewild. De ring was
in dit geval het eenige, dat mijn laatsten wil staven kon. Wij zijn
beiden verloren. Ik zal sterven, het betreurende dat de overwinning en
de roem mij ontgaan zijn. Gij zult nog een poosje leven, om dan eveneens
te sterven, met berouw in 't hart, omdat gij door deze dwaasheid uwe
kinderplichten ongedaan hebt moeten laten. Ik beklaag u.
Ben-Hur begreep de gevolgen van zijne daad beter dan te voren. Toch
berouwde zij hem niet.
--In de drie jaren van mijne dienstbaarheid, o tribuun, waart gij de
eerste die mij vriendelijkheid bewees.--Neen, neen, er was nog een
ander!
Zijne oogen werden vochtig, want op eenmaal stond het beeld hem voor den
geest van den jongen man, die hem bij de bron te Nazareth te drinken had
gegeven.
--Maar, vervolgde hij, gij waart de eerste, die mij gevraagd heeft wie
ik was; en al heb ik er ook, toen ik u uit de golven omhooghief, aan
gedacht, dat gij mij uit mijne ellende kondt verlossen, toch redde ik u
niet uit zelfzucht. Ik hoop dat gij mij zult willen gelooven.
Daarenboven doet God mij thans duidelijk inzien, dat het doel waarnaar
ik streef alleen langs wettigen weg te bereiken is. Ik wil liever met u
sterven, dan uw dood op mijn geweten hebben. Ik ben even vastbesloten
als gij. Al boodt gij mij geheel Rome, o tribuun, en al stond het in uwe
macht dat aanbod tot werkelijkheid te maken, ik zou u toch niet dooden.
Uw Cato en Brutus waren kinderen, vergeleken met den Hebreër, wiens
wetten een Jood gehoorzamen moet.
--Maar mijn verzoek. Hebt....
--Zelfs al beveelt gij mij u te dooden, ik zal u niet gehoorzamen.
Beiden zwegen en wachtten.
Ben-Hur zag gedurig naar de naderende galei. Arrius lag met gesloten
oogen, schijnbaar onverschillig.
--Zijt gij er zeker van dat het een vijandelijke galei is? vraagde
Ben-Hur.
--Ik vermoed het, luidde het antwoord.
--Zij houdt stil en zet een boot uit.
--Kunt gij nu de vlag zien?
--Is er geen ander teeken, waaraan men een Romeinsche galei herkennen
kan?
--Jawel, de Romeinschen voeren een helm op den top van den mast.
--Dan kan ik u gelukwenschen. Ik zie den helm.
Nog was Arrius er niet gerust op.
--De mannen in het bootje nemen schipbreukelingen op. Zeeroovers zullen
wel niet zoo medelijdend zijn.
--Misschien hebben zij roeiers noodig, antwoordde Arrius, waarschijnlijk
denkende aan de keeren, toen hij met hetzelfde doel drenkelingen
opgevischt had.
Ben-Hur volgde de bewegingen van het vreemde schip met de grootste
nauwlettendheid.
--De galei gaat verder, zeide hij.
--Waarheen?
--Rechts van ons drijft een galei, waarschijnlijk is zij verlaten. Daar
gaat de andere op af. Nu legt zij aan. Nu gaan eenige mannen aan boord.
Thans deed Arrius zijn oogen open en keek met aandacht naar de galei.
Dank uwen God, zeide hij een oogenblik later, dank uwen God, zooals ik
mijne goden dank. Een zeeroover zou dat schip doen zinken, niet redden.
Daardoor, en door den helm op den mast, weet ik dat het een Romeinsche
galei is. De zege is mijn. De Fortuin heeft mij niet verlaten. Wij zijn
gered. Wuif met de hand, roep hen, gauw! Ik word duumvir, en gij! Ik heb
uw vader gekend en had hem lief. Hij was een vorst in den vollen zin des
woords. Hij heeft mij geleerd, dat een Jood geen barbaar is. Ik zal u
met mij nemen. Ik zal u als mijn zoon aannemen. Dank uwen God en roep de
matrozen. Gauw! De vervolging moet voortgezet worden. Geen van de
roovers mag ontsnappen.
Juda richtte zich op, wuifde met de hand en riep zoo hard hij kon de
matrozen aan. Eindelijk gelukte het hem hunne aandacht te trekken. Zij
roeiden op hem toe en namen de beide schipbreukelingen op.
Arrius werd met alle mogelijke eerbewijzen op de galei ontvangen. Hij
liet zich den afloop van het gevecht tot in de kleinste bijzonderheden
verhalen. Nadat men alle nog levende drenkelingen gered en den buit
geborgen had, liet hij opnieuw de commandantsvlag ontplooien en spoedde
zich noordwaarts, om zich bij de vloot te voegen en de overwinning
volkomen te maken. Volgens zijne berekening kwamen de vijftig schepen
het kanaal van de noordzijde juist bijtijds inzeilen, en sneden de
vluchtelingen den pas af, zoodat geen enkele ontkwam. Twintig
vijandelijke galeien werden als buit medegevoerd, hetgeen den roem des
overwinnaars niet weinig verhoogde.
Bij zijne terugkomst te Misenum werd Arrius met de grootste geestdrift
ontvangen. De hem vergezellende jonkman maakte weldra de nieuwsgierigheid
van Arrius' vrienden gaande. Op hunne vragen wie hij was, vertelde de
tribuun in warme bewoordingen hoe hij aan dien jongeling zijn leven te
danken had, maar vermeed zorgvuldig zijn vroegere geschiedenis aan te
roeren. Toen hij zijn verhaal geëindigd had riep hij Ben-Hur tot zich,
vatte hem bij de hand en zeide: Lieve vrienden, dit is mijn zoon en
erfgenaam, en daar hij eenmaal al het mijne zijn eigendom zal noemen,
zal hij van nu af mijn naam dragen. Ik verzoek u allen hem in uwe
vriendschap te doen deelen.
Zoodra het den tribuun mogelijk was had de aanneming tot zoon geheel
volgens de wet plaats. Zoo betoonde de Romein zijne dankbaarheid aan
Ben-Hur en verschafte hem den toegang tot de hoogere Romeinsche kringen.
Een maand na Arrius' terugkomst werd zijne overwinning op de zeeroovers
glansrijk gevierd in het theater van Scaurus. De eene zijde van het
gebouw was versierd met militaire tropeeën, waaronder de voorstevens der
twintig vijandelijke galeien niet het minst de aandacht trokken.
Daarboven stond in gulden letters geschreven: Veroverd op de zeeroovers
in de golf van Euripus, door Quintus Arrius Duumvir.
* * * * *
BOEK IV.
* * * * *
EERSTE HOOFDSTUK.
VIJF JAREN LATER.
Wij zijn in de maand Juli van het jaar onzes Heeren 28, en wel in
Antiochië, de koningin van het Oosten, en na Rome de machtigste, zoo
niet de volkrijkste stad der wereld. Dat de buitensporige weelde en
zedeloosheid van dien tijd zich van uit Rome over het geheele rijk
verspreidden mag in twijfel getrokken worden. Die zich de moeite
getroosten wil van alles nauwkeurig te onderzoeken zal tot het besluit
komen, dat de zedenbedervende strooming van het Oosten uitging naar het
Westen, met name van Antiochië, een der oudste zetels van Assyrische
macht en prachtlievendheid.
Een transportgalei liep, uit zee komende, den mond van den Orontes in.
Het was voormiddag. De hitte was groot, toch waren alle reizigers op het
dek, daaronder ook Ben-Hur.
De vijf jaren, die sedert zijne bevrijding verloopen zijn, hebben den
jongen Jood tot een krachtig man ontwikkeld. In een ruim wit kleed
gehuld zag hij er zeer innemend uit. Reeds meer dan een uur had hij
rustig in de schaduw van het zeil gezeten, en in dat uur hadden
verscheidene reizigers, tot zijn eigen volk behoorende, een gesprek met
hem trachten aan te knoopen, maar zonder te slagen. Hunne vragen had hij
kort, schoon zeer beleefd, in de latijnsche taal beantwoord. Zijn
beschaafde manier van spreken, zijn waardige houding, zijn
teruggetrokkenheid schenen hunne nieuwsgierigheid in hooge mate te
prikkelen. Daarenboven was in de uitdrukking van zijn gelaat iets dat
den nauwlettenden beschouwer deed zeggen: die man heeft een verleden
achter zich.
De galei had in een der havens van Cyrus een Hebreër opgenomen van zeer
fatsoenlijk, eerwaardig voorkomen. Ben-Hur voelde zich tot den man
getrokken en deed hem een paar vragen. De antwoorden wonnen zijn
vertrouwen, en leidden weldra tot een uitvoerig gesprek.
Toen de galei van Cyprus afgevaren was achterhaalde zij twee andere
vaartuigen, die eveneens de rivier opvoeren en zoodra zij in elkanders
buurt waren tal van gele vlaggetjes heeschen. Iedereen wilde weten wat
die vlaggetjes beduidden, maar niemand kon er een verklaring van geven,
totdat een der reizigers den eerbiedwaardigen Hebreër om inlichting
vraagde.
--Die vlaggetjes, antwoordde hij, dienen niet om de nationaliteit
kenbaar te maken. Zij zijn eenvoudig het kenteeken van den eigenaar.
--Heeft die dan zoovele schepen?
--Ja.
--Kent gij hem?
--Ik heb handel met hem gedreven.
De passagiers zagen den grijsaard vragend aan, als om hem tot vertellen
te noodigen. Ben-Hur luisterde met belangstelling.
--Hij woont in Antiochië, vervolgde de Hebreër. Daar hij schatrijk is
heeft men natuurlijk de oogen op hem gevestigd; maar men spreekt niet
altijd welwillend over hem. Er heeft namelijk vroeger in Jeruzalem een
vorst gewoond uit het aloude geslacht Hur.
Juda deed zijn best om kalm te blijven, maar zijn hart begon sneller te
kloppen.
--Die vorst, ging de verhaler voort, was koopman en had een zeldzaam
scherpen blik op de zaken. Hij zette belangrijke ondernemingen op touw,
in 't Oosten zoowel als in 't Westen. In de groote steden vestigde hij
bijkantoren. Dat in Antiochië werd beheerd door een zekeren Simonides,
die in weerwil van zijn Griekschen naam toch een Israëliet was. De vorst
verongelukte op zee. De zaken werden echter voortgezet en waarlijk met
niet minder goed gevolg. Na een paar jaren werd het gezin van den vorst
door een zwaren slag getroffen. Zijn eenige zoon trachtte den procurator
Gratus te dooden in de straten van Jeruzalem. De aanslag mislukte en
sedert is hij verdwenen.
De Romein wreekte zich op het geheele gezin. Niemand werd gespaard. Het
paleis werd verzegeld, op de goederen, ja, op alles wat het huis Hur
toebehoorde, werd beslag gelegd. De procurator heelde zijne wond met een
gouden pleister.
De passagiers lachten.
--Gij wilt zeggen dat hij het vermogen voor zich hield, zeide een van
hen.
--Zoo zegt men, antwoordde de Hebreër. Ik deel u het verhaal mede zooals
het mij gedaan is. Simonides dan, die hier in Antiochië de agent van den
vorst was, begon niet lang daarna handel te drijven voor eigen rekening
en werd binnen ongeloofelijk korten tijd een der aanzienlijkste
handelaren van de stad. In navolging van zijn heer zond hij karavanen
naar Indië, en thans bezit hij genoeg galeien voor een koninklijke
vloot. Men zegt dat niets hem ooit mislukt. Zijn kameelen sterven niet
anders, dan door ouderdom. Zijn schepen gaan nooit te gronde. Werpt hij
een stuk hout in zee, het keert als goud tot hem terug.
--Hoe lang drijft hij handel voor zichzelf?
--Nog niet volle tien jaren.
--Dan moet hij met een aardigen duit op zak begonnen zijn.
--Ja, men zegt dat de procurator zich alleen maar van 's vorsten
bezittingen kon toeëigenen wat voorhanden was: zijn paarden, vee,
huizen, land, schepen, en de opgestapelde goederen. Baar geld was echter
nergens te vinden, hoewel er onnoemelijke sommen moeten geweest zijn.
Wat daarvan geworden is bleef een onopgelost raadsel.
--Niet voor mij, zeide een der reizigers met een grijnslach.
--Ik begrijp wat gij bedoelt, antwoordde de Hebreër. Anderen koesterden
dezelfde gedachte. Dat de oude Simonides er zichzelven mee in de hoogte
gewerkt heeft, wordt algemeen geloofd. De procurator was ook van dat
gevoelen. Tweemaal in vijf jaren heeft hij den koopman gevangengenomen
en op de pijnbank gelegd.
Juda's hand klemde zich krampachtig om het touw, waartegen hij leunde.
--Men zegt, ging de grijsaard voort, dat zij den armen man letterlijk
geradbraakt hebben. De laatste maal, dat ik hem zag, zat hij in een
stoel in kussens weggedoken, als een vormlooze klomp.
--Hoe vreeselijk! riepen sommige toehoorders.