zeeman zou een ander liefje begeeren? Is uwe Lucretia bevalliger, vriend
Cajus?
Met stralende oogen keek hij naar de galei, die zijn lof waardig was.
Het witte zeil stond bol en de riemen gingen in volmaakte regelmaat en
met vleugelslag op en neder. Ja, zeide hij ernstig, den blik op het
vaartuig gericht, laat de goden rusten. Zij verschaffen ons de
gelegenheden en het is onze eigen schuld, als wij niet slagen. En wat de
Grieken betreft, Lentulus, de zeerovers die ik moet gaan straffen zijn
Grieken. Eene overwinning op hen behaald is van meer gewicht, dan
honderd op de Afrikanen.
--Gij gaat dus naar de Egeïsche zee?
--Ja, en daar ik zo spoedig mogelijk vertrek zal ik u de aanleidende
oorzaak vertellen; maar gij moet er niet buitenaf over spreken. Ik zou
niet gaarne willen, dat gij er den duumvir, zoo gij hem weder ontmoet,
over lastig valt; hij is mijn vriend. De handel tusschen Griekenland en
Alexandrië is, zooals gij misschien weet, bijna van evenveel beteekenis,
als die tusschen Alexandrië en Rome. Nu vergat het volk in dat gedeelte
der wereld de Cerealia te vieren, en Triptolemus gaf hun dientengevolge
een oogst, die het inzamelen ternauwernood waard was. Maar de handel is
zoo toegenomen, dat van geen staking hoe kort ook sprake kan zijn.
Waarschijnlijk hebt gij ook gehoord van de Chersonesische zeerovers, die
in de golf van Euxine nestelen. Brutaler dan zij bestaan niet. Gisteren
werd te Rome bericht ontvangen, dat zij met een vloot den Bosphorus
waren afgeroeid, de galeien bij Byzantium en Chalcedon in den grond
hebben geboord en, op verderen buit belust, de Egeïsche zee opvoeren.
De korenkoopers, wier schepen op de Oost-Middellandsche zee zijn, hebben
een persoonlijk onderhoud met den keizer gehad. Dientengevolge
vertrekken heden nog van Ravenna een honderdtal galeien, en van
Misenum--hij zweeg even, alsof hij de nieuwsgierigheid zijner vrienden
wilde prikkelen--van Misenum één galei.
--Gelukkige Quintus, wij wenschen u van harte geluk!
--Deze opdracht is de voorloopster van een bevordering. Wij begroeten u
als duumvir, niet minder.
--Quintus Arrius de duumvir--dat klinkt nog mooier dan Quintus Arrius de
tribuun.
--Dank, hartelijk dank! antwoordde Quintus. Hadt gij lantaarnen bij u,
ik zou u auguren noemen. Ja, ik ga nog verder: ik zal u bewijzen dat gij
meesters in het raden zijt. Ziet en leest.
Uit de plooien van zijn toga bracht hij een rol te voorschijn,
overhandigde die en zeide: Dit ontving ik van Sejanus, terwijl wij aan
den maaltijd waren.
Die naam had een goeden klank onder de Romeinen, eerst later werd hij
berucht.
--Sejanus! riepen zij als uit één mond, en staken de hoofden bij
elkander om het stuk te lezen.
Sejanus aan C. Caecilius Rufus, Duumvir.
Rome, XIX Kal. Sept.
De keizer heeft het goede nieuws vernomen aangaande Quintus Arrius,
den tribuun. Met name heeft hij den moed hooren roemen, door hem in
de westelijke zeeën betoond. Daarom beveelt hij dat genoemde
Quintus zonder verwijl naar het oosten verplaatst worde.
Voorts is het de wil van onzen keizer, dat gij onmiddellijk een
honderdtal der best drieriemige galeien afzendt tegen de roovers,
die zich in de Egeïsche zee vertoond hebben, en dat aan Quintus het
bevel over die vloot worde opgedragen.
Aan u, Caecilius, wordt de bezorging van een en ander overgelaten.
