terug.--Al lag ik op sterven, Tirza, dan zou ik den amulet nog niet
willen gebruiken. Zulke dingen zijn afgoderij, en verboden waar voor
geloovige Israëlieten. Bewaar hem, maar draag hem niet meer.
--Verboden! Volstrekt niet. Vaders moeder droeg hem altijd op Sabbat.
Ik weet niet hoevele zieken er wel door genezen zijn, stellig meer dan
drie. Hij is ook goedgekeurd; zie maar, hier is het merk van den Rabbi.
--Ik hecht geen geloof aan amuletten.
Zij zag hem verbaasd aan en vraagde: Wat zou Amrah daarvan zeggen?
--Amrahs vader en moeder waren Egyptenaren.
--Maar Gamaliël?
--Die zegt dat het goddelooze, heidensche gebruiken zijn.
Tirza bezag haren oorring en draaide hem besluiteloos rond.
--Wat zal ik er dan mee doen? vraagde zij.
--Draag hem, zusje. Hij staat u goed, hij maakt u mooi, hoewel gij dat
zonder zijne hulp ook zijt.
Tevreden gesteld deed zij den ring weder in haar oor. Op hetzelfde
oogenblik trad Amrah binnen en bracht op een blad een waschkom, water en
handdoeken. Daar Juda niet tot de Pharizeën behoorde was de reiniging
spoedig afgeloopen. Amrah verwijderde zich weder en Tirza zette zich aan
het werk, om Juda's haar in orde te brengen. Telkenmale als zij een lok
naar genoegen geschikt had, liet zij hem in den kleinen metalen spiegel
zien, dien zij volgens het gebruik aan haren gordel had hangen. De
arbeid stoorde hun gesprek echter niet.
--Hebt gij het al gehoord, Tirza? Ik ga weg.
Verschrikt liet zij de handen in den schoot vallen.
--Weg! Wanneer? Waarheen? Waarom?
Hij lachte. Drie vragen te gelijk! Wat zijt ge toch nieuwsgierig. Ja, ik
ga weg. Gij weet, de wet eischt, dat ik mij een beroep kies. Onze vader
gaf mij het voorbeeld. Zelfs gij zoudt mij verachten, als ik de vruchten
van zijn vlijt en kennis in luiheid verteerde. Ik ga naar Rome.
--O, dan ga ik mee.
--Gij moet bij moeder blijven. Als we allebei weggingen zou zij van
verdriet sterven.
Alle vroolijkheid week van haar gelaat.--Ja, natuurlijk. Maar moet gij
dáárvoor weggaan? Hier in Jeruzalem kunt gij alles leeren wat een
koopman weten moet.
--Maar ik denk er niet aan koopman te worden. De wet eischt niet, dat de
zoon wordt wat de vader was.
--Wat wilt gij dan worden?
--Soldaat.
--De tranen sprongen Tirza in de oogen.--Dan wordt gij doodgeslagen!
--Toch alleen als het Gods wil is. En, Tirza, niet alle soldaten
sneuvelen.
Zij sloeg hare armen om zijn hals, alsof zij hem terug wilde houden.
--Wij waren zoo gelukkig, Juda; blijf bij ons.
--Dat kan immers niet. Gijzelf gaat mettertijd ook heen.
--Nooit.
Hij glimlachte om den ernst, waarmede zij dat verzekerde.--Wie weet hoe
spoedig een vorst van Juda, of van een der andere stammen, mijne Tirza
komt weghalen, en wat zal dan van mij worden?
Een droevig gesnik was haar eenig antwoord.
--Het oorlogvoeren moet geleerd worden, vervolgde hij, en daarvoor moet
men ter schole gaan. De beste school is echter een Romeinsch kamp.
--Gij zult toch niet voor Rome vechten?
--Gij dus ook, gij zelfs haat Rome? Daarin schijnt de geheele wereld het
eens te zijn. Ja, Tirza, ik zal voor Rome strijden, maar om te leeren
hoe ik eenmaal Rome bestrijden moet.
--Wanneer gaat gij?
Maar Juda, die Amrah hoorde terugkomen, zeide: Stil, laat haar niets
merken van mijne plannen.
De trouwe slavin trad binnen met het ontbijt en plaatste het blad op een
stoel voor de beide jongelieden. Juist zouden zij beginnen, toen hunne
aandacht afgeleid werd door een luid gedruisch op straat.
--Het zijn soldaten van het Praetorium, riep Juda, die de muziek
herkende;--daar met ik naar kijken, een meteen sprong hij op en snelde
naar de borstwering. Tirza volgde hem en boog zich eveneens voorover om
beter te kunnen zien. Daar hun huis hooger was, dan de huizen in hun
naaste omgeving, konden zij tot aan den burcht Antonia de gansche buurt
overzien. De niet bijzonder breede straat was hier en daar door bruggen
overspannen, die weldra vol menschen en kinderen waren, door de muziek
daarheen gelokt. Muziek mocht het eigenlijk niet genoemd worden; want
wat het volk te hooren kreeg was niet veel meer, dan een vervaarlijk
trompetgeschal, begeleid door de schrille tonen van houten
blaasinstrumenten.
Weldra kregen de kinderen Hur den optocht in 't gezicht. Eerst een
voorhoede van lichtgewapenden, voornamelijk slingeraars en
boogschutters, vervolgens een afdeeling zwaar gewapend voetvolk, van
groote schilden voorzien, dan de muzikanten, vervolgens geheel alleen
een hoofdman, maar op den voet gevolgd door een bereden wacht, daarna
weder een afdeeling zwaar gewapend voetvolk, die wel eindeloos scheen te
zijn. Het krijgshaftig voorkomen der mannen, het gelijktijdig op- en
neergaan der schilden, het glinsteren van gespen, helmen en borstplaten,
de wuivende vederbossen, de vaandels en speren, dat alles maakte diepen
indruk op den Joodschen knaap. Twee voorwerpen vooral trokken zijne
aandacht, de vergulde arend met de uitgespreide vlerken, die, zooals hij
wist, met goddelijke eerbewijzen uit den burcht gehaald was, en de
hoofdman, die alleen te midden der troepen reed. In volle wapenrusting,
maar het ongedekte hoofd met een lauwerkrans getooid, hield hij den
kommandostaf in de rechterhand. Hij was gezeten op een purperen dek in
plaats van op een zadel, en de leidsels waren met goud gestikt en met
zijden franje afgewerkt.
Al heel spoedig bemerkte Juda, dat het volk bij het zien van dien
hoofdman zeer opgewonden werd. Zij drongen brutaal naar voren, en hieven
de vuisten dreigend omhoog, zij leunden zoover mogelijk over de
borstweringen der daken en wierpen hem allerlei scheldwoorden naar het
hoofd. Naarmate de stoet dichterbij kwam kon Juda duidelijk het
geschreeuw der menigte verstaan: Roover, tiran, vervloekte Romein! Weg
met Ismaël, geef ons Annas weder!
Het ontging den knaap niet, dat de hoofdman, zooals ook natuurlijk was,
lang niet onverschillig bleef onder die behandeling. Zijn gelaat stond
donker en dreigend, zoodat de meer angstvalligen terugdeinsden. Aan de
lauwerkrans, dien de ruiter op het hoofd droeg, herkende Juda den
nieuwen Procurator van Judea: Valerius Gratus.
Het onschuldige voorwerp van den haat der menigte wekte Juda's
medelijden, zoodat hij, toen de Romein den hoek van het huis zou
omslaan, zich nog verder voorover boog om te beter te kunnen zien.
Daarbij leunde hij met de hand op een stuk steen, dat reeds geruimen
tijd gebarsten en losgeraakt was. De drukking was sterk genoeg om het te
doen kantelen en vallen. De knaap ontstelde hevig en wilde den steen
grijpen, hetgeen van de straat gezien den indruk gaf, alsof hij iets van
zich wierp. Zijn poging mislukte, de steen liet geheel los en rolde naar
beneden. Juda schreeuwde zoo hard hij kon, om te waarschuwen. De
soldaten der lijfwacht keken op, zoo ook de procurator, maar op
datzelfde oogenblik viel de steen op hem, zoodat hij als dood achterover
zonk. Nu ontstond een groote ontsteltenis; de wachten stegen ijlings af
en beijverden zich om hunnen heer met een schild te dekken. Het volk
daarentegen, vast overtuigd dat de knaap met opzet den steen geworpen
had, juichte hem luide toe.
Als vastgenageld stond de arme jongen nog op dezelfde plek, ten volle
beseffende welke vreeselijke gevolgen dit ongeluk na zich zou slepen.
Plotseling scheen een booze geest zich meester te maken van de
toeschouwers op de omliggende huizen. Doldriftig sloegen zij alles kort
en klein wat onder hun bereik was en wierpen dat in blinde woede de
Romeinsche soldaten naar het hoofd. Nu ontstond een bloedig gevecht,
waarin de soldaten natuurlijk overwinnaars bleven. De verwarring, de
slachting, de wanhoop waren vreeselijk om aan te zien.
Doodsbleek richtte Juda zich op: O, Tirza, Tirza, wat zal er van ons
worden?
Daar zij den steen niet had zien vallen, en verschrikt door het onzinnig
drijven op de daken niet meer op Juda gelet had, begreep zij het rechte
van de zaak niet, allerminst dat haar of de haren eenig gevaar
dreigde.--Wat is er dan gebeurd, wat doen zij toch? vraagde zij
verschrikt.
--Ik heb den Romeinschen gouverneur gedood. De steen viel juist op hem.
Haar gelaat werd nog bleeker dan het zijne. Zij sloeg de armen om hem
heen en zag hem zwijgend, diep bedroefd aan.
--Ik deed het niet met opzet, Tirza, het was een ongeluk, zeide hij zoo
kalm mogelijk.
--Wat zullen zij ons doen? vraagde zij.
Hij luisterde naar het steeds toenemend rumoer en dacht aan het dreigend
gelaat van den procurator. Als hij niet dood was, wie kon dan zeggen
hoever zijn wraak gaan zou; en als hij wèl dood was, tot welke
uitbarstingen van woede zou de aanval van het volk de soldaten niet
kunnen opzweepen! Hij boog zich nogmaals over de borstwering, juist toen
de lijfwacht den procurator weder op het paard hielp stijgen.--Hij
leeft, Tirza, hij leeft! Gezegdend zij de God onzer vaderen! Met dien
uitroep en een opgehelderd gelaat wendde hij zich weder tot haar, om
hare vraag te beantwoorden.--Wees maar niet bang; ik zal hun wel zeggen
hoe het gekomen is, en zij zullen ons ter wille van onzen vader en de
diensten, die hij den keizer bewezen heeft, zeker ongemoeid laten.
Hij geleidde haar naar de torenkamer; maar zien, eensklaps beefde het
dak onder hunne voeten, een hevig gekraak, alsof balken en deuren werden
ingeslagen, deed zich horen, gevolgd door een kreet van schrik en
ontzetting. Hij bleef staan en luisterde. Het geroep om hulp herhaalde
zich, het geluid van zware voetstappen deed het geheele huis dreunen,
vloeken, smeeken, jammeren, alles door elkander. De soldaten hadden de
noordpoort ingetrapt en waren meester van het terrein. Juda begreep
dadelijk dat het om hem te doen was. Zijne eerste opwelling was te
vluchten; maar waarheen? Alleen vleugelen konden hem redden. Trillend
van angst klemde Tirza zich aan hem vast.
--O, Juda, wat is er toch gebeurd?
Hij antwoordde niet. Hij hoorde dat de dienaren werden neergestooten;
en--wat deed men met zijn moeder! Hoorde hij daar niet hare stem?--Met
al de kracht die nog in hem was zeide hij: Blijf gij hier, Tirza, totdat
ik terugkom. Ik zal naar beneden gaan om te zien wat er gebeurd is.
Daarna kom ik u halen.
Zijn stem was niet zoo vast, als hij wel gewild had. Zij drukte zich
tegen hem aan; maar daar hoorde hij zijne moeder weer luid om hulp
roepen. Hij aarzelde niet langer.--Kom dan, laat ons gaan, zeide hij.
Beneden aan de trap was het terras vol van soldaten, die met ontbloot
zwaard het eene vertrek voor en het andere na doorzochten. Hier zag men
eenige vrouwen op de knieën liggen, luid smeekende om erbarmen. Maar
daar ginds in dien hoek, met gescheurde kleederen en loshangende haren,
worstelde een vrouw om zich los te rukken uit de handen van een
Romein,--op haar vloog Juda toe met den kreet: Moeder! moeder! Zij
strekte de handen naar hem uit; maar juist toen hij ze vatten zou werd
hij gegrepen en op zijde getrokken. Daar hoorde hij iemand met luide
stem zeggen: Daar is hij!
Juda keek om en zag--Messala.
--Wat, is dat de moordenaar?--die jongen? vraagde een statig man in
kostbare wapenrusting.
--Alle goden! zeide Messala, dat is iets nieuws! Moet een man oud
geworden zijn om ten doode toe te kunnen haten? Hij is de schuldige, en
hier is zijn moeder, en dat is zijn zuster. De geheele familie bij
elkaar.
Door liefde tot moeder en zuster gedrongen vergat Juda zijn twist met
den voormaligen vriend: Help haar, Messala! Denk aan onze vroegere
vriendschap en help haar. Ik--Juda--smeek er u om.
Messala deed alsof hij het niet hoorde. Hij wendde zich tot den hoofdman
en zeide: Gij hebt hier mijne diensten niet meer noodig. Beneden op
straat is meer te doen. Weg met Eros, Mars regeert!
Dit gezegd hebbende verdween hij. Juda begreep hem en in de bitterheid
zijner ziel bad hij: O God, als het uur der wrake geslagen is, laat haar
dan door mijne hand aan hem voltrokken worden.
Met inspanning van alle krachten wist hij den hoofdman te bereiken.--O
heer, die vrouw is mijne moeder. Spaar haar en spaar mijne zuster. God
is rechtvaardig. Hij zal u genade voor genade bewijzen.
De man scheen geroerd te zijn.--Naar den burcht met de vrouwen! riep
hij, maar doe ze geen kwaad. Ik zal ze van uwe hand eischen. Toen tot de
mannen, die Juda vasthielden: Bindt zijne handen, en brengt hem naar
buiten; hij zal zijne straf niet ontgaan.
De moeder werd weggedragen. Tirza, door vrees verlamd, volgde haar
bewakers lijdelijk. Juda zag beiden voor het laatst aan, en sloeg toen
de handen voor het gelaat, alsof hij zich haar beeld onuitwischbaar
wilde inprenten. Indien hij een traan vergoot, niemand heeft het gezien.
Deze weinige oogenblikken waren voldoende geweest, om een volkomen
verandering in hem teweeg te brengen. Toen hij het hoofd weder ophief en
de armen uitstak, om zich te laten binden, was al wat nog kinderlijk aan
hem was verdwenen,--de jongeling was man geworden.
Op de binnenplaats weerklonk trompetgeschal. De soldaten haastten zich
naar beneden. Menigeen, die het niet waagde met de bewijzen zijner
plunderzucht in de rijen ter verschijnen, wierp zijn buit weg, zoodat de
vloer overal met kostbare zaken bedekt was. Toen Juda beneden kwam, had
de stoet zich weer geordend en wachtte de aanvoerder slechts op de
uitvoering van zijn laatste bevelen. Tirza en hare moeder, benevens het
geheele dienstpersoneel, werden door de noordpoort uitgeleid, die wel
een ruïne geleek. Het gejammer der dienstboden, waarvan verscheidene
ingeboornen des huizes waren, was droevig om aan te hooren. Toen ten
slotte de paarden en het vee weggevoerd werden, begon Juda de wraak van
den procurator ten volle te begrijpen. Alles, tot het woonhuis toe, was
ten verderve gedoemd. Geen levende ziel, zoo luidde het bevel, mocht
binnen zijne muren blijven. Mochten er soms in Judea nog lieden gevonden
worden, vermetel genoeg om een Romeinschen beambte te willen vermoorden,
dan zou het lot der vorstelijke familie Hur hun tot waarschuwing kunnen
dienen, terwijl hunne tot eene ruïne vervallen woning den indruk
levendig zou houden.
De hoofdman wachtte buiten, totdat een afdeeling soldaten de poort zoo
goed mogelijk weer in orde gebracht had. Het gevecht op straat was
geëindigd. Op de daken toonden hier en daar stofwolken aan, dat de rust
daarboven nog niet geheel hersteld was. De keizerlijke legioenen stonden
in 't gelid, even glansrijk als voorheen. Juda, die voor 't oogenblik
zichzelf geheel vergeten kon, had alleen aandacht voor de gevangenen,
waaronder hij tevergeefs zijne moeder en Tirza zocht.
Daar verrees eensklaps van den grond, waar zij neergehurkt zat, eene
vrouw, en snelde naar de poort. Een paar van de wachten schoten toe om
haar te grijpen; maar zij ontkwam aan hunne handen onder vreugdegejuich
der toeschouwers. Zij baande zich een doortocht naar Juda, viel aan
zijne voeten neder en omvatte zijne knieën.
--O, Amrah, goede Amrah, zeide hij, God helpe u, ik kan het niet.
Het was haar onmogelijk te spreken.
Hij boog zich tot haar neder en fluisterde: Leef, Amrah, voor Tirza en
mijne moeder. Zij zullen terugkomen, en--
Een soldaat trok haar weg; maar zij rukte zich los en snelde door de
poort en de gang naar den ledigen binnenhof.
--Laat haar gaan, beval de hoofdman. Wij zullen het huis verzegelen, en
zij kan verhongeren.
De manschappen hervatten hun werk, en toen zij aan dien kant gereed
waren, begaven zij zich naar de westzijde. Daar werd de poort eveneens
dicht gemaakt, waarna het oude paleis Hur vereenzaamd bleef staan. De
cohorte zette zich weder in beweging, terug naar den burcht, waar de
procurator eenige dagen rust hield, om van zijne wond te genezen en over
de gevangenen te beschikken. Tien dagen later bracht hij zijn bezoek aan
het paleis van den hoogepriester.
* * * * *
ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE GEVANGENE.
Den volgende dag verscheen een detachement Romeinsche soldaten voor het
verlaten huis, en na de ingangen met was verzegeld te hebben, spijkerden
zij aan de muren een plakkaat, waarop in het Latijn deze woorden te
lezen stonden:
DIT IS HET EIGENDOM VAN DEN KEIZER.
Nog een dag later, tegen den middag, naderde een hoofdman met tien
ruiters het stadje Nazareth van de zuidzijde, dat is, komende van
Jeruzalem. Nazareth was toen een onbeduidend dorp, tegen den heuvelrand
gebouwd. De eenige straat, waarop het aanspraak kon maken, was niet veel
meer dan een veel begaan geitenpad. Aan de zuidzijde strekte zich de
groote vlakte uit van Esdrelon, en van een westelijken heuveltop kon men
de Middellandsche zee, de landen van gene zijde der Jordaan, en den berg
Hermon zien liggen. Wijngaarden, tuinen en weilanden boden een
afwisselenden aanblik, terwijl hier en daar een palmboschje aan het
landschap een oostersch karakter verleende.
De huizen van Nazareth waren onaanzienlijk, vierkant, één verdieping
hoog, van platte daken voorzien, en met frisch groene wingerden
begroeid. Waren de heuvelen van Judea dor en bruin verbrand, bij de
grenslijn van Galilea hield dat naargeestig schouwspel op.
Toen de ruiters het dorp naderden deden zij hun trompetgeschal
weerklinken, hetgeen een magische uitwerking had op de inwoners. Alle
hekken en deuren gingen open, ieder wilde de eerste zijn om de ongewone
bezoekers te zien. Dat de Nazareners jegens de Romeinsche soldaten alles
behalve welwillend gestemd waren, behoeven wij wel niet te verzekeren;
maar toen zij zagen wat het doel van den tocht was kreeg de
nieuwsgierigheid de bovenhand, en wetende dat de Romeinen halt zouden
maken bij de bron op de markt, verlieten zij hunne huizen en sloten zich
bij den troep aan.
De ruiters voerden een gevangene mede, dat was het wat ieders aandacht
trok. Hij ging te voet, bloothoofds, half naakt, de handen op den rug
gebonden. De riem, die zijne polsen bijeenhield, was om den hals van een
paard geslagen. Het stof, door de ruiters opgejaagd, hulde hem in een
dikke wolk. Zijn houding was gebogen, zijn gang moeilijk, hij scheen
bijna te bezwijken.
Bij de bron hielden de soldaten stil en stegen af. De gevangene zonk
uitgeput op den grond; de krachten begaven hem. Toen de dorpelingen
naderbij kwamen en zagen dat het niet veel meer dan een knaap was,
schudden zij medelijdend het hoofd en zouden hem, indien zij slechts
gedurfd hadden, gaarne geholpen hebben.
Terwijl zij onder elkander beraadslaagden en de soldaten hun dorst
leschten, kwam van den kant van Sepphoria een man aanwandelen. Een vrouw
zag hem het eerst en riep: Kijk, daar komt de timmerman. Nu zullen wij
wel iets te hooren krijgen.
De bedoelde persoon, een eerwaardig grijsaard met zilveren lokken en een
langen witten baard, naderde met langzamen tred. Over den schouder droeg
hij een bijl en een zaag, alles zwaar en grof. Bij de bron bleef hij
staan en overzag de schare.
--O, Rabbi, goede Rabbi Jozef, zeide de vrouw en liep op hem toe, hier
is een gevangene. Vraag toch eens aan de soldaten hoe hij heet en wat
hij gedaan heeft, en wat zij met hem gaan doen.
Het gelaat van den oude bleef onbewogen. Hij beschouwde echter den
gevangene en wendde zich toen tot den hoofdman.
--De vrede des Heeren zij met u, zeide hij ernstig.
--En die van de goden met u, antwoordde de Romein.
--Komt gij uit Jeruzalem?
--Ja.
--Uw gevangene is nog zeer jong.
--In jaren, ja.
--Mag ik vragen wat hij gedaan heeft?
--Hij is een moordenaar.
Met groote verbazing ging dat woord van mond tot mond, maar Rabbi Jozef
vervolgde: Is hij een zoon van Israël?
--Hij is een Jood, antwoordde de Romein droogjes.
Het medelijden der omstanders, dat sterk verminderd was, groeide op eens
weer aan.
--Ik weet niets van uwe stammen af, vervolgde de hoofdman, maar kan u
wel zeggen wie zijn familie is. Misschien hebt gij wel eens van een
zekeren Hur, een vorst van Jeruzalem, gehoord, Ben-Hur noemden zij hem.
Hij leefde ten tijde van Herodes.
--Ik heb hem gekend, zeide Jozef.
--Nu, dit is zijn zoon.
Van alle kanten hoorde men uitroepen van medelijden en ontsteltenis,
hetgeen den hoofdman niet beviel. Daarom liet hij er snel op volgen:
Eergisteren heeft hij den edelen Gratus getracht te dooden, door hem een
steen op het hoofd te werpen, boven van het dak van zijns vaders huis.
De Nazareners gaapten den jongen Ben-Hur aan, alsof hij een wild dier
was.
--Heeft hij hem gedood? vraagde Jozef.
--Neen.
--Is hij veroordeeld?
--Ja, tot de galeien, levenslang.
--God helpe hem! zeide Jozef bewogen.
Een jonge man, die met Jozef medegekomen, doch onopgemerkt gebleven was,
legde de bijl, die hij over den schouder droeg, neer, ging bedaard naar
de bron, vulde een kruik met water, en boog zich, voordat iemand het
verhinderen kon, over den gevangene om hem te laten drinken. Zacht legde
hij de hand op Juda's schouder, en toen de arme jongen de oogen opsloeg,
zag hij een gelaat om nooit te vergeten, het gelaat van een jonkman,
wiens donkerblauwe oogen hem zoo liefdevol en deelnemend aanstaarden,
dat hij zich in eens gewonnen gaf. Zijn gemoed, verhard door lichamelijk
lijden en zoo verbitterd door het geleden onrecht, dat het aan niets dan
aan wraak kon denken, smolt als was onder dien blik. Hij zette den mond
aan de kruik en dronk het frissche water met lange gretige teugen. Geen
van beiden sprak echter een enkel woord. Toen Juda gedronken had legde
zijn nieuwe vriend zijne hand als zegenend op het hoofd van den
gevangene, bracht vervolgens de kruik weder waar hij die gevonden had,
nam zijn bijl op en voegde zich weder bij Jozef. Aller oogen, zoowel van
de Romeinen als van de dorpelingen, volgenden hem.
Nadat de soldaten ook de paarden te drinken hadden gegeven begaven zij
zich weder op marsch. Over den hoofdman scheen een verandering gekomen
te zijn. Met eigen hand toch hielp hij den gevangene opstaan en zette
hem achter een soldaat op het paard.
De Nazareners keerden naar huis terug, onder hen Jozef en zijn metgezel.
Dit was de eerste ontmoeting tusschen Juda en den zoon van Maria.
* * * * *
BOEK III.
* * * * *
EERSTE HOOFDSTUK.
QUINTUS ARRIUS.
De stad Misenum, eenige mijlen van Napels gelegen, heeft haren naam
gegeven aan het voorgebergte, welks sieraad zij was. Enkele ruïnes,
ziedaar alles wat van haar overbleef; maar in het jaar 24 der
Christelijke jaartelling was de plaats een van de belangrijkste aan de
westkust van Italië. Van den stadsmuur had men een heerlijk gezicht op
de blauwe golf van Napels met hare schilderachtige oevers, op den
rookenden Vesuvius, op Ischia hier en Capri daar, en ten slotte op
Rome's reservevloot, die voor Misenum ten anker lag. Een doorgang in den
stadsmuur voerde toen ter tijde naar een dam, die zich verscheidene
mijlen ver in zee uitstrekte.
Op een koelen Septembermorgen werd de wachter op den muur boven den
doorgang uit zijne gepeinzen opgewekt door de nadering van een druk
pratend gezelschap. Hij zag even op en hernam zijn vorige houding. Het
gezelschap bestond uit twintig tot dertig personen; het meerendeel
slaven, die brandende fakkels droegen, welke een Indischen nardusgeur
verspreidden. De heeren gingen arm in arm vooraan. Een van hen, een
vijftigjarige, met een lauwerkrans om de slapen, scheen de held van een
of ander feest te zijn. Allen droegen ruime toga's van witte wollen
stof, met breede purperen randen afgezet. De wachter had met één blik
gezien, dat het lieden van aanzien waren, die na een nachtelijke partij
een vriend uitgeleide deden.
--Neen, Quintus, zeide een van hen tot den bekranste, het staat Fortuna
niet mooi u zoo spoedig aan ons te ontrooven. Eerst gisteren van de reis
teruggekeerd, gaat gij ons nu reeds weder verlaten.
--Bij Castor, zeide een tweede, waartoe dat klagen? Onze Quintus gaat
slechts herwinnen wat hij van nacht verloren heeft. Dobbelsteenen op een
zwalkend schip staan niet gelijk met dobbelsteenen aan den vasten wal,
is 't wel Quintus?
--Beleedig Fortuna niet, waarschuwde een derde. Zij is niet blind of
wispelturig. Ontneemt zij hem ons bij tijd en wijle, zij brengt hem ons
toch altijd weer terug met nieuwe lauweren beladen.
--De Grieken halen hem weg, zeide een ander. Aan hen de schuld; laat ons
dus de goden met rust laten.
Zoo sprekende ging het gezelschap door de poort op den dam. Den zeeman
klonk het kabbelen der golven als een welkomstgroet in de ooren. Hij
haalde diep adem, alsof het zilte nat hem liefelijker was dan de nardus.
Ziet, sprak hij de hand opheffende, de wind waait uit het westen. Heb
dank, moeder Fortuna!
De vrienden herhaalden den uitroep in koor, de slaven zwaaiden de
fakkels.