mij geheel vreemd. Als ik hem had willen dooden zou ik een ander uur en
een andere plaats hebben uitgekozen. Hij reed te midden van zijne
troepen, en het was helder dag. Ik zou niet hebben kunnen ontkomen. Ik
behoorde tot een geslacht, dat met Rome op goeden voet stond. Mijn vader
was door den keizer met onderscheiding behandeld, om de diensten, die
hij den staat bewezen had. Wij hadden een groot fortuin te verliezen.
Niet alleen ik, maar ook mijne moeder en zuster zouden moeten boeten.
Ik had geen reden om zulk een misdaad te begaan, en de gedachte aan huis,
familie, geweten, Wet, zou mijne hand hebben tegengehouden, al was de
begeerte ook nog zoo sterk in mij geweest. Ik was niet krankzinnig. De
dood was te verkiezen boven de schande en, geloof mij, zoo denk ik er
nog over.
--Wie was bij u, toen de procurator getroffen werd?
--Ik was op het dak van ons huis. Tirza was bij mij. Zij stond naast
mij. Ik leunde over de borstwering om de soldaten te zien voorbijgaan.
Een losgeraakte steen kantelde door de drukking van mijne hand, en viel
op Gratus. Ik was doodelijk ontsteld.
--Waar was uwe moeder?
--Beneden in haar kamer.
--Wat is van haar geworden?
Ben-Hur balde de vuisten en hijgde naar adem. Ik weet het niet. Ik zag
dat zij haar meesleurden--dat is alles. Alle levende ziel werd uit het
huis verdreven, zelfs het stomme vee, en de poorten werden verzegeld. De
bedoeling was dat zij er niet meer zou terugkomen. Waar is zij? O, dat
ik het wist! Zij ten minste had er geen schuld aan. Ik kan vergeven,--maar
't is waar, een slaaf moet maar zwijgen van vergeven of van wraak nemen.
Ik ben levenslang tot de galeien veroordeeld.
Arrius luisterde aandachtig. Hij riep al zijne ondervinding met slaven
te hulp. Als dit comediespel was, dan was de Jood een geboren acteur;
maar was hij werkelijk onschuldig, met welk een blinde woede was men dan
tegen hem te werk gegaan! Een gansche familie weggevaagd, om voor een
ongeluk te boeten. Dat ging te ver.--De tribuun was een zeer streng man;
maar hij was ook rechtvaardig. Zijne onderhoorigen noemden hem den
goeden tribuun.
In het verhaal van den jongeling was veel dat ten zijnen gunste sprak.
Misschien kende Arrius Valerius Gratus, maar voelde hij zich niet tot
hem aangetrokken. Misschien had hij den ouderen Hur gekend.... Hoe het
zij, ditmaal wist de tribuun met recht wat hij doen zou. Zijne macht aan
boord was onbeperkt. Alles noopte hem om genade te bewijzen. Hij
geloofde den jongen roeier. Maar, zooals hij tot zichzelf zeide, er was
geen haast bij, terwijl hij wèl haast had om Cythera te bereiken. Den
besten roeier vrij te geven, dat ging niet. Hij zou wachten, hij moest
nog meer zien te vernemen; hij moest ten minste zeker weten dat dit
vorst Hur was, en dat hij een goede inborst had. Gewoonlijk waren slaven
leugenaars.
--Het is goed, zeide hij, gij kunt gaan.
Ben-Hur boog, zag nog eenmaal zijnen gebieder aan, maar ontdekte niets
dat hem hoop kon geven. Langzaam wendde hij zich af, keek nog eenmaal om
en zeide: Indien gij bij geval weder aan mij denken mocht, edele tribuun,
wil u dan vooral herinneren, dat ik alleen om tijding gevraagd heb van
mijne moeder en zuster.
Hij ging. Arrius volgde hem met bewonderende blikken. Bij alle goden,
dacht hij, met een weinig leiding zou hij in de arena kunnen schitteren.
Wat een looper! Welk een arm voor het zwaard!--Halt! riep hij luid.
Ben-Hur bleef staan. Wat zoudt gij doen als gij vrij waart? vraagde de
tribuun.
--De edele Arrius spot met mij, antwoordde de jongeling met bevende
lippen.
--Neen, bij alle goden, neen!
--Dan wil ik u gaarne antwoorden. Vóór alle dingen zou ik mijn plicht
doen. Ik zou mijzelven geen rust gunnen, voordat ik mijne moeder en
Tirza weder thuis gebracht had. Iederen dag, ja ieder uur zou ik aan
haar geluk wijden. Ik zou haar dienen, trouwer dan de trouwste slaaf.
Zij hebben veel verloren; maar bij den God mijner vaderen, ik zou haar
méér terugbezorgen!
Zulk een antwoord had de Romein niet verwacht. Hij aarzelde een
oogenblik. Maar, zeide hij, als uwe moeder en zuster dood waren, of niet
gevonden konden worden, wat zoudt gij dan doen?
Het gelaat van Ben-Hur werd met een doodelijken bleekheid overtogen. Hij
staarde in de golven. Hij scheen een zwaren strijd te strijden. Toen hij
tot bedaren gekomen was vraagde hij: Welk beroep ik zou kiezen?
--Ja.
--Tribuun, ik zal u naar waarheid antwoorden. Den avond vóór dien
vreeselijken dag had mijne moeder mij toegestaan soldaat te worden. Daar
wensch ik bij te blijven, en daar er in de geheele wereld slechts ééne
leerschool is, zou ik daar heengaan.
--De arena! riep Arrius.
--Neen, een Romeinsch kamp.
--Maar gij moet toch eerst de wapenen leeren hanteeren.
Het is altijd gevaarlijk voor een meester een slaaf raad te geven.
Arrius zag dadelijk zijne fout en veranderde van toon. Ga nu, zeide hij,
en bouw geen hoop op wat wij nu verhandeld hebben. Wie weet of ik mij
misschien wat met u heb willen vermaken. Of--indien gij er toch met hoop
voor de toekomst aan denken wilt, kies dan tusschen den roem van een
gladiator en den dienstplicht van een soldaat. Het eerste kan de gunst
des keizers u bezorgen, als soldaat hebt gij op niet te hopen. Gij zijt
geen Romein. Ga!
Twee minuten later zat Ben-Hur weder op zijne plaats. Het zwaarste werk
wordt gemakkelijk als het hart luchtig is. Het roeien viel Juda niet
meer zoo hard. Een straal van hoop was in zijne ziel gevallen. Hij kon
het niet onder woorden brengen, maar zijn gevoel zeide hem dat hij zich
niet bedroog. Telkens als de waarschuwing van den tribuun: misschien heb
ik mij met u willen vermaken,--hem voor den geest kwam, verdreef hij
haar. Dat de groote man hem geroepen had en hem zijne geschiedenis had
laten vertellen was het voedsel, waarmee hij zijn hongerige ziel voedde.
Ja zeker, er zou iets goeds uit voortkomen. Hoopvol en dankbaar bad hij:
o God, ik ben een echte zoon van het volk Israël, dat gij zoozeer bemind
hebt. Help mij, o help mij!
* * * * *
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN LICHTSTRAAL
In de baai van Antemona, ten oosten van het eiland Cythera, lagen de
honderd galeien bijeen. De tribuun wijdde één dag aan de inspectie der
vloot. Toen vertrok hij naar het eiland Naxos, het grootste van de
Cycladen, dat halverwege de kust van Griekenland en Azië als een rots in
zee omhoog rijst. Hier kon geen enkel voorbijzeilend schip aan zijn oog
ontsnappen, en kon hij tevens de zeeroovers dadelijk nazetten, hetzij
zij zich in de Egeïsche of in de Middellandsche zee vertoonden. Terwijl
de vloot in goede orde koers zette naar de rotsachtige oevers van het
eiland, kwam van het noorden een galei aanzeilen. Arrius ging haar te
gemoet. Zij kwam rechtstreeks van Byzantium, en haar bevelhebber kon hem
de bijzonderheden mededeelen, die hij noodig had te weten.
De zeeroovers waren allen geboortig van de verder gelegen kusten der
Zwarte zee. Zelfs Tanaïs was vertegenwoordigd. Met de grootste
geheimzinnigheid hadden zij hunne toebereidselen gemaakt. Onverwachts
hadden zij zich in den Tracischen Bosphorus vertoond, en de daar
liggende vloot verbrand. Vandaar tot aan de Hellespont waren alle
mogelijke schepen hun in handen gevallen. Hun eskader bestond uit zestig
goed bemande en goed uitgeruste galeien. De bevelhebber was een Griek.
Ook de loodsen, op al de Oostelijke zeeën goed bekend, waren Grieken.
Zij hadden ongeloofelijk veel buit behaald, zoodat niet alleen op zee,
maar ook in de steden angst en schrik heerschten. De handel stond bijna
geheel stil.
Waar bevonden de zeeroovers zich thans?
Op deze vraag, voor Arrius van het meeste gewicht, kreeg hij nu het
antwoord.
Nadat de vijand Hephestia op het eiland Lemnos geplunderd had, was hij
overgestoken naar de Thessalische eilanden en tusschen Euboea en Hellas
verdwenen.
Zoo luidde het bericht.
Door het zeldzaam schouwspel uitgelokt hadden de bewoners van het eiland
Naxos zich aan de kust verzameld en zagen zij Arrius' schoone vloot
eensklaps den steven noordwaarts wenden. Zij hadden het stout bestaan
der zeeroovers vernomen, en toen zij de witte zeilen naoogden grepen zij
moed. Wat Rome met sterke hand vasthield verdedigde zij ten allen tijde;
als tegengift voor de opgelegde schatting, gaf zij hare schatplichtigen
bescherming en veiligheid.
De tribuun was meer dan tevreden. De fortuin was hem gunstig. Zij had
hem niet alleen dadelijke en zekere inlichtingen verschaft, maar ook
zijne vijanden in een vaarwater gelokt, waar dood en verderf hen
wachtte. Hij wist welke schade een enkele galei op een zee als de
Middellandsche kon veroorzaken, en hoe bezwaarlijk zulk een galei te
achterhalen en aan te vallen was. Hij wist ook, dat juist die
omstandigheden zijn roem verhoogen zouden, indien het hem gelukte met
een enkelen slag de vijandelijke vloot te vernielen.
Als de lezer een kaart van Griekenland en de Egeïsche zee vóór zich
neemt, zal hij zien dat het eiland Euboea zich als een bolwerk tegen
Azië in de lengte langs de Grieksche kust uitstrekt, zoodat het kanaal
tusschen vasteland en eiland bij een lengte van honderdtwintig mijlen
nauwelijks acht breed is. De bocht in het noorden had eenmaal de vloot
van Xerxes geborgen, thans hadden de overmoedige zeeroovers er zich
genesteld. De steden langs den oever waren rijk en beloofden een
kostelijken buit. Alles wel beschouwd meende Arrius te ogen aannemen,
dat de roovers ergens ten zuiden van de Thermopylen zouden te vinden
zijn. In dat geval kon hij niet beter doen, dan hen in het noorden en
zuiden in te sluiten, maar dan ook zonder een minuut te verliezen. Hij
zette dus tot den meest mogelijken spoed aan, met het gevolg dat zij nog
vóór den nacht den berg Ocha in het gezicht kregen en de loods de kust
van Euboea meldde.
Op een gegeven teeken lieten de roeiers hunne riemen rusten. De tribuun
verdeelde de vloot in twee deelen, ieder van vijftig galeien. De eene
helft voerde hijzelf aan, om er het kanaal mede in te varen, terwijl de
andere bevel kreeg zoo snel mogelijk het eiland aan de zeezijde om te
varen en het kanaal aan den bovenkant in te sluiten.
't Is waar, geen van de afdeelingen had over zooveel mannen te beschikken
als de vijand; maar zij hadden toch iets op dezen voor, onder anderen de
strenge tucht, waaraan bij de bandeloozen troep, hoe onverschrokken ook,
niet gedacht kon worden. Voorts rekende de tribuun er op, dat, zoo bijgeval
de eene helft de nederlaag moest lijden, de andere den vijand in den rug
zou aanvallen en gemakkelijk overmeesteren kon.
Ben-Hur was op zijne plaats en werd iedere zes uur afgelost. De rust in
de baai van Antemona had hem goed gedaan, zoodat het roeien hem niet
vermoeide, en de hortator geen reden tot klagen had.
Over het algemeen waardeert de mensch veel te weinig het rustig gevoel,
dat hij smaakt, als hij een vast doel voor oogen heeft. Blindelings op
een onbekend punt af te gaan is verschrikkelijk. De gewoonte had bij
Ben-Hur dat gevoel slechts in slaap gesust, en dan nog maar ten deele.
Als hij zoo uur op uur, soms dagen en nachten achtereen, op de
onmetelijke wateren voortroeide, verlangde hij altijd te weten waar hij
was en waarheen hij ging; maar na zijn onderhoud met den tribuun was dat
verlangen veel levendiger, en nieuwe hoop bezielde hem. Het was hem als
hoorde hij ieder geluid op het schip; hij luisterde er naar, alsof het
zoovele stemmen waren, die hem iets kwamen vertellen. Hij zag naar het
traliewerk boven zijn hoofd, en staarde in het licht dat hem zoo schaars
werd toegemeten, verwachtende--hij wist zelf niet wat. Meer dan eens
voelde hij een onweerstaanbaren lust om den hortator iets toe te roepen,
wat natuurlijk ten strengste zou gestraft worden.
Gedurende zijn langen diensttijd had hij geleerd uit het spel der
zonnestralen af te leiden welken koers de galei nam. Die kennis was hem
te pas gekomen na hun vertrek van Cythera. Daar hij in de meening
verkeerde, dat zij in de richting van zijn vaderland zeilden, gaf hij
nauwkeurig acht op iedere afwijking. De plotselinge wending naar het
noorden deed hem smartelijk aan. De oorzaak kon hij in de verste verte
niet bevroeden; want evenmin als de andere roeiers kende hij het doel
der vaart en had daar ook niet het minste belang bij. Zijn plaats was op
de roeiersbank, en daar bleef hij, hetzij zij voor anker lagen, of onder
zeil waren. Eenmaal in deze drie jaren had hij het dek mogen betreden,
en dat was geweest, toen de tribuun hem ontboden had. Hij wist niet dat
zijn galei de aanvoerster was van een schoone, goed geordende vloot,
wier roeiers op hunne beurt even onwetend waren als hij.
Toen de zon haar laatste stralen in de kajuit wierp, ging het nog steeds
noordwaarts. Het werd nacht, en nog kon Ben-Hur geen verandering
bespeuren. Van het verdek drong een sterke wierookgeur tot hem door.
--De tribuun offert bij het altaar, dacht hij. Zouden wij misschien
slaags raken?
Hij luisterde scherp toe. Hij had reeds verscheidene zeeslagen mee
doorgemaakt, zonder er één gezien te hebben. Boven zijn hoofd had hij
den strijd hooren woeden, zoodat hij met ieder geluid vertrouwd was
geworden. Dus kende hij ook de verschillende toebereidselen voor den
slag, waarvan zoowel bij Romeinen als Grieken het offeren aan de goden
een der eerste was. De plechtigheid verschilde niet van die der
offerande bij een afvaart, en zoodra hij ze in volle zee bespeurde wist
hij waaraan zich te houden.
Een slag had voor hem en zijne mederoeiers een eigenaardig belang; een
nederlaag toch kon verandering brengen in hun toestand, hen misschien
wel bevrijden, in ieder geval andere meesters geven, die wellicht minder
zware diensten van hen zouden vorderen.
Op den gewonen tijd werden de lichten ontstoken en bij de trappen
opgehangen. De tribuun daalde van het verdek af. Op zijn bevel trokken
de mariniers hunne wapenrusting aan. De werktuigen werden nagezien,
speren, werpspietsen en pijlen werden in groote hoopen op den grond
gelegd, benevens kruiken met ontvlambare olie en manden vol katoenen
ballen. En toen Ben-Hur ten slotte zag, dat de tribuun zijn platform
besteeg, zijn wapenrok aantrok, zijn helm en schild gereed hield,
begreep hij goed geraden te hebben. Thans wachtte hem nog de zwaarste
vernedering van zijne dienstbaarheid.
Aan iedere roeiersplaats ging een ketting, van zware ringen voorzien.
Van nummer tot nummer gaande legde de hortator den roeiers ketenen aan
de voeten, zoodat zij in geval van tegenspoed geen kans van ontvluchten
hadden.
De ongelukkigen voelden de schande diep. Ben-Hur zeker het diepst. Wat
zou hij niet hebben willen doen, om dàt te kunnen ontgaan! Weldra meldde
hem het naderend gerinkel dat hij aan de beurt kwam,--zou de tribuun
misschien voor hem in de bres springen?
Men moge die gedachte aan ijdelheid toeschrijven, zeker is, dat zij hem
op eens in beslag nam. Hij geloofde, dat de Romein voor hem een
uitzondering zou maken, in ieder geval zou hij nu de ware gezindheid van
den tribuun leeren kennen. Als hij in dit gewichtig oogenblik aan den
armen slaaf dacht, zou Ben-Hur weten, dat de Romein hem boven zijn
lotgenooten stelde, zou hij weten dat zijne hoop hem niet bedrogen had.
Ben-Hur wachtte in de grootste spanning. Die paar minuten schenen hem
een eeuwigheid toe. Bij iederen riemslag keek hij naar den tribuun, die,
na zich gekleed te hebben, op zijn rustbank ging liggen om te slapen.
Toen Nummer 60 dat zag lachte hij bitter en besloot niet meer dien kant
uit te zien.
De hortator kwam naderbij. Nu was hij bij Ben-Hurs buurman--het rinkelen
der ketenen klonk hem afschuwelijker dan ooit in de ooren. Eindelijk N°.
60. Met de kalmte der wanhoop liet Ben-Hur de riem rusten en stak den
beambte zijn voet toe. Daar bewoog zich de tribuun--kwam overeind--wenkte
den hortator.
Het hart van den jongeling klopte tot berstens toe. De tribuun liet zijn
oog op hem rusten. Ben-Hur nam zijnen riem weder op, het was hem alsof
de geheele kajuit in een lichtglans baadde. Hij verstond geen woord van
wat gesproken werd; maar dat was ook niet noodig--de ketting bleef
hangen, de hortator keerde naar zijne plaats terug, en begon als altijd
de maat te slaan. Als muziek klonk hem dat geluid in de ooren, en hij
hanteerde zijn riem zoo flink, dat de hortator naar den tribuun ging en
glimlachend zeide: Welk een krachtsontwikkeling!--En welk een vuur!
antwoordde de tribuun. Bij alle goden! hij moet geen ketenen dragen, leg
ze hem nooit meer aan.--Toen hij dat gezegd had legde hij zich weder ter
ruste.
Zoo gingen eenige uren voorbij. Pijlsnel schoot de galei over het kalme
watervlak. Die niet aan het werk waren sliepen, Arrius op zijn platform,
de mariniers op den grond. Eenmaal, tweemaal werd Ben-Hur afgelost, maar
hij kon niet slapen. Drie jaren zwarte nacht en eindelijk een zonnestraal!
Een schipbreukeling en eensklaps land. In zulke oogenblikken vliedt de
slaap. Gedragen op de vleugelen der hoop vloog hij in zijne verbeelding
verre vooruit. Vergeten alle kommer en verdriet, have en goed terug-
gekregen, moeder en zuster weer bij hem--dat waren de hoofdgedachten, die
hem tot den gelukkigsten mensch maakten. Dat hij in pijlsnelle vaart
misschien dood en verderf te gemoet ging, had voor het oogenblik geen
vat op hem. Zijn blijdschap was zoo groot, zoo volkomen, dat in zijn
hart geen plaats meer was voor wraak. Messala, Gratus, Rome, en al de
bittere, martelende herinneringen aan die namen verbonden, waren hem als
de miasmen eener aarde, waaraan hij ontrukt was, waarboven hij vrij en
hoog in reiner sfeer zweefde.
In het geheimzinnige duister, dat het aanbreken der schemering
voorafgaat, liep op het verdek der Astrea een wachter met haastigen stap
naar het platform van den tribuun en wekte hem uit den slaap. Arrius
sprong op, gordde zijn zwaard aan, zette zijn helm op, nam zijn schild
en ging tot den hoofdman der mariniers.
--De zeeroovers zijn vlak bij. Op, ten strijde! zeide hij en ging
verder, kalm en vol vertrouwen, alsof hij niet twijfelde aan den uitslag.
* * * * *
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE ZEESLAG.
Allen aan boord van de galei ontwaakten. De hoofdmannen begaven zich op
hun post. De soldaten grepen naar de wapenen en werden op het verdek
gevoerd, waar bergen van pijlen en werpspietsen reeds gereed lagen.
Bij de middeltrap lagen de oliekruiken en vuurballen opgestapeld.
Verscheidene lantaarns werden ontstoken; vaten werden met water gevuld.
De afgeloste roeiers werden onder bewaking bij den hortator gebracht.
Ben-Hur was een van hen. Boven zijn hoofd hoorde hij de laatste
toebereidselen maken: het ophalen van het zeil, het uitspreiden van
netten, het bekleeden van het want met ossenhuiden. Weldra werd alles
weder stil, een stilte vol onbestemde, bange verwachting.
Op een teeken van het verdek, dat den hortator door een onderofficier
werd overgebracht, hielden de roeiers plotseling stil.
Wat beteekende dat?
Onder de honderdtwintig aan hunne banken geketende slaven was er zeker
geen, die zich die vraag niet deed. Niet uit vaderlandsliefde, eerzucht,
plichtgevoel, daar hadden zij mee afgedaan. Hulpeloos en blindelings
gingen zij in het gevaar, en die gedachte deed hen een oogenblik
sidderen. Wat ook gebeurde, het bracht hun geen voordeel: overwinnaars
--zij bleven wat zij waren; overwonnen--zinken of verbranden, zij moesten
het lot van hun schip deelen.
Het was hun niet vergund te vragen hoe de zaken daarbuiten stonden. En
wie was de vijand? Als het eens vrienden, broeders, landslieden waren?
De lezer zal begrijpen, dat de Romeinen wel gedwongen waren om bij zulke
gelegenheden hun rampzalige roeiers aan hunne zitplaatsen te kluisteren.
Thans echter hadden zij weinig tijd om aan zulke dingen te denken. Een
geluid als van roeiende galeien achter hen trok Ben-Hurs aandacht.
Zouden zij een vloot aanvoeren, die zich tot den aanval gereedmaakte?
vraagde hij zichzelven.
Een tweede sein kwam van het dek tot hem. De riemen gingen neer en de
galei zette zich nauwelijks merkbaar in beweging. Doodelijke stilte
daarbinnen, doodelijke stilte daarbuiten; toch zetten zich alle roeiers
instinctmatig schrap voor een mogelijken schok. Zelfs de galei scheen
den toestand te vatten, zij lag stil, alsof zij zich, een tijger gelijk,
tot den sprong voorbereidde.
In zulke oogenblikken heeft men geen begrip van tijd. Ben-Hur kon
onmogelijk nagaan hoe groot de afstand was, dien zij afgelegd hadden.
Eindelijk weerklonken op het verdek de trompetten, lang, vol, klaar. De
hortator sloeg de maat sneller en sneller; de roeiers roeiden met de
uiterste krachtinspanning. Met onvergelijkelijke snelheid schoot de
galei vooruit. Andere trompetten deden zich hooren--alle van achteren,
geen enkele van voren. Dáár vernam men slechts een verward gedruisch van
stemmen, een algemeen tumult. Plotseling deed zich een geweldige schok
voelen, de roeiers vóór het platform van den hortator wankelden, sommige
vielen. De galei schoot achteruit, hervatte zich, om zich dan weer met
onweerstaanbare kracht op den tegenstander te werpen. Een akelig
doordringend angstgeschrei deed zich hooren, het overstemde het
trompetgeschal en het geraas door de aanzeiling veroorzaakt. Ben-Hur
voelde dat hunne galei een andere vernielde, in den grond boorde. Zijne
makkers zagen elkander verschrikt aan. Een triomfkreet op het verdek--de
Romeinen hadden gezegevierd! Maar wie waren door de zee verzwolgen? Tot
welke natie, tot welk land behoorden zij?
Geen rust, geen oponthoud! Vooruit schoot de Astrea. Enkele soldaten
kwamen in haast naar beneden, drenkten de katoenballen met olie en
wierpen ze nog druipend aan hunne kameraden op de trappen toe. Alsof er
niet reeds verschrikkingen genoeg waren, zou er nu nog de woede des
vuurs aan toegevoegd worden.
Op eens helde de galei zoo sterk naar éénen kant over, dat de roeiers
slechts met moeite hun evenwicht bewaarden. Wederom de juichtonen der
Romeinen en de wanhopige angstkreten der overwonnenen. De groote
enterhaken aan den voorsteven hadden een vijandelijk schip gegrepen,
omhoog geheven, en neergesmakt in de golven.
Het krijgsgeschreeuw groeide steeds aan. Rechts, links, van voren, van
achteren, een oorverdovend rumoer. Nu en dan verkondigde een geweldig
kraken, gevolgd door hartverscheurend gekerm, dat wederom een schip
overzeil was en de opvarenden met de golven worstelden.
De Romeinen zagen echter aan hun kant ook menigeen vallen, die dan
bloedend, stervend naar beneden gedragen en op de grond neergelegd werd.
Ook begon de kajuit zich langzamerhand met rook te vullen en drong een
afgrijselijke stank van brandende voorwerpen naar beneden. Snakkend naar
adem begreep Ben-Hur, dat zij rakelings een brandende galei voorbijgingen,
wier vastgeketende roeiers mede in de vlammen moesten omkomen.
Intusschen was de Astrea aanhoudend in beweging gebleven. Eensklaps
echter stopte zij. De riemen werden den roeiers uit de handen geslagen,
zijzelven vielen van de banken. Op het verdek hoorde men een vervaarlijk
leven, vervolgens het slaags raken van twee schepen. Doodelijk
verschrikt zagen de roeiers rond, of er ook mogelijkheid van ontkomen
was. Te midden van de algemeene ontsteltenis werd een dood lichaam naar
beneden geworpen en kwam vlak bij Ben-Hur terecht. Het was een
blondgelokte barbaar uit het noorden; maar hoe kwam hij hier? Een
ijzeren vuist had hem van het vijandelijke schip gegrepen--neen, de
Astrea zelve moest in de handen der vijanden zijn! Vochten de Romeinen
dus op eigen bodem?
Het werd de jongen Jood koud om 't hart. Arrius was in gevaar--misschien
kampte hij op ditzelfde oogenblik om zijn leven. Indien hij gedood werd!
Dat verhoede de God van Abraham! Moest zijn nieuw ontloken hoop, moesten
zijn zoete droomen hoop en droomen blijven? Moeder, zuster, huis,
vaderland, zou hij ze dan toch nooit terugzien? Het tumult boven zijn
hoofd groeide aan, hij zag rondom zich--niets dan verwarring trof zijn
oog: de roeiers verlamd van schrik, soldaten niet wetende waar zich te
bergen. Alleen de hortator bleef onverschrokken op zijn post, sloeg,
hoewel tevergeefs, als naar gewoonte de maat, wachtend op de bevelen van
den tribuun--een illustratie van de onovertroffen discipline, die de
wereld had overwonnen.