De zaak dringt, zooals gij zien zult uit de berichten, die hier
bijgevoegd worden, opdat gij en Quintus er kennis van zoudt nemen.
SEJANUS.
Arrius luisterde slechts ten halve. Het naderende vaartuig nam zijne
aandacht geheel in beslag. Nu zwaaide hij met een slip van zijn toga;
als antwoord op dat signaal werd op het schip een roode vaan geheeschen,
en het zeil ingehaald. De boeg werd landwaarts gekeerd, de riemslag
versneld,--Arrius sloeg het met welgevallen gade. Op zulk een
vaartuig kon men staat maken in den tijd van nood.
--Bij alle goden! zeide een van de vrienden, hem de rol teruggevende,
wij mogen niet meer zeggen: onze vriend zal een groot man worden; hij is
het reeds. Hebt gij nog meer belangrijks voor ons?
--Neen, was het antwoord. Wat gij zooeven vernomen hebt is thans reeds
oud nieuws in Rome, ten minste tusschen paleis en Forum. De duumvir is
voorzichtig; wat ik doen moet en waar ik mijn vloot kan vinden zal ik
straks aan boord vernemen. Als gij echter vandaag aan een der altaren
gaat offeren, bidt dan voor uwen vriend, die in de richting van Sicilië
vaart. Maar daar is het schip. Zijne bestuurders boezemen mij belang in,
want zij moeten met mij zeilen en strijden. Dit is geen gemakkelijke
kust om aan te leggen, ik heb dus een kostelijke gelegenheid om over
hunne vaardigheid te oordelen.
--Wat? is het schip u dan vreemd?
--Ik zie het nu voor de eerste maal, en weet zelfs niet, of ik er één
bekende op zal aantreffen.
--Is dat niet gewaagd?
--Neen, het doet niets ter zake. Op zee leert men elkander spoedig
kennen. In de ure des gevaars wordt onze liefde zoowel als onze haat
geboren.
Het vaartuig behoorde tot de soort van oorlogsschepen, die op groote
snelheid en plotselinge wendingen waren berekend. Lang, smal, schoot het
als een zwaan door het water. Onder den boeg, in het water
vooruitspringend, was de snavel, uit hard hout vervaardigd en met ijzer
beslagen, die in den strijd als stormram dienst deed. Hecht lofwerk,
langs de volle lengte van het schip, begrensde de verschansing.
Daaronder waren drie rijen openingen voor de roeiriemen, aan iederen
kant zestig. Twee dikke touwen, die over den boeg liepen, gaven het
getal ankers aan, die op het voordek bewaard werden. De eenvoudige
inrichting van het verdek deed zien, dat men zich voornamelijk op de
roeiers verliet.
Nagenoeg in het midden rees de mast omhoog, die door stangen en staggen
overeind werd gehouden. Het touwwerk diende om een groot vierkant zeil
te besturen. Behalve de manschap, die het zeil gereefd had, was van den
dam gezien nog slechts één man zichtbaar. Deze stond bij den boeg en
droeg een helm en schild. De honderdtwintig eikenhouten riemen, glanzend
wit gehouden door afwrijvingen met puimsteen, gingen zoo regelmatig op
en neer, alsof één hand ze bestuurde. De snelheid waarmee de galei
voortschoot was zoo groot, dat de vrienden van den tribuun hun hart
vasthielden.
Eensklaps hief de man bij den boeg zijne hand op. Alle riemen gingen
naar boven, bleven een oogenblik omhoog en vielen toen pijlsnel neder.
Het water kookte en borrelde, de galei trilde tot in de voegen, en bleef
dan als verschrikt stil liggen. Een tweede handbeweging van den
commandant, en wederom gingen de riemen op, bleven omhoog en vielen;
maar ditmaal roeiden die van de rechterzijde vooruit, die van de
linkerzijde daarentegen achteruit. Tot driemalen werd deze manoeuvre
herhaald, toen draaide de galei als om hare as naar rechts, ving wind,
en legde zijwaarts bij den dam aan.
Door die beweging kreeg men het achterschip beter te zien, waar, onder
het hooge gebeeldhouwde en fraai vergulde windhuisje, op een
verhevenheid de stuurman zat, een statige figuur in volle wapenrusting.
Trompetgeschal weerklonk, en op dat signaal verscheen de bemanning op
het verdek, allen in groot tenue, met glinsterende helmen, schilden en
speren. Terwijl de soldaten front maakten, klommen de matrozen in den
mast en zetten zich op de ra. De officieren en muzikanten namen hunne
plaatsen in. Alles geschiedde met de grootste orde, zonder noodelooze
drukte. Zoodra de galei aan den dam lag werd van het stuurmansverdek een
plank naar den wal gelegd.
Toen wendde de tribuun zich tot zijne vrienden en zeide met grooten
ernst: Mijn plicht roept mij, waarde vrienden.
Hij nam den krans van zijn hoofd en gaf hem aan den dobbelaar. Neem gij
den krans, gunsteling der dobbelsteenen! Als ik terugkeer zal ik gaarne
mijn geluk weer beproeven. Overwin ik niet in den strijd, dan kom ik
niet terug. Hang den krans in uw atrium.
Nu breidde hij de armen uit en omhelsde hen allen.
--Mogen de goden u vergezellen, Quintus! riepen zij.
--Vaartwel, zeide hij, groette de slaven, die met de fakkels zwaaiden,
met de hand en keerde zich toen naar het schip. Zoodra hij de plank
betreden had werden de trompetten geblazen, en boven het windhuisje
ontplooide zich de purperen vlag ten teeken dat de vlootvoogd aan boord
was.
* * * * *
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE ROMEINSCHE GALEI.
De tribuun stond op het verdek, met de order den duumvir in de hand en
sprak tot den overste der roeiers: Hoeveel mannen hebt gij?
--Tweehonderd tweeënvijftig roeiers en tien om in te vallen.
--Dat geeft een aflossing van....
--Vierentachtig.
--Hoe dikwijls?
--Om de twee uur.
De tribuun dacht een oogenblik na, en zeide: Een zware dienst. Dat moet
veranderd worden, maar niet dadelijk, want wij moeten dag en nacht door.
Toen wendde hij zich tot den loods: Hoeveel jaren dienst hebt gij?
--Tweeëndertig.
--Welke zeeën hebt gij voornamelijk bevaren?
--Tusschen Rome en het oosten.
--Uitnemend.
De tribuun zag zijn order nogmaals in.
--Onze weg gaat langs kaap Camponella, naar Messina. Dan langs de kust
van Calabrië, totdat gij Melite links hebt, dan--kent gij de sterren,
die in de Jonische zee den boventoon hebben?
--Ja zeker.
--Goed. Dan van Melito oostwaarts naar Cythera. Als de goden ons gunstig
zijn zullen wij het anker niet uitwerpen, voordat wij de baai van
Antemona binnen loopen. De tijd dringt: ik verlaat mij op u.
Arrius was een voorzichtig man. Hij behoorde tot de soort van menschen,
die, terwijl zij den goden rijke offers brachten, niettemin van meening
waren, dat het welslagen eener onderneming meer afhing van eigen wijs
beleid, dan van gaven en beloften. Als held van het feest had hij den
ganschen nacht met drinken en spelen doorgebracht; maar de frissche
zeelucht riep den zeeman in hem wakker en hij dacht niet aan rust,
voordat hij zijn schip kende. Na met de officieren en de verschillende
opzichters gesproken te hebben, doorliep hij de galei van onder tot
boven en liet zich van alles volkomen op de hoogte brengen. Dat afgedaan
zijnde bleef hem alleen nog over zijn personeel te leeren kennen, en
daar dit het moeilijkste deel van zijn taak was en nogal tijd vereischte,
zette hij zich dadelijk aan den arbeid.
Tegen den middag naderde de galei Paestum. De wind woei nog steeds uit
het westen en deed het zeil zwellen. De wachten waren verdeeld. Op het
voordek was een altaar opgericht en met zout en gerst bestrooid. De
tribuun had plechtige gebeden opgezonden tot Jupiter en Neptunus en de
Oceaniden, en onder het doen van velerlei geloften den wijn uitgegoten
en wierook gebrand. Thans zat hij, een recht krijgshaftige figuur, in de
groote kajuit, en bestudeerde de manschappen.
De kajuit bevond zich in het midden der galei, was zesenvijftig voet
lang en dertig breed en ontving haar licht door drie breede luiken. De
zoldering rustte op twee rijen dunne palen, en in het midden verrees de
mast uit een gansche verzameling van bijlen en speren. Bij ieder luik
voerde rechts en links een trap naar beneden, en daar de luiken
openstonden had het licht er vrijen toegang. Deze ruimte was om zoo te
zeggen het hart van het schip, de plaats van samenkomst voor allen:
eetkamer, slaapkamer, exercitieveld.
Aan het achtereinde der kajuit voerde een trapje naar een platform,
waarop de hortator, of overste der roeiers zat, die met een stokje de
maat aangaf voor de roeiers. Rechts van hem stond een wateruurwerk, om
de aflossingen naar te berekenen. Boven hem, op een nog hooger gelegen
platform, behoorlijk afgesloten door een vergulde balustrade, was het
kwartier van den tribuun. Van daar kon hij alles overzien. Een rustbed,
een tafel en een leunstoel, alles zeer gerieflijk en kostbaar, maakten
het ameublement uit.
In dien armstoel gezeten hield Arrius een waakzaam oog over zijne
manschappen, die hem van hunnen kant ter sluik menigen blik toewierpen.
Het langst verwijlde zijne aandacht bij de roeiers. Wat hij daar zag was
overigens zeer eenvoudig. Langs de kajuit, aan de zijwanden van het
schip bevestigd, waren twintig bankjes aangebracht, ieder voor drie
roeiers, in dier voege, dat de tweede op de bank hooger zat dan de
eerste, en de derde hooger dan de tweede. De roeiers op de eerste en
tweede plaats zaten, die van de derde stonden, omdat hunne roeispanen
zooveel langer waren. Het bovengedeelte van de roeispanen was met lood
gevuld. Zij hingen in lenige lederen riemen, die een zwevende beweging
mogelijk maakten, maar tezelfder tijd groote bedrevenheid eischten, daar
een onverwachte golfslag den onoplettenden roeier in eens kon
omverwerpen. De zestig openingen waren even zoovele luchtkokers, zoodat
het hun niet aan frissche lucht behoefde te ontbreken. Licht ontvingen
zij door een traliewerk, dat tot vloer diende van de gang tusschen het
dek en de borstwering boven hun hoofd.
In sommige opzichten had het lot dier armen dus nog erger kunnen zijn;
maar men moet zich niet verbeelden, dat hun leven genoeglijk was. Het
was hun streng verboden een woord met elkander te wisselen. Dag aan dag
namen zij zwijgend hunne plaatsen in, onder het werk konden zij elkander
niet aanzien, hun korte rusturen werden ingenomen door slaap en een
haastig maal. Nooit zag men hen lachen, nooit hoorde men hen zingen. Het
leven van deze rampzaligen geleek op een onderaardschen stroom, die
langzaam maar zonder ophouden voortzwoegt, totdat hij, onverschillig
waar, vervloeit.
O, Zoon van Maria! In onzen tijd heeft het zwaard een hart--en dat
danken wij U! maar in de dagen, waarvan wij nu spreken, moesten de
gevangenen slavendienst verrichten op de wallen, in de straten en
mijnen, terwijl de handels- en oorlogsgaleien onverzadelijk waren. Bijna
ieder volk had zijn aandeel geleverd, meest krijgsgevangenen. Britten,
Libyërs, Scythen, Galliërs, Romeinsche boosdoeners, Gothen, Longobarden,
Joden, Ethiopiërs, Grieken, Kimbren, alles zat daar door elkander.
Het roeien had niets om het verstand, hoe weinig ontwikkeld ook, bezig
te houden. De bewegingen waren zelfs bij onstuimig weer zeer automatisch.
Langzamerhand werden de ongelukkigen stompzinnig, geduldig, geesteloos,
terende op weinige maar liefelijke herinneringen, ten slotte geheel
verstompt en gewoon aan lijden en ontbering.
Uur op uur zat de tribuun in zijn armstoel en overdacht al wat maar te
overdenken was; alleen niet het ongelukkig lot der slaven op de
roeiersbanken. Het kijken naar hunne regelmatige bewegingen ging hem na
een poosje vervelen. Tot afwisseling wilde hij eens trachten te
ontdekken, of er ook een bijzonder goede of slechte onder school.
Dat het onnoodig werd geoordeeld de namen der veroordeelden bij te
houden, behoeven wij wel niet te verzekeren; het nummer van hun
zitplaats was voldoende om hen uit elkander te houden. De scherpe blik
van den tribuun ging alle rijen langs, totdat hij ten laatste op Nummer
60 bleef rusten. Deze roeier was nog zeer jong, zoo op het oog
nauwelijks twintig jaar. Behalve een doek om de lenden was hij, evenals
zijne lotgenooten, geheel naakt, waardoor zijne schoone vormen, zijn
krachtig spierweefsel op hun voordeeligst uitkwamen. De wijze waarop hij
zijn werk verrichte, kunstvaardigheid en kracht verradende, ja zijn
gehele houding trokken de aandacht van den tribuun, die eene bijzondere
voorliefde koesterde voor alles wat met athletische oefeningen in
verband stond, en zich vleide een kenner te zijn op dat gebied.
Kon hij hem nu maar eens in het gelaat zien. Het hoofd was welgevormd en
werd gedragen door een forschen en toch slanken nek. Het profiel was
fijn en van Oostersche type, lang niet alledaagsch, zoodat de tribuun
werkelijk belang in hem ging stellen.
Bij alle goden, zeide hij hardop, die knaap belooft wat. Ik moet weten
waar hij vandaan komt.
De toeleg gelukte--de roeier keek om en zag den tribuun aan.
--Een Jood! Nog een knaap.
De onderzoekende blik van den tribuun dreef den slaaf het bloed naar de
wangen, zijn groote oogen werden nog grooter, de riem bleef rusten ...
daar sloeg de hortator met een toornig gebaar tegen de tafel. De roeier
schrikte, keek voor zich, en hervatte met verdubbelden ijver zijn werk.
Toen hij later nog eens naar den tribuun omzag steeg zijne verwondering
ten top--hij ontmoette een vriendelijk glimlachje.
Intusschen stevende de galei de straat van Messina in, liet de stad van
dien naam rechts liggen, en keerde oostwaarts, den Etna met zijn
rookwolken achter zich latende.
Telkens als Arrius naar zijn zetel op het platform terugkeerde zocht
zijn oog N°. 60 op, en moest hij bij zichzelven herhalen: Daar steekt
iets achter. Een Jood is geen barbaar. Ik moet weten wie hij is.
* * * * *
DERDE HOOFDSTUK.
DE GALEISLAAF.
Vier dagen later vinden wij de Astrea, zoo heette de galei, in de
Jonische zee. De lucht was helder, de wind gunstig. Daar het niet
onmogelijk was de vloot in te halen vóór het aangewezen punt, bracht
Arrius een groot gedeelte van den dag op het dek door. Hij ging alles
zelf na en was over het algemeen zeer tevreden. N°. 60 verloor hij
intusschen niet uit het oog.
--Kent gij den man, die daar juist zijn plaats verlaat? vraagde hij den
hortator, die een aflossing bevolen had.
--N°. 60?
--Ja.
--De opzichter keek den roeier na en antwoordde: Zooals gij weet is het
schip eerst sedert een maand uit de hand van zijn maker gekomen, en de
mannen zijn al even nieuw voor mij, als het schip.
--Hij is een Jood, zeide Arrius nadenkend.
--De edele Quintus heeft een scherpen blik.
--Hij is zeer jong, vervolgde Arrius.
--Maar onze beste roeier. Ik heb zijn riem zien buigen tot brekens toe.
--Hoe is zijn aard?
--Hij is gehoorzaam, meer weet ik er niet van. Hij heeft mij slechts
eenmaal een verzoek gedaan.
--Welk?
--Hij vroeg mij, of ik hem bij afwisseling nu eens aan de rechter en dan
weer aan de linkerzij wilde plaatsen.
--Gaf hij een reden op?
--Ja. Hij had opgemerkt dat de mannen, die altijd aan denzelfden kant
werken, ten laatste scheef worden. Hij zei ook, dat men hem in geval van
storm of gevecht eensklaps aan den anderen kant kon noodig hebben, en
dan zou hij niet van zessen klaar zijn.
--Zoo, zoo; dat is iets nieuws. Wat hebt gij meer van hem opgemerkt?
--Hij is veel zindelijker dan de anderen.
--Daarin is hij dan een Romein, zeide Arrius welvoldaan.
--Weet gij niets van zijne geschiedenis?
--Niets hoegenaamd.
De tribuun dacht een oogenblik na en zeide toen: Mocht ik op het dek
zijn als zijn tijd om is, zend hem dan bij mij; maar alleen.
Ongeveer twee uren later stond Arrius onder het windhuisje. De stuurman
zat aan 't roer, enkele matrozen lagen in de schaduw van het zeil te
slapen, op een van de stangen zat een wachter. Opziende zag de tribuun
N°. 60 naderen.
--De hortator noemde u den edelen Quintus Arrius, en zeide, dat ik
volgens uw bevel hier moest komen. Hier ben ik.
Arrius zag met bewondering naar het slanke gespierde lichaam en dacht
aan de arena. Het optreden van den jongeling trof hem. Zijn toon en
manier van spreken bewezen, dat hij zijn jeugd onder beschaafde lieden
doorgebracht had. Zijne oogen stonden helder en klaar, en de uitdrukking
was meer nieuwsgierig dan uitdagend. Den onderzoekenden trotschen blik
van den tribuun doorstond hij kalm, toonde geen spoor van haat of
wraakgevoel, alleen diep gewortelde droefheid. Dientengevolge liet de
tribuun zijn hoogen toon varen en sprak den slaaf vriendelijk toe: De
hortator heeft mij gezegd dat gij de beste roeier zijt.
--Dat is heel vriendelijk van hem.
--Zijt gij reeds lang in dienst?
--Bijna drie jaar.
--Aan de riemen?
--Ja, ik heb geen dag rust gehad.
--Het werk is zwaar. Menig volwassen man houdt het geen jaar uit en
gij--gij zijt nog zoo jong.
--De edelen tribuun vergeet, dat de geest ook een woordje meespreekt.
Door zijn toedoen leeren de zwakken soms verdragen wat de sterken doet
bezwijken.
--Naar uwe spraak te oordeelen zijt gij een Jood.
--Mijne voorvaderen waren Hebreën lang voordat de eerste Romein bestond.
--Gij zijt een echte Jood, even trotsch als al de anderen, zeide Arrius,
den verhoogden blos op het gelaat van den jongeling ziende.
--Trots doet zich nooit zoo sterk gelden, dan wanneer hij geketend ligt.
--Welke reden hebt gij dan om trotsch te zijn?
--Dat ik een Jood ben.
Arrius glimlachte. Ik ben nooit in Jeruzalem geweest, zeide hij, maar ik
heb wel van de vorsten van Jeruzalem gehoord. Ik heb er zelfs een van
gekend. Hij was koopman en voer ter zee. Hij was waard koning te zijn.
Tot welken stand behoort gij?
--Ik moet u van de galeibank antwoorden. Ik ben een slaaf, maar mijn
vader was een vorst van Jeruzalem en voer als koopman ter zee. Keizer
Augustus kende hem en ontving hem met eerbewijzen aan zijn hof.
--Hoe heette hij?
--Ithamar, uit het huis van Hur.
--Wat! riep de tribuun verbaasd, gij een zoon van Hur--gij? Na een
oogenblik zwijgen vraagde hij: Hoe zijt gij hier gekomen?
Juda boog het hoofd, hij ademde zwaar. Toen hij zichzelven genoeg
meester was zag hij den tribuun flink aan en zeide: Ik werd beschuldigd
van een moordaanslag op Valerius Gratus, den procurator.
--Gij! riep Arrius, wiens verbazing nog grooter werd. Gij die
moordenaar! Geheel Rome was er over verontwaardigd. Ik lag met mijn
schip te Lodinum, en hoorde het daar.
Beiden zagen elkander zwijgend aan. Ik dacht dat het geslacht Hur
uitgeroeid was, zeide Arrius eindelijk.
Een stroom van liefelijke herinneringen deed Juda's trots bezwijken, de
tranen vloeiden over zijne wangen. Moeder--moeder! en mijn lieve Tirza!
Waar zijn zij? O tribuun, edele tribuun, als gij iets aangaande haar
weet, riep hij, de handen smeekend opheffend, vertel het mij dan. Zeg
mij of zij nog leven, en waar dan, en hoe? O, ik bid u, zeg het mij dan.
Al sprekende was hij tot vlak voor den tribuun getreden.
--Drie jaren zijn voorbijgegaan sedert dien vreeselijken dag, vervolgde
hij, drie jaren, edele tribuun, en ieder uur was een marteling voor mij.
De arbeid was mijn enige afleiding. In al dien tijd heb ik geen woord,
geen enkel woord, met iemand gewisseld. O, konden wij, vergetenen, toch
ook maar zelf vergeten. Kon ik dat vreeselijk tooneel maar uit mijn
geheugen bannen! mijn zusje weggerukt van mijne zijde, en die laatste
blik van mijne moeder! In gevaren van pest, stormen en krijgsgewoel heb
ik gelachen, terwijl anderen baden, want de dood zou mij van mijne
ellende verlost hebben. Zeg mij, dat zij dood zijn, want zij kunnen toch
niet gelukkig zijn, zoolang zij over mijn lot in het onzekere verkeeren.
Ik heb haar stemmen 's nachts gehoord, ze roepen om mij. Ik heb ze op de
golven zien wandelen. O mijne moeder, mijn lieve moeder! En Tirza, mijn
zusje, zoo mooi, zoo lief, zoo aardig! Altijd vroolijk, altijd zingende.
En mijne hand, de mijne, heeft haar neergeveld! Ik--
--Bekent gij schuld? vraagde Arrius streng.
De uitdrukking van Juda's gelaat veranderde als met een tooverslag. Zijn
stem werd scherper van toon, zijn geheele lichaam trilde, zijn oogen
schoten vuur, toen hij, de handen opheffende zeide: Gij kent den God
mijner vaderen, Jehova, den eenige. Bij zijne waarheid, zijne almacht,
en bij de liefde, waarmede hij Israël van den beginne heeft liefgehad,
betuig ik: Ik ben onschuldig!
De tribuun was diep bewogen.
--O edele Romein! vervolgde Ben-Hur, schenk mij geloof, en doe een
straal van licht vallen in mijne duisternis.
Arrius wendde zich af en wandelde het dek op en neer.
--Hebt gij een verhoor ondergaan? vraagde hij, eensklaps stilstaande.
--Neen.
De Romein zag verbaasd op. Niet verhoord--geen getuigen opgeroepen? Wie
heeft het vonnis over u uitgesproken?
De Romeinen, het zij hier even herinnerd, waren nooit méér gesteld op
het in acht nemen van wettelijke formaliteiten, dan in den tijd van hun
verval.
--Zij hebben mij gebonden en in de gevangenis geworpen. Ik zag niemand,
en niemand sprak tegen mij. Den volgenden dag werd ik door soldaten
weggebracht naar de galeien.
--Wat hadt gij tot bewijs van uwe onschuld kunnen aanvoeren